De fiets

cc-foto: Matt Buck

In horrorfilms zie je wel eens apparaat of voorwerp dat behekst is. De hoofdpersoon verkeert in een overduidelijke staat van nietsvermoedendheid, lezend, tuinierend of tv-kijkend, de camera draait weg en een voorwerp komt in beeld, een kettingzaag, strijkijzer, tv-toestel of vleesmes, betekenisvol uitgelicht, de muziek zwelt clichématig aan zodat dertien beroemde componisten zich tegelijk omdraaien in hun graf en je weet hoe laat het is: dit ding gaat voor veel ellende zorgen.

Net als iedereen die naar horrorfilms kijkt, geloof ik niet in dergelijke onzin als een behekste kettingzaag maar is het lekker om je er bang door te laten maken. Zoals het vermakelijk is om naar vechtfilms te kijken ook al zou je nooit in een vechtpartij verzeild willen raken. Amusante nonsens, bedacht door creatieve filmmakers. Dat wil zeggen, zo dacht ik er tot voor kort over. Sinds enige tijd begin ik te vermoeden dat ik zelf zo’n ding bezit dat is weggelopen uit een horrorfilm. Of erger.

Het begon toen ik op een mooie zomerdag door de stad liep, de zon scheen, om me heen hing een wolk van zorgeloosheid en het leven lachte me toe. Letterlijk. Uit het niets klonk een heldere vrouwenstem.
Hé Francisco!
Ik keek opzij en daar stond ze te stralen: P. Het gekke was dat ik meteen wist wie ze was terwijl ik haar slechts vaag kende, van heel lang geleden ook nog. Het leek alsof ze niet ouder was geworden, knap, lange gouden lokken, een slank voorkomen waarmee je op Instagram in no time tienduizenden volgers haalt. Ik stak m’n hand uit maar ze omhelsde me nadrukkelijk, tot mijn verbazing.

Hoe is het met jou? Met langgerekte nadruk op dat laatste woord om de standaarduitdrukking minder sleets te maken.
Ja, goed. Met jou? antwoordde ik, schuchter van zoveel genegenheid.

Even later zaten we op een terras, haalden weggezakte herinneringen op en er ontstond een vertrouwdheid die je normaal alleen hebt met boezemvrienden. Ze bleek me al lange tijd te volgen in de media, wat me vleide. Ze was een vrouw van de wereld geworden en vertelde over haar succesvolle carrière, mislukte liefdes, grootse avonturen tot het op haar fascinatie voor het spirituele kwam. Dat ging wat verder dan het gebruikelijke doornemen van de horoscoop in het ochtendblad.

Ik zette m’n scepsisknop om en luisterde. Ervaringen met uit het lichaam treden, waarzeggers, handlezers, het oproepen van geesten, voorspellende dromen. Ik ben er als katholieke, met verhalen over engelen en duivels opgevoede jongen niet zo’n fan van maar ja, als je in vrijheid van godsdienst gelooft dan moet je de mensen ook wat gunnen. Ik luisterde, oordeelde niet, sloot niet uit dat er meer is tussen hemel en aarde, etcetera. 

De grens van m’n logicadimmer werd bereikt toen ze vertelde dat ze op een ochtend wakker was geworden na een nachtelijke ontmoeting met boze geesten in wat ik maar het onderbewustzijn noem, in de spiegel keek en zag dat haar haar was afgeknipt. Ze liet me een foto zien. Verdomd, het haar was er af alsof het opgevreten was.  Maar die blik van haar in de spiegel. Gestoord, dacht ik meteen in stilte en schrok daar nog meer van. Wat moest ik zeggen? Ik wilde het nu niet afdoen als onzin, daarvoor had ik al te lang kritiekloos geluisterd maar ik had ook geen zin meer dit aan te horen. Mijn horloge redde me. Goh, al zo laat, ik moet weg. Ze keek me ongelovig aan, stond er op af te rekenen en liep nog een eindje met me tot aan mijn verderop geparkeerde fiets. 

Wat heb jij nou voor fiets, vroeg ze op een verontwaardigde toon alsof er wel iets heel merkwaardigs aan de hand was. Ik keek naar het rijwiel waar ik anders alleen maar ondoordacht opstap maar zag niets bijzonders. Gewoon, van de Fietsenreus zei ik. Iets Oosteuropees geloof ik. 
Zóóó burgerlijk, niks voor jou. Ik had bij jou echt zo’n hip ding verwacht, iets bijzonders. Ze keek me aan met een blik alsof ik een ernstige ziekte had en nog slechts een paar maanden te leven. Ik voelde mijn in de afgelopen uren blinkend opgepoetste imago in elkaar donderen.
Nee joh, gewoon een fiets. Meer heb ik niet nodig, probeerde ik monter. Het is het nieuwe hip, wilde ik bluffen maar dat leek me bij nader inzien kansloos bij deze stijlkoningin. Had ik eindelijk eens een fan, verpestte ik het binnen de kortste keren. Een vluchtige kus op haar wang, die voelde als ijs. En weg was ze.

Die avond struinde ik hippe fietsensites af. Low riders, roze wielen, gerestylede bakkersfietsen, wereldrecordracers, ik onderzocht alle opties. Mijn god, wat een prijzen. En wat moest ik met zo’n fiets? Die wordt in no time gestolen. De gedachte liet me echter niet los. Of nee, het was geen gedachte, meer een obsessie. Ik moest een nieuwe fiets. Dat was wat er ontbrak in mijn leven. Zolang ik niet een geschikte fiets had voelde ik mezelf incompleet, naakt bijna. In mijn verbeelding zag ik me door de stad flitsen terwijl voorbijgangers afgunstig hun hoofd meedraaiden alsof ze een Lamborghini voorbij zagen komen.

Twee weken later slenterde ik met goede vriend en fietsexpert G, die ik deelgenoot had gemaakt van mijn kersverse existentiële verlangen, door de stad en we passeerden een fietsenzaak. Een aanbieding, een hybride stadsmountainbike voor de heft van de adviesprijs. Mat zwart frame, stoer stuur, gestroomlijnd zadel, 34 versnellingen, alleen de spatborden een beetje te plastic. Dat zie je niet als ik hard voorbij fiets, dacht ik. Het voelde ook alsof dit ‘m moest zijn. Wat denk je? G trok z’n neus op. Weggegooid geld. Ik hoef de Tour de France er niet op te rijden, wierp ik tegen. G liep alweer naar buiten.

De volgende dag ging ik terug naar de winkel. Of ik een rondje mocht rijden. Het was niet gewoon fietsen, het voelde meer als een rodeo. Alsof ik het rijwiel in toom moest houden. Ik werd er nerveus van. Het is het laatste exemplaar, zei de verkoper. Ook dat nog. Ik kon er maar beter een speciaal slot voor nemen. Compleet met tasje voor aan het frame. Onrustig rekende ik af en reed op huis aan. Hij was nu van mij maar het leek alsof de fiets zelf er anders over dacht. Niets voelde natuurlijk. Kwestie van wennen, prentte ik mezelf in. Thuis gekomen wilde ik P een  ‘kijk mij eens’-plaatje appen maar haar nummer bleek verdwenen uit m’n contacten.

Een week later besloot ik een eerste grote tocht door de stad te maken, suisde bruggen af, ging liggend door bochten, met als sluitstuk de tunnel onder de rivier, een lange verlaten gang waar je heel veel snelheid kunt maken. Ik zou de fiets bedwingen en er heer en meester over worden. De snelheidsmeter kroop voorbij de 40 kilometer. Nu weer naar boven klimmen. Ik schakelde. Krak. Krak. De ketting liep er af en verbrijzelde de plastic tandwielbeschermer. Ik dacht aan G. Hij had gelijk gehad. Rotzooi. Ik vloekte.

Ik borg de fiets op in de garage en keek er een tijd niet meer naar om. Of nee, laat ik eerlijk zijn. Ik zag ‘m steeds staan. En iedere keer schaamde ik me. Waarom had ik dat ding in een vlaag van verstandsverbijstering gekocht? Het was niks voor mij. Ik ben geen wielrenman, dat is meer voor van die groepen weekendkameraden die samen slierten. Het bezit gaf ook helemaal niet het gevoel dat ik er van verwachtte. Een nieuw kledingstuk kan je het gevoel geven dat je beter bent dat gisteren, een nieuwe auto dat je vooruitkomt in het leven, een nieuwe foon dat je bij de tijd bent. De fiets gaf me niets van dat alles. Integendeel, het rijwiel gaf me een besef van overbodigheid. Ik had hem gekocht maar van bezit leek geen sprake.

Als ik er een nieuwe beschermer opzette kon ik ‘m misschien verkopen. Ik verzamelde moed en reed naar een fietsenmaker in de buurt, een vriendelijke Surinaamse jongeman waar ik wel vaker heenga. Hij kwam naar buiten en leek direct terug te deinzen bij de aanblik van de fiets. Daar heb ik geen onderdelen van, je moet naar de originele winkel. Voordat ik verder kon vragen was hij alweer naar binnen verdwenen. Vreemd, zo deed hij anders nooit.

Ik stapte op en reed richting de winkel van aanschaf. Ik voelde me licht in m’n hoofd alsof ik in de zon een glas rosé te veel had gedronken. Maar ik had helemaal niets op. Bij een druk kruispunt aangekomen, kneep ik in de rem. Meteen blokkeerde het voorwiel. Ik sloeg over de kop, de fiets buitelde achter me aan en over me heen. Van alle kanten spoedden mensen zich op me af. Alles goed, niks gebroken of bezeerd? Ik krabbelde overeind, nee wat schaafwonden en een kapotte kleding. Het gaat, dank u wel, erg aardig. Ik red me wel.

Opheffingsuitverkoop stond er op de etalage. Ik wilde de fiets op slot zetten maar ontdekte dat het hoesje aan het frame leeg was. Hoe kon dat nou weer? Ik zette het rijwiel half in de deuropening zodat ik ‘m in de gaten kon houden en liep naar binnen. De winkel leek geplunderd. Her en der lege schappen en nog slechts wat afgeprijsde modellen. Achter de kassa kauwde een overduidelijk ongeinteresseerd gothic-meisje op kauwgom. Ik zoek een tandwielbeschermer voor mijn fiets bracht ik voorzichtig uit, nog wat groggy van de val. We hebben die onderdelen niet meer, klonk het. Het was alles wat ze zou zeggen. Had ik haar van het ongeluk moeten vertellen? Medelijden moeten opwekken? Ze wekte de indruk dat het haar nog niet had kunnen schelen als ik uit Hiroshima was komen fietsen.

Ik reed naar huis en borg de fiets opnieuw op. Wat moest ik er nu mee? Geen beschermer, geen slot en geen zin er nog geld aan uit te geven. De garage stond vol met spullen maar iedere keer als ik de deur opende zag ik als eerste de fiets, ook al bevond die zich ergens achterin, gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. Een monument voor m’n onbezonnenheid. 

De lente brak weer aan, de zon scheen en ik besloot het er nog eens op te wagen. De banden opgepompt, het stof er af gewreven. Toch vreemd, een mooie fiets waar ik maar niet van kon houden. Het fietsen ging warempel makkelijker dan ik dacht, de voorrem blokkeerde niet meer bij de minste aanraking, het schakelen verliep vlekkeloos. Misschien moest ik ‘m toch maar houden. Ik kon met mijn kantoorbaan de beweging goed gebruiken, zeker nu ik de sportschool had opgezegd. Dit was beter dan als een zombie op een hometrainer zitten. Ik meende dat ik zelfs nagekeken werd. De mooie nieuwe sweatpants die ik droeg paste ook al zo goed bij de fiets. Dit was waar ik naar gezocht had. Ik voelde me een Parijzenaar in een eigentijdse foto van Doisneau, op weg naar volmaakt geluk.

Krrrstt. Het geluid van scheurend katoen. De tanden van het voorwiel hadden een gat in de broek gebeten. Ik vloekte, reed naar huis en kwakte de fiets in de garage.

Ik moet ‘m naar achteren verplaatsen, dacht ik de volgende dagen als ik me langs de fiets wurmde om in de auto te stappen en die voorzichtig de garage uit te manoeuvreren. De auto paste maar net. Op de een of andere manier kon ik me er niet toe zetten de fiets op te ruimen. Ik wilde ‘m niet meer aanraken ook al stond hij daar onhandig, dat zwarte monster. Ik moest ‘m verkopen, wegdoen, niet weer opbergen. Een week later lette ik even niet op en reed bij het verlaten van de garage de zijspiegel van mijn auto er af. Weer schade. Ik pakte de fiets op en smeet hem naar achteren. Teringding, jouw schuld.

Daar ligt hij nu, het voorwiel protesterend in de lucht. Soms, als ik de deur open lijkt dat heel zachtjes te draaien. Als een uitgeraasd rad van fortuin tracht hij me uit te dagen nog een gokje te wagen.

Over Francisco

eindredacteur Joop.nl

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.