Gazelles in de stad

cc-foto: Craig Vershaw

Er klinkt achter me een klap, het soort waarvan je meteen weet dat het iets met een auto is. Het geluid van blik dat een dreun opvangt en indeukt, hard plastic dat breekt. Ik kijk om. Een auto draait op de kruising de hoek om, rijdt een zijstraat in. Heel langzaam, alsof de bestuurder twijfelt over wat er gebeurd is. Een scooter ligt midden op straat, half tegen de grond. De berijder zit er nog op en richt zich omhoog met machine en al. Hij ziet verschrikt om zich heen, ik kijk hem recht aan en verbaas me erover dat zijn blik geen woede of hulpeloosheid uitstraalt. Hij lijkt niet gewond. Nog voor ik op hem af kan lopen scheurt hij vol gas weg, de straat uit. Een stuk plastic van de scooter blijft achter op de stenen.

De auto is gestopt. Ik merk dat ik onwillekeurig partij heb gekozen voor de scooter. In de jungle van het verkeer kies je altijd voor de zwakste. Zoals in een natuurdocumentaire je sympathie uitgaat naar de gazelle en niet naar de cheetah. Maar nu de jongen weggeracet is, als een ontsnapte gazelle die uit zicht verdween, blijft er niemand over om sympathie voor te hebben. 

In de linkerachterkant van de splinternieuw ogende auto zit een forse deuk. Het portier gaat open, een jong meisje stapt uit. 19 jaar schat ik, maar dat zegt niks want ik denk ook altijd dat George Clooney 40 is. Ze trilt van de zenuwen. Ze lijkt een beetje op Famke Louise. Wat is er gebeurd, wil ze weten. Een voorbijganger wijst naar een paal met bovenin een zwarte bol op de hoek van de straat. “Daar hangt een camera, snel, bel de politie dat ze de beelden veilig stellen.” Ik zie de bol, als een ding uit een science-fiction film. Zou er nu iemand naar ons kijken, vraag ik me af.

“Politie?”, vraagt het meisje met twijfelende stem. Haar vriendin is ook uitgestapt. Die trilt niet en lijkt zich vooral af te vragen wat de situatie is. 
Ik wijs naar de achterzijde de auto. “Je hebt wel een deuk.”
Het meisje slaat haar hand voor de mond als ze de schade ziet. “O mijn god, mijn vader…” Ze lijkt meer te schrikken van de gedachte aan haar vader dan van het ongeluk.

“Je had die scooter niet gezien,” zegt haar vriendin in een poging haar gerust te stellen. 
Ik probeer te helpen. “Ja en hij haalde je links in, dat mag niet.”
“Precies,” zegt haar vriendin. Het meisje kijkt me verbaasd aan. Gauw zeg ik: “Of nee, dat mag wel maar daar kun jij niks aan doen.” Welja, maak het nog erger, verwijt ik mezelf de onhandigheid.
“Ik heb geen richting aangegeven,” zegt het meisje.
Verdomme. Ik wil zo graag dat het niet haar schuld is. Dat het niemands schuld is.
“Wat moet ik nou doen? Ik weet niet wat ik moet doen.”
Ja, wat moet ze doen? De auto staat midden op straat, het portier nog open, als een bevroren crime scene.

Het is avond, de winkels zijn net gesloten en het publiek trekt door de straten op weg naar huis of vermaak. Over een half uur begint even verderop de theatervoorstelling waar we naar op weg zijn.

Een fors gebouwde beveiliger op de fiets stopt. “Je had die straat niet in mogen rijden van die kant. Het is eenrichtingverkeer.” Ook dat nog. Daar had ik helemaal niet aan gedacht.
“Niet in mogen rijden? Hoe kan dat?” reageert het meisje vol ongeloof.
Het is ook een rare straat. Halverwege verandert plots de rijrichting. Net bij een drukke voetgangersoversteekplaats. Ik zie er vaker mensen de fout ingaan, denk ik verontschuldigend en verbaas me daar tegelijk over omdat de keren dat ik zoiets zag gebeuren ik steevast de bestuurders vervloekte. Het meisje is veranderd van cheetah in gazelle. Ze is ook net zo rank, als een rietje dat trilt.

“Hier gebeuren heel vaak ongelukken,” zegt de beveiliger. Ook hij wil haar geruststellen. “Ik heb er zelf al vier keer een aanrijding gehad.” Je zou denken dat iemand die de camerabeelden bestudeert het eens moet gaan opvallen dat die plek een magneet is voor het verlies van no claim-korting maar misschien kijkt er niemand naar, registreren ze alles voor het grote niks.

“Ik weet niet wat ik moet doen.” zegt het meisje weer.
“De politie bellen,” antwoordt een omstander. Ik zie de angst op haar gezicht. “Wat moet ik dan zeggen?”
“Zal ik voor je bellen?” bied ik aan.
“Ja, als u dat wilt.”
Klik.
“Meldkamer, waar is het noodgeval?”
Nou noodgeval, schiet het door me heen, dat is wel een beetje overdreven. Maar wie had ik dan moeten bellen? Op de achtergrond hoor ik het rumoer van de meldkamer. Ik denk aan alle noodgevallen die nu moeten wachten omdat ik een bibberend meisje wil helpen.

Ik noem de straathoek. “Een scooter is tegen een auto opgebotst en daarna doorgereden.” Ik geef het signalement, voor zover ik dat heb onthouden. Blauwe helm, zwarte scooter.
“Blauwe helm, zwarte scooter?” vraagt de meldkamer. Ik twijfel ineens en zie in gedachten alle politieagenten speuren naar een zwarte scooter met blauwe helm terwijl het misschien wel een blauwe scooter met zwarte helm was. “Ja, maar dat doet er niet toe. Die auto is beschadigd en de bestuurster is nogal geschrokken en heeft geen idee wat ze moet doen. Dus misschien kunt u iemand sturen?”
“We sturen een wagen er naar toe.”

Opgelucht hang ik op, al heb ik geen idee wat de politie gaat doen. Ineens valt het kwartje. “Die scooter is doorgereden. Dat mag sowieso niet na een ongeluk. En waarschijnlijk was die scooter niet van hem, anders rij je niet weg.” Dat geeft het verhaal een andere wending. De scooterrijder is een roekeloos type, een verdachte. Zij is nu echt een gazelle, ook al had ze geen richting aangegeven, keek ze niet uit en reed ze in een verboden richting door de straat. Ze heeft eigenlijk niets verkeerd gedaan. Een gazelle die fouten maakt, benadeelt alleen zichzelf.

Het meisje is nog in paniek. “Mijn vader…” 
Ik vraag of ze bang voor hem is. “Ja, hij gaat boos worden. Het is zijn auto.”
“Twee maanden oud,” zegt de vriendin.
“Waar is je vader?”
“In het café, denk ik.”
“Zal ik hem bellen?”
Ze knikt en geeft me haar telefoon. Ik hoor cafégeroezemoes en een mannenstem.
“Ik bel namens uw dochter. Ze heeft een aanrijding gehad.”
“Wel godver.”
“U hoeft zich geen zorgen te maken over haar. Er zijn geen gewonden. Er is een scooter tegen uw auto opgereden en daarna weggereden. Er zit wel een flinke deuk in.”
“Wel godver.”
“Uw dochter is erg geschrokken en durfde u niet te bellen, daarom doe ik dat.”
Wat moet ik verder zeggen? Geen idee. Hij is niet gaan schelden.
“Wilt u uw dochter spreken?”
“Ja.”
Ik geef de telefoon. Ze luistert. “Ja maar papa…” Haar gezicht wordt nog bedrukter. “Ja maar papa…” schreeuwt ze nu. Dan houdt het op. Ze kijkt ons aan. “Hij heeft opgehangen.”

“Mijn vader zou niet boos worden,” zegt de vriendin. “Ik heb pas nog een aanrijding gehad met zijn auto. Die reed door maar ik heb de dader weten achterhalen via instagram. Zou je ook niet verwachten.” Ineens heeft iedereen ongelukken gehad. Ik denk aan mijn laatste ongeluk, jaren geleden, dat was ook al zo stom. De vriendin wijst naar de beschadigde wagen. “Die auto is van zijn werk.”
“O maar dan is ie all risk verzekerd. Of wacht, misschien niet als zij er in rijdt?” De vriendin haalt haar schouders op.

De tijd verstrijkt. Het meisje heeft de auto in een parkeervak gezet. De beveiliger vertelt over wat hij meemaakt. Het is onrustig in de stad, antwoordt hij als ik hem vraag of het rustig is. “Ondanks de ramadan. Dus ik hou m’n hart vast voor het Suikerfeest.” Ik wil iets relativerends zeggen maar vraag me af waarom eigenlijk en zwijg. Ik kijk naar de zwarte bol die boven de hoek van de straat hangt als een boos oog. Ziet iemand ons?

Het meisje wordt gebeld. Haar vader. Na twee minuten eindigt het gesprek in geschreeuw. Ze panikeert weer.
“Het is een ongeluk,” zeg ik tegen het meisje. “Jij kunt er niets aan doen. Het is alsof er een boom op je auto is gevallen.” Ze kijkt me aan alsof ze het graag wil geloven maar weet dat dat nog het probleem niet oplost.

Een politiewagen draait langzaam de straat in. Een agent stapt uit. Een krachtige gestalte en een zacht gezicht met een grijs baardje en fonkelende ogen. “Zo, wat is hier aan de hand?” Hij heeft de uitstraling van een coach, van iemand die je direct vertrouwt. Deze man gaat haar helpen, dat is meteen duidelijk. Ik geef snel een samenvatting. “Hier heeft u mijn nummer als u nog iets wilt weten. Wij moeten verder want er begint zo een theatervoorstelling.”
“Ah, moeten jullie naar het theater? Wat lief dan dat jullie bleven.” Het gezicht van het meisje klaart even op. We schudden handen.

De voorstelling gaat over liefde, dood en vertrouwen maar ik kan mijn gedachten er slecht bij houden. Dat arme meisje blijft maar door mijn hoofd rennen. Zo bang voor haar vader.

Ja, iedereen was lief. Dat is wel zo. De meisjes, de beveiliger, de omstanders, de agent. De scooterrijder niet. Maar zelfs dat is niet zeker want ik ken zijn verhaal niet. Misschien ging hij er om een heel andere reden vandoor en zou je hem alsnog lief vinden als je wist hoe het zat. Alleen die vader, als die nou eens wat liever was in plaats van zo boos. Dan was een deuk alleen maar een deuk. Een schadeformulier dat ingevuld moet worden. Dan was er eigenlijk niet zoveel aan de hand geweest, dan waren er geen cheetahs of gazelles. Dan dacht ik niet zo aan dat arme meisje.

Over Francisco

eindredacteur Joop.nl

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.