Spring naar inhoud

Op het moment dat de lockdown begon dacht ik, net als zovele anderen die verder niet direct bedreigd werden door de gevolgen, dat ik zou gaan schrijven, lezen, leren. Of in een andere volgorde. Ik begon in een ebook uitgave van Decamerone zonder er op te letten dat het boek bijna 900 pagina’s telt. Ik bedacht het begin van een geniaal plot voor een sf novelle. Ik zocht zowel een cursus Frans als Spaans uit. Ik ging op zoek naar een trainingsschema om binnen drie maanden mijn bicepsomvang te verdubbelen. Ik accepteerde een 50 km per maand hardloop challenge.

Er kwam uiteindelijk allemaal helemaal niets van terecht. Gelukkig ben ik zwaar getraind in onuitgevoerde plannen dus ik ben niet teleurgesteld maar wel verbaasd. Op de een of andere manier raakte ik verloren op een zee van tijd. Geen afspraken meer, niet meer naar de bios, niet meer uit eten, de lege uren strekten zich uit tot in het oneindige en het was me toch elke avond een raadsel waar ze gebleven waren.

Geen stip op de horizon. Geen kompas. Zelfs mijn voorstellingsvermogen schoot tekort. Ik weet dat ik op een ochtend wakker werd, het was nog voor het virus zijn piek had bereikt, en het besef doordrong dat de toekomst voor mijn ogen verdampt was. Hoe zou de wereld en het leven er over een week uitzien? Ik had geen idee. Geen enkel.

Het was ook op een ochtend dat ik me realiseerde hoe kalm ik geworden was. Zoiets had ik nooit eerder meegemaakt. Ja, een keer. Op een lange vakantie van een week of drie. Dat er zich een geheel lege dag aandiende en ik dat niet erg vond, er zelfs van genoot. Ik weet nog hoe verbaasd ik daar toen over was. Misschien kwam het doordat de toekomst zich verstopt had.

Hetzelfde gold voor de sociale druk. Die ging ook met de lockdown achter slot en grendel. Ik zag nog slechts een paar mensen en nooit meer vreemden. Niemand van wie ik me afvroeg wat die wel niet van me moest denken, niemand op wie ik indruk wilde maken. Mijn god, wat een rust.

Ik vertelde er een beetje over in mn Instastories en kreeg instemmende reacties. Ik was niet de enige. Er waren lotgenoten en het waren er veel meer dan ik dacht. Ze leefden op door de lockdown, doordat de wereld stilstond.

Een goede kennis bekende me dat hij zich tijdens de lockdown herboren voelde. Door de rust leefde hij intenser dan ooit tevoren. Omdat alles wegviel. Zoals je een gerecht beter proeft naarmate er minder ingrediënten in zitten, ook al is Ottolenghi het daar niet mee eens.

Terwijl de tijd verstreek ging ik zijn observatie steeds meer waarderen. Het was alsof ik een ander leven was binnen gestapt, een soort slow motion versie van mijn eerdere bestaan. We hadden het in de oude pre-corona tijd over slow food, over slow journalism, als pareltjes van het bestaan, zonder ons te realiseren dat het gaat om slow living.

Al was het leven helemaal niet slow, het was alleen geen race meer. In zoveel opzichten. Ook letterlijk. Op weg naar Hilversum zette ik de cruise control op 100 km per uur. Niemand haalde me in.

En toen was de lockdown plots weer voorbij. De straten liepen weer vol, het verkeer werd druk, er verschenen weer nerveuze koplampen van jakkeraars in de achteruitkijkspiegel. Ik merkte dat ik er last van had. Niet heel erg maar voldoende om het op te merken, zoals je op een terras last kan hebben van sigarettenrook afkomstig van drie tafels verderop.

Ik probeer het slow living vast te houden maar er begint steeds meer te denderen. Alsof je op een perron staat en een trein zo hard voorbij raast dat je geneigd bent een stap achteruit te doen. Dat je vreest meegezogen te worden. Maar dat je ook weet dat je straks zelf in een trein stapt en gaat razen. Razen, razen naar stippen op de horizon die nooit dichterbij komen.

Vandaag ben ik begonnen met schrijven, morgen ga ik weer lezen, van de week opnieuw hardlopen.

Het is de toekomst die je aan het werk zet.

2

De truc met goede voornemens schijnt te zijn dat je ze beperkt, er niet meer dan twee of drie maakt, waar je je dan ook echt aan houdt. Natuurlijk werkt dat niet bij mij, dus ik besloot het anders te doen. Ik maakte 14 goede voornemens. Dat is al bespottelijk en omdat goede voornemens ook laten zien waar je vindt dat je in tekortschiet, ben ik misschien nog wel meer beschroomd ze te vertellen dan te onthullen hoe ik faalde. Dat laatste kan ik immers nog wel wegrationaliseren, zoals ik nu zal demonstreren.

De eerste op de rij was ‘20 klassieke werken leren’. Daar bedoelde ik mee klassieke muziekstukken zo goed beluisteren dat ik ze kan herkennen en benoemen als ik ze ergens hoor. Geen idee waarom ik dat wilde, misschien omdat de eindeloze steeds anoniemer wordende spotify-brij me begon tegen te staan. Alsof je je hele leven in de lift staat en pleasende muziek onafgebroken in je oren sijpelt. Een verlangen naar muziek die je voelt met je hersens.
Ik maakte een playlist, voegde 9 preludes van Szymanowski toe en daar bleef het bij. De ambitie verdampte nog voordat er maar een druppel was gevallen. Waarschijnlijk omdat ik “er de tijd niet voor had”, die zwaarwichtige, volwassen variant op het kinderachtige “geen zin in”.

De tweede was 50 boeken lezen. Voor 2018 waren dat er 52 geweest en was ik blijven steken op 30. Dit jaar blijf ik steken op 22 maar eigenlijk is het nog erger want ik las veel dunne en ultradunne uitgaven, zoals We Should All Be Feminists van Chimamanda Ngozi Adichie, 64 pagina’s met een bladspiegel die het betoog langer doet lijken dan het is. Wat niet erg is, want voor feminisme heb je maar een paar letters nodig: v/m.

Voor die magere score qua lezen geef ik straks een verklaring, hier faalde ik omdat ik elders ook faalde. De kunst van het mislukken, zou dat geen aardige titel zijn voor mijn autobiografie van pakweg 50 pagina’s? Of die is vast al door iemand anders bedacht, maar dan als grap.

Op 3 staat 50 films zien, daar ben ik ruimschoots in geslaagd, vooral dankzij de Cineville-pas. Ik moet minstens twee films per maand zien anders heb ik die 20 euro abonnementsgeld weggegooid. Dus ga ik vaak al in het eerste weekend naar twee films, soms op dezelfde dag. Dat tikt lekker aan. Inmiddels is naar de bioscoop gaan een nieuwe gewoonte geworden. Ik zag 63 films en besprak ze bijna allemaal op Letterboxd.

Op 4 de kwart marathon rennen. Dat heb ik gedaan maar te langzaam. Zoals ieder jaar. Ik deed er dit jaar ook nog de Dam tot Damloop bij, dat werd helemaal een deceptie, uitgewandeld terwijl de sirenes klonken, de ambulances opraakten, net nadat ik finishte werd de loop stilgelegd. Het was te warm.

Maximaal zes uur schermtijd per dag op m’n iPhone, was de vijfde. Hahahahaha! Natuurlijk lukt dat niet. Hoewel ik zie dat ik de laatste weken op een gemiddelde van 6 uur en 35 minuten zat. Er is misschien toch hoop.

De cursus Frans van Duolingo completeren, stond op 6. Dat had ik al eens gedaan. Wilde het opnieuw doen maar hoewel ik dankzij Duolingo inmiddels redelijk het Franse nieuws kan volgen, vond ik de cursus te beperkt en ben ik overgestapt op LingQ die iets van een tientje per maand kost. Dat zorgt meteen voor het magische sportschooleffect: ik heb een abonnement maar maak er dus amper gebruik van. Ook al is dat bij Cineville gek genoeg juist niet zo. Bedenk nu dat een bioscoop in de sportschool of andersom misschien wel zou werken.

7 lag in het verlengde daarvan: ik wilde Le Petit Prince in het Frans lezen. Die klassieker maakt deel uit van LingQ en ik ben aardig op weg. De vos heeft net uitgelegd dat liefde een kwestie is van getemd willen worden, een van de mooiste lessen die ik ooit leerde.

8 Spaans leren. Nada. Volgend jaar in de herkansing.

9 10.000 stappen per dag. Dat is 8 km. Mijn gemiddelde is nu 6,5 km per dag. Maar ik ben de laatste maanden veel meer gaan lopen nadat ik besloot mijn auto zo min mogelijk te gebruiken.

10 was 5 kilo afvallen tot 87 kilo. Dat is wonderwel gelukt. Ik weeg nu 83, ofwel ben 9 kilo lichter. Methode: minder eten (je verzint het niet). Maar echt. 1 boterham voor ontbijt in plaats van 2. Zo ook bij de lunch. Minder opscheppen bij het avondeten. En nooit snoepen. Nooit.

11 Een essay schrijven van 100 pagina’s. Daar ben ik mee begonnen en inmiddels ver voorbij de 100 pagina’s geraakt. Het is geen essay meer maar een verzameling essays met als werktitel ‘Over de wereld en alles’. Door omstandigheden - werk - moest ik in november het schrijven pauzeren. Hoop het in 2020 direct weer op te pakken. En dat het me uiteindelijk zal lukken er iets van te maken. Al twijfel ik daar over. Anderen schrijven omdat ze veel weten, ik om te ontdekken hoe weinig ik weet.

12 Een novelle schrijven. Tja, eerst maar eens dat andere werk (11) af. Deze kan er nog wel een paar jaar op blijven staan. Ik schreef lang geleden ooit twee boeken tegelijk, een roman en een essaybundel, dat was zo verwoestend dat het bijna twintig jaar duurde eer ik opnieuw durfde beginnen. Ook nu sloopt het schrijven me weer. Ik ga daar verder niet over klagen want ik doe het mezelf aan maar soms denk dat ik beter alcoholist of zoiets had kunnen worden om mn behoeften te bevredigen.

13 Mezelf op kunnen trekken. Psychisch lukt dat net maar fysiek nog steeds niet. Komend jaar in de herkansing en hard nodig. Anders moet ik toch echt weer naar de sportschool.

14 Dagboek bijhouden. Mee begonnen, niet volgehouden. Het is heel stom: Ik kan niet schrijven zonder publiek. Dus dank dat je dit leest.

Kortom, drie van de 14 echt gehaald maar toch meer bereikt dan als ik het lijstje tot 3 doelen had beperkt.

Voor volgend jaar maak ik 52 goede voornemens.

2

Een van de meest fascinerende vragen die ik ooit van mijn leven kreeg voorgelegd luidde niet ‘waartoe zijn wij hier op aard’, ‘ben je werkelijk gelukkig’, ‘is de mens van nature goed of slecht’, ‘bestaat ware liefde’ of ‘zacht of hard gekookt’ maar ‘ken jij ook maar één Nederlandse badplaats die je mooi zou noemen?’

De vraag werd me gesteld op een buurtbarbecue door een buurman die ik verder niet ken toen ik, om het kabbelende gesprek een beetje gaande te houden, had opgemerkt dat Hoek van Holland helaas zo spuuglelijk is. In plaats van ruiterlijk in te stemmen met mijn observatie zodat we, als onderdeel van een male bonding ritueel, gezamenlijk even zouden dooremmeren over de afschuwelijkheid van Hoek van Holland, kwam hij dus met zijn vraag.

Seconden, minuten, het leek urenlang, bleef ik stil. Nee, eigenlijk jarenlang want het voorval vond zeker vier jaar geleden plaats en ik heb nog steeds het antwoord niet gevonden. Een Nederlandse badplaats die mooi is.

De namen raasden natuurlijk voorbij maar het werd me alleen maar duidelijker hoe troosteloos het allemaal is. Scheveningen, de badplaats die na de oorlog alsnog totaal verwoest is, Noordwijk waar een hotel is neergezet dat oogt als een verticale Atlantikwall, Zandvoort waar ze het concept bermtoerisme op de kust hebben losgelaten, Renesse, tja Renesse. En zo ging het voort. Van Cadzand tot Den Helder, een soort mentale strandzesdaagse, ploeterend langs de kust. Alleen maar lelijkheid en mislukking, afgewisseld met vlekken saaiheid.

Nee, dan Knokke.

Ik dacht na een tijd dat het aan Nederland lag. Dat het land nog steeds zucht onder de calvinistische cultuur en zich eigenlijk geen raad weet met vermaak en ontspanning. Hoe anders zou het zijn geweest als Limburg aan de kust had gelegen. Dan had Nederland zijn eigen Sainte-Maxime gekend met een stijlvolle boulevard om te flaneren, fijne restaurants en een aanlokkelijke zee die verleidt tot romances en andere avonturen.

Ik moest aan de kwellende vraag terugdenken omdat ik Cornwall bezocht, een stuk Engeland dat alleen maar uit kust bestaat. Iedere badplaats of poging daartoe oogt er als een soort kruising tussen een kermis en een meubelboulevard. Dat de mensen die er met lege blikken ronddolen de indruk wekken dat ze ieder moment kunnen veranderen in zombie’s of buitenaardse hagedissen helpt ook niet. Alsof ik op het vrijgezellenfeestje van de Dood was beland. Dat laatste gevoel bekroop me omdat de dood er nogal pontificaal aanwezig is, overal monumenten met lange namenlijsten van wie er zijn omgekomen in oorlogen of scheepsrampen. Gezellig.

Al slenterend drong zich dit besef op: het woord badplaats roept prettige associaties op met ontspanning, grandeur, eindeloze zomers maar in werkelijkheid is daar slechts zelden sprake van. De legendarische badplaatsen die ervoor zorgen dat die verwachtingen zich aandienen zijn eigenlijk de grote uitzonderingen. Het woord badplaats is daarmee een soort psychisch fata morgana.

Terwijl ik dwaalde door zo’n teleurstelling, temidden van de teleurgestelden, peinsde ik over de vraag of dat alleen voor badplaatsen geldt. Is alle verwachting in het leven niet gebaseerd op concepten die aan uitzonderingen zijn opgehangen, zoals de grote liefde, het ultieme geluk, het perfect zachtgekookte ei.

Zo bleek die ene opmerking van een buurman jaren geleden, zonder dat ik het had kunnen voorzien, alsnog te leiden tot een existentiële levensvraag die me in urenlange vertwijfeling bracht over de zin van alles wat ik ooit deed omdat beleving kennelijk opgehangen wordt aan wat zeldzaam is. Het zijn de noten in de ruis die de muziek vormen.

Was Hoek van Holland maar Limburgs geweest.

Jíj bent principieel, zei de goede vriendin die zo bijzonder en mooi gekleed was dat iedereen die ons passeerde die beroemde memefoto met dat omkijkende stel nadeed toen we door de stad flaneerden en spraken over het leven en de anderen. Ik voelde een steek in m’n zij, alsof iemand een klap op mijn nieren gaf. Want principieel zijn, dat wil natuurlijk niemand. Voor je het weet, zien ze je als salafist. Bovendien ken ik niemand die principieel is die ik ‘leuk’ zou willen noemen en ik wil zo verdomd graag leuk zijn.

Ik vroeg me snel af of ik überhaupt iemand kende die ik principieel zou noemen. Iedereen die in me opkwam, viel af. De schrik sloeg me om het hart. Misschien was ik daar dan inderdaad te principieel in. Gelukkig kon ze mijn gedachten niet lezen want we liepen naast elkaar en daarvoor schijn je iemand in de ogen te moeten kijken.

Waar ben ik dan principieel in, probeerde ik. Concreet worden is altijd het beste wapen tegen vage verwijten heb ik ooit geleerd en ik pas het nog steeds toe, al zou ik door vele ervaring inmiddels beter moeten weten. Ze noemde het voorbeeld van een beroemd iemand die ik had tegengesproken op een feestje waar we samen waren. “Iedereen staat daar kwijlend omheen te luisteren als die praat en jij gaat gewoon dwars tegen die persoon in.”

“Maar die verkondigde ook onzin!”

“Zie je wel?” Ze grinnikte tevreden.

“En je bent vegetariër”

“Dat is allang niet meer principieel, dat is nu juist inconsequent, vraag maar aan iedere veganist..”

Ik wilde vertellen dat ik vind dat je sowieso alleen maar principieel mag zijn als je ook inconsequent bent omdat je anders onuitstaanbaar wordt maar ook die gedachte rende zichzelf achterna als een jonge hond zijn staart. Qua principialiteit. Oef, dat woord klonk wel erg Duits. Dat was het, principes zijn ook zo Duits. Ik wil liever Frans zijn.

“Je gebruikt geen Über, geen Airbnb omdat je het slechte bedrijven vindt. Je hebt een hele waslijst van dingen die je niet doet. Uit principe!” Ik zweeg. Ze lachte triomfantelijk.

Ik wist even niet wat te zeggen. Ander onderwerp dan maar. “Ik moet nog even naar de H&M.”

Ze reageerde licht geïrriteerd. “Daar kom ik niet, dat weet je to...”

Ik lachte. Harder. En langer.

2

Ik kan er ook niks aan doen maar de nieuwe elektrokarretjes die vorige week in de stad verschenen heten LEV. De naam is net zo klein en lelijk als de wagentjes zelf. En raar ook want LEV staat namelijk officieel voor low emission vehicle maar de LEV is een ZEV, een zero emission vehicle, want elektrisch. Het is alsof je een strenge veganist flexitariër noemt. Nou ja, je snapt nu wel waar dit verhaal heengaat, per LEV.

Ze ogen als cartoonkarakters die de eindmontage van Cars 4 niet hebben gehaald wegens te schadelijk voor de tere kinderziel. Een soort rijdende kliko’s. Zwart, bonkig en ook anderszins onaantrekkelijk. Behalve dan dat je ze met een app kunt huren en er dan mee door de stad kunt crossen. Dus dat ging ik proberen.

Dat gaat niet zomaar. Gelukkig had ik me al eerder voorbereid op de dag die ik wist dat zou komen. App installeren, rijbewijs uploaden, creditcardgegevens inleveren en nadat ze dat allemaal gecontrolnacheckt hadden en ik leerde dat “you should receive a validation email within a few minutes” betekent “de volgende dag”, was ik er klaar voor. Dat wil zeggen als ik er een kon vinden want er zijn er nog maar 30 van die LEVs. Dat worden er volgende maand 120. Alsof de straten nog niet voldoende vervuild zijn.

Ik zag er zondag twee geparkeerd staan op de Witte de Withstraat, naast elkaar in een parkeervak, dus ik aarzelde geen moment, haalde met een vloeiende beweging mijn phone uit mn broekzak, klikte de app open en drukte op reserveer. De app zei me dat ze de auto wakker gingen maken en dat ik daarna op ontgrendel kon drukken. Hoewel ik een negatieve grondhouding heb tegenover alles wat nieuw is - of oud - nam me dit wel weer voor de lelijke LEV in. Een karretje dat een siësta houdt, dat heeft iets moois.

Zonder me verder ooit verdiept te hebben in hoe het werkt of wat je er mee mag, opende ik de deur van het zojuist ontwaakte autootje. Ik gokte dat je er niet mee op het fietspad mag rijden. En ook niet op de snelweg. Wat kon er verder dan nog misgaan?

Ik kroop in de auto die qua instapcomfort voelt als een maancapsule dus had voor wat betreft futuristische ervaring meteen al mijn Neil Armstrong-momentje binnen. Maar werd het een small step of een giant leap?

De auto begon tegen me te praten. In het Engels. Wacht, wacht wat zei ze? Helaas, gemist. Iets met starten. Ah, daar hing een sticker: start de auto door m van de handrem te halen. Dat bleek een stang die je dwars onder het dashboard moet duwen. Dat is alles. Daarna stuif je direct naar voren als je het gaspedaal indrukt, ontdekte ik in de drukke uitgaansstraat. Dat ging gelukkig goed.

Dat gaspedaal zit op een beetje vreemde plek. Ergens in het midden. Alsof de passagier ook vrolijk mee kan gassen. En je moet je voet er echt boven houden, anders dan in een auto waar je voet op je hak rust. Een soort yoga-oefening, probeerde ik er een positieve draai aan te geven. Ernaast zit een rempedaal en dat is geen overbodige luxe.  Al merkte ik dat het wagentje minder snel remt dan ik verwachtte. Misschien is dat praktisch want ook al heb je een gordel om, je zit dicht op de voorruit en ik vermoed dat er geen airbag in het dashboard zit.

Rijden dus. De LEV heeft geen schokbrekers, qua comfort voelt dat alsof je op de bagagedrager zit van een fiets met een lekke band. Bonkebonkebonk. Een schokkende ervaring. Maar het meest trof me dit, het is alsof je in een zweefvliegtuig zit. Dat wil zeggen dat je de moord stikt omdat de zon keihard de cockpit binnenschijnt door al dat glas. Nu kan - anders dan bij een zweefvliegtuig - bij de Lev het dakraam open. Maar dat moet je dan weer niet doen tijdens het rijden. Het was gedoe, het sturen vereist echt twee handen en de weg twee ogen, ontdekte ik al doende toen ik ternauwernood langs een paar voetgangers scheerde die een zebra overstaken. De zwaaiende vuist van de man zal ik nooit vergeten. Als u dit leest, sorry ik was aan het innoveren.

Bij het nemen van een bocht moest ik ineens denken aan al die Picnic bezorgwagentjes die in het begin omkieperden. Ik heb geen elandtest gedaan met de LEV. Niet alleen omdat er geen velden of wegen een eland te bekennen viel, het was zondagmiddag, maar gewoon omdat ik het niet durfde.

Ik ben best wat gewend qua autorijden, ben een keer met een tankwagen dwars door het centrum van Parijs gereden om maar een van de minst onveilige voorbeelden te noemen, maar in die LEV voelde ik me toch niet lekker. Alsof  het karretje niet op de weg thuis hoort. Alsof je je met een kleuterskelter in de F1 race op Zandvoort begeeft. Maar dat is misschien wennen. Nu was het uitkijken dat ik niemand schepte en tegelijkertijd ook dat ik zelf niet verpletterd werd door het gewone verkeer.

Ik voelde iedere hobbel, iedere kuil en de wielen leken net zoveel grip op de weg te hebben als een winkelwagentje op een ijsbaan. Eerst had ik nog gedacht dat de wagentjes vooral handig zouden zijn als het regende en de e-scooter, mijn favoriete vervoermiddel, niet aantrekkelijk is maar dat moest ik herzien. Ik zie mezelf niet in de natte duisternis in een LEV door de stad scheuren. Dat is meer iets voor Batman en zijn gepantserde kleding.

Ter hoogte van het Westerpaviljoen had ik het wel gezien en wilde de LEV parkeren. Ho, waar zit de achteruit? Nergens te vinden. Zoeken in de FAQ, ook niks. Dan maar gewoon vooruit geparkeerd. Hopelijk wist de volgende bestuurder wel hoe je er achteruit mee rijdt anders kreeg die m niet uit het parkeervak. Ook sorry.

Ik stapte uit en sloot de auto af met de app. Het voelde eerlijk gezegd een beetje als een bevrijding. Meteen rolde de afrekening in mn inbox. 3 euro 70. Voor een afstand van 700 meter. Dat is inderdaad lef.

Van Jole wees niet zo negatief! Ok, dit realiseerde ik me ook tijdens de ultrakorte testrit: de gewone auto heeft in de stad zijn langste tijd gehad. Ze eisen te veel ruimte op, gedragen zich te asociaal. Hoe meer alternatieve vervoermiddelen er komen, hoe sneller en hoe verder de auto teruggedrongen wordt. Kleine mini-autootjes kunnen daar zeker bij helpen. In die zin is de LEV een welkom alternatief. Maar 45 jaar na de Witkar had ik wel wat meer toekomst verwacht.

Op Down The Rabbit Hole bezocht ik de Speakers Corner, een soort open ronde tent waar mensen op de grond in een kring gaan zitten alsof er een kampvuur knappert. Dat vuur was er niet. Het was wel heet, 32 graden minstens, want midden op de dag met een zon die oefende in laseroorlogvoering. Twee vrouwen, Eva Crutzen en Yvonne van den Eerenbeemt, presenteerden er verhalenvertellers. Mensen uit het publiek worden uitgenodigd naar voren te komen en een eigen verhaal te vertellen, mooi, spannend of gewoon bijzonder.

Een meisje vertelt hoe ze in haar eentje op het festival is beland, voor het eerst in haar leven en nu een maatje heeft gevonden, een man die geen nee kan zeggen verhaalt over hoe hij een vage dakloze bekende in huis haalde die xtc-handelaar of serie-moordenaar leek, een andere man praat over hoe hij zijn grote liefde ontmoette omdat hij pech kreeg met een auto. Verhalen die meanderen, met bizarre wendingen, komische voorvallen en vaak eindigen met een bevrijdende lach. Er wordt geboeid geluisterd, geglimlacht, sommige ogen glinsteren. Dit is het leven zoals het moet zijn.

Na ieder verhaal doet Eva een oproep, heb je een verhaal, kom naar voren. Vingers gaan aarzelend in de lucht. Ik zou sowieso m’n vinger niet durven opsteken maar begin me wel af te vragen welk verhaal ik zou vertellen.

Ik zoek mijn geheugen af. Het is alsof mijn hersenpan een verwaarloosde zolder is geworden waar ik rondstruin, speurend naar geschikte herinneringen. Een leuk verhaal, dat moet ik toch wel ergens hebben liggen. Maar ik vind niet meer dan stof, spinnenrag en dozen met oude administratie. Langzaam zwelt er een gevoel van paniek aan.

Ik probeer grappige voorvallen voor de geest te halen maar zie mezelf alleen maar in de file staan. En als ik dat niet doe dan is het ellende. Nee, niet die keer dat ik beroofd werd, te heftig. Niet de tak die mn schedel binnendrong en mn hersens op een haar na miste. Niet dat ik met een dolverliefd hoofd de stad volplakte met amoureuze affiches, gearresteerd werd en zij een ander tegenkwam. Allemaal ellende of teveel kijk mij nou. Of allebei. Wat zouden ze wel niet moeten denken. Niet leuk bovendien. Nergens een lach te bekennen. Kon ik die verhalen niet opleuken? Nee, niets.

De tent voelde als een loeiende magnetron met mijn geheugen als diepvriesmaaltijd die verminkt wordt. Zwartgeblakerd maar van binnen toch nog een ijsklomp.

Ik bleef luisteren maar werd steeds meer bekropen door een gevoel dat ik niets meemaak, dat terwijl het leven van anderen bruist dat van mij slechts verdampt. Ik zag mezelf liggen op mijn sterfbed, terugblikkend op een groot zwart gat. Misschien zou ik kunnen vertellen dat ik iemand ben die niet weet hoe te leven. Dat ik feestjes na uren verlaat zonder met iemand gesproken te hebben. Dat ik namen en gezichten vergeet alsof het barcodes zijn. Dat ik niks wil doen wat iedereen doet en daarom niks doe.

Maar wie interesseert dat wat? Je gaat toch ook niet luisteren naar iemand die vertelt dat hij aan de voet van de Mount Everest is blijven steken omdat hij toch geen zin bleek te hebben. Ik denk aan de boeken over het leven dat ik leid. Walging van Sartre. Een Zwakke van Coenen. Wie leest die nog? Misschien is er een tijd geweest dat geen leven hebben juist het leven was. De heremiet in de grot. Maar dat was dan voor mijn tijd. Zie je wel.

Er klinkt applaus. M’n maag draait zich om. Straks weer iemand met een geweldig verhaal. En ik? Ik kan alleen maar vertellen dat ik het gehoord heb. Mijn ervaringen zijn die uit het leven van anderen. Het is een soort couchsurfen met andermans herinneringen. Ik moet zelf gaan leven. Iets doen, meemaken. Iets.

De bezoekers staan op en gaan uiteen in groepjes. Ik kom moeilijk overeind, mijn benen slapen. Ik leid geen leven, ik onderga het. Ik grijp naar m’n phone, die digitale drug tegen sociaal ongemak. Ik scroll door de timeline en like er op los. Langzaam keert de kalmte terug. Dit is mijn leven, dat van anderen liken.