Spring naar inhoud

2

Toen vorige maand bekend werd dat eind 2015 op het plein voor het Centraal Station twee wereldbollen geplaatst zullen worden, brak geheel volgens Rotterdamse traditie de pleuris uit. Al snel werd de Facebook-pagina 'Pleurt op met je ballen' opgezet, die inmiddels bijna 5000 likes heeft. Lachen natuurlijk, zoals het hoort. En zoals het ook hoort: niet gehinderd door enige deskundigheid. De standaard Rotterdamse reactie op nieuwe zaken luidt: het is niks en het wordt niks. Opmerkelijk want Rotterdam is tegelijkertijd de stad waar veel nieuwe dingen vandaan komen.

Heel vreemd is de skepsis ook weer niet want de schets die rond werd gestuurd zag er nogal plastisch uit. En ja, het lege plein is mooi. Maar leegte is niet iets waar Rotterdam gebrek aan heeft.

Ik denk dat de bollen geweldig gaan worden. En ik denk ook dat ze binnen de kortste keren geliefd gaan worden. De reden daarvoor is simpel: ik heb nog nooit een slecht kunstwerk van Olafur Eliasson gezien. Zijn werk Notion Motion in Boijmans is een van de mooiste werken die ik ken. Het klinkt misschien gek maar als je daar naar keek had je het idee dat je iets heiligs aanschouwde. En dat alle andere toeschouwers dat tegelijkertijd ook beseften. Misschien was het wel het oergevoel dat de prehistorische mens bij Stonehenge voelde. Zoals wel vaker bij kunst valt het niet goed uit te leggen. De beste kunst vertolkt gevoelens die amper onder woorden zijn te brengen.

Dit weekend zag ik in Fondation Louis Vuitton in Parijs  zijn 'Inside the Sun'. Ook weer geel,  een kleur die de bollen ook zullen krijgen. Met ogenschijnlijk zeer simpele middelen weet hij magie op te roepen. Anders kan ik het niet omschrijven. Dat het geel de huiskleur is van Louis Vuitton's concurrent Mandarina Duck is vast toeval maar paste geheel bij het kunstwerk dat alles groter maakt en je uitnodigt te spelen met je reflectie. Dat doen de wereldbollen ook in zekere zin, ze raken elkaar precies op de plek van Rotterdam, de stad van kosmopolieten die soms te gretig doen alsof ze uit de provincie komen.

Olafur Eliasson

 

Op het grauwe grinddak waar ik op uit kijk loopt elke dag een kauw te scharrelen. Ik begrijp dat niet goed. Plantjes groeien er niet en veel leven lijkt er niet aanwezig. Af en toe pikt hij naar iets maar tot een copieuze kauwenmaaltijd komt het nooit. Kauwen hebben de reputatie heel slimme beesten te zijn, dus waarom keert hij steeds terug naar een plek waar geen eten te vinden is, denk ik terwijl ik uit het raam naar hem tuur en nog een hap van mijn boterham neem.

cc-foto: Pieter van MarionVerderop is er het gras en de bomen. Maar daar wonen andere kauwen. Hij wordt er vast verjaagd. Terwijl ik naar de vogel kijk begint me langzaam op te vallen dat z'n verenkleed niet echt tiptop in orde is, een beetje sjofel zelfs. Als je er zo uitziet dan slaag je er natuurlijk ook niet in een nieuw territorium te veroveren. Misschien kijk ik wel naar een arme kauw, die gedwongen is zijn leven te slijten in een armoedig gebied.

Een have-not kauw. Dat klinkt misschien een beetje raar maar ik weet dat ze bestaan. De koningin van een kauwenkolonie bijvoorbeeld raakt veelal aan de bedelstaf als de koning overlijdt. Vanwege haar positie is ze nooit in staat om een nieuwe partner te vinden en zonder partner lukt het niet om te overleven. Ik neem nog een hap en vraag me al kauwend af of ik naar een aan lager wal geraakte koningin zit te kijken. Zoiets als een verloren telg uit de tsarenfamilie die je aantreft in een armzalige Parijse kroeg.

Aan de andere kant: misschien is het wel gewoon een domme kauw die niet doorheeft in een schamel gebied te leven. Natuurlijk, kauwen worden als slim gezien maar dat is het gemiddelde. Er zullen vast hele slimme kauwen zijn maar dan ook heel domme. Ik moet denken aan de kraai die een stukje ijzerdraad weet om te buigen om zo wat voedsel op te vissen. Wij denken dat het iets zegt over alle kraaien maar misschien was het wel een gevleugelde Einstein. Hoe zou dat eigenlijk zitten bij dierproeven? Houden ze dan wel rekening met domme en slimme exemplaren. Of gaan ze gewoon uit van het gemiddelde. Zou dat erg zijn?

De kauw hipt verder. De koffie is koud geworden. Ik besef dat alles wat ik bedenk over de kwestie zinloos is omdat ik niet over voldoende kennis van kauwen beschik. Waarschijnlijk doet hij helemaal niet wat ik denk te zien. Misschien zoekt hij niet naar voedsel maar naar ijzerdraadjes en is zijn nest een huis vol kauwengadgets. Als je niks weet, is alles mogelijk.

Ik loop terug naar m'n bureau. Als je uit het raam staart heb je Twitter of Facebook helemaal niet nodig om je gedachten te verzetten.

 

cc-foto: Pieter van Marion

Ik ging zondagavond dineren in Maastricht. Helemaal in Maastricht. Aanvankelijk wilde ik de wereldreis ondernemen met de trein, zodat ik 'De Horizon' kon lezen, een van de twee in vertaling beschikbare e-books van Nobelprijswinnaar Patrick Modiano. Maar de ov-duivel was weer actief. Werkzaamheden aan het spoor compleet met vervangend busvervoer, waarschuwde de NS Reisplanner. Ik ben niet gelovig maar de duivel respecteer ik altijd wel. Vervangend busvervoer en dergelijke fratsen vormen voor mij een standaardrecept voor meer ellende. Dus stapte ik toch maar in mijn eigen diesel, met op de iPhone het populairste audioboek aller tijden uit de iTunes store: 'Dr. Oliver Sacks on Music and the Mind'. Voor slechts 99 cent. Zodat ik tijdens de uren durende reis toch nog iets kon opsteken.

Dr. Oliver Sack on Music and the Mind
Dr. Oliver Sack on Music and the Mind

Al snel kwam ik er achter waarom het audioboek een vrij lage rating (drie sterren) heeft. Het is namelijk geen audioboek maar een live-opname van een optreden van Sacks in 2007. Of nou ja optreden, de neuroloog wordt voor een zaal met publiek geïnterviewd door radio- en tv-journalist Robert Krulwich. Die journalist heeft vele prijzen gewonnen maar naar ik aanneem geen een voor dit interview. Het vraaggesprek bestond voornamelijk uit gehengel naar anekdotes, een methode waar ik persoonlijk nogal allergisch voor ben. Niet omdat anekdotes vervelend zijn, want ze zijn juist leuk, maar omdat ze alleen maar echt interessant worden in een context van kennisoverdracht. Anders zijn het alleen maar leuke verhaaltjes, de mopjes van de wetenschap. Aan de andere kant is het hoofd van Sacks een grabbelton die zo rijk gevuld is met kennis dat iedereen er gegarandeerd prijs heeft. Dus was het verhaal toch het beluisteren waard.

'Lamentations of Jeremiah the Prophet' van Jan Dismas Zelenka

Zo vertelde Sacks op verzoek de anekdote dat hij ooit na een persoonlijk verlies merkte dat zijn gevoelens van rouw afwezig bleven. Totdat hij bij toeval muziek hoorde die hem plots en geheel onverwacht in tranen deed uitbarsten. Kennelijk was muziek in staat om het verborgen verdriet te doen losbreken. Dat had hem verrast en zette hem mede op het spoor van zijn baanbrekende onderzoek naar de invloed van muziek op het brein. Het muziekstuk in kwestie was 'Lamentations of Jeremiah the Prophet' van Jan Dismas Zelenka, een volgens Sacks 'obscure tijdgenoot van Bach'.

Voor ik aan de terugweg begon, zocht ik het album in Spotify op. Het was best mooie muziek maar ontroeren deed het me niet. Misschien omdat ik me teveel afvroeg of het op Bach leek, op de Matthäus Passion met name, muziek die me tot mijn eigen verrassing wel een aantal malen tot tranen toe heeft gebracht.  Thuis gekomen leerde Wikipedia me dat Bach het werk van Zelenka waardeerde en liet kopiëren. Zonder dat het Zelenka veel roem bracht. Tragisch genoeg voor Zelenka raakte hij zijn baan als kerkcomponist in Dresden ook nog kwijt aan diezelfde Bach.
De Tsjechische componist was gedurende zijn leven niet erg populair, zijn laatste werken heeft hij zelfs nooit uitgevoerd horen worden. In het standaardwerk XYZ der Muziek dat in mijn kast staat (editie 1956) komt hij niet eens voor. Pas later, in de jaren zestig, werd hij herontdekt en gewaardeerd. Dat laatste ontroerde me wel, het idee dat gerechtigheid soms net zo diep verborgen zit als rouw maar uiteindelijk toch overwint.

Zo was ik dankzij een anekdote toch wijzer geworden. Bovendien ontdekte ik dat Maastricht veel minder ver is dan gedacht. Ik neem me voor er vaker heen te gaan want het is een prettige stad. Straks ga ik weer naar de muziek luisteren. Met voor de zekerheid een pakje zakdoekjes onder handbereik.

1

Voorvallen die los van elkaar gebeuren en toch een opvallende overeenkomst vertonen. Je denkt aan oom Piet die je twaalf jaar niet gesproken hebt en even later gaat je telefoon. Het is oom Piet. Ik ben er dol op. Deze week repostte ik er nog een verhaal uit 2012 over. Het lijkt me om de een of andere reden vooral op vakantie te overkomen.

Terwijl zij slapenOp het Griekse eiland Paxos begon ik te lezen in de verhalenbundel 'Terwijl zij slapen' van de Spaanse schrijver Javier Marías. Ik had nog nooit van hem gehoord maar volgens kenners gaat hij de Nobelprijs winnen. Dat geloof ik gelijk. Wat een prachtige verhalen, doorspekt met scherpe en confronterende observaties over het leven.

Ergens in een van de verhalen stelt hij dat we als mensen de illusie koesteren dat we een eigen smaak en mening hebben maar dat we die altijd onbewust van anderen hebben overgenomen, die ze op hun beurt meestal ook weer van anderen hebben. Ik liet de gedachte bezinken. Een van mijn meest uitgesproken voorkeuren, die ik al sinds mijn tienertijd koester, betreft mijn voorliefde voor de muziek van Leonard Cohen. Die heb ik inderdaad niet van mezelf, moest ik nu toegeven. Mijn broer kwam halverwege de jaren '70 na een lang verblijf in Spanje thuis met een of twee platen van hem. En draaide die grijs. Hij had de muziek leren kennen in een club van internationale vrienden waar hij in Malaga tussen had gewoond.

Ik maakte me een voorstelling hoe voorkeuren zich over de wereld verspreiden als virussen. Dat ik gegrepen werd door Cohen had ik altijd als iets bijzonders ervaren omdat hij niet bepaald vreselijk populair was. De meeste mensen vonden het 'depri-muziek'. Door de woorden van Marías realiseerde ik me ineens dat een voorkeur daarentegen misschien wel zoiets is als griep, je loopt het op of niet zonder dat je er zelf veel aan kunt doen. Van luidspreker tot luidspreker, van oor tot oor, was de voorkeur voor Cohen na een lange reis over de wereld op me af gekomen.

Wie is die Javier Marias eigenlijk, vroeg ik me af, na die gedachte. Ik bladerde door de drie (!) voorwoorden en stuitte vrijwel direct op deze frase waarin hij over een van zijn verhalen zegt: "geïnspireerd op de liedjes van Leonard Cohen, waar ik de godganse dag naar luisterde (baanbrekend voor Spanje, aangezien het inderdaad 1968 was)."
De cirkel was weer rond.

Maar het ging nog verder. Ik begon op 14 augustus in het boek van Marías te lezen. Enkele van zijn vaak spannende verhalen gaan over de dubbelgangers die mensen - volgens sommigen iedereen - hebben. Ik dacht aan de mijne. Ik weet van zijn bestaan omdat een goede vriendin hem lang geleden eens zag zitten op een terras in Portugal. Ze was verbijsterd. In alles leek hij op mij. Zelfde soort kapsel, kleding, bril en maniertjes. Nieuwsgierig geworden had ze hem aangesproken om al snel te ontdekken dat hij als persoon verder op geen enkele manier op me leek. Hij was Zwitser, woonde in Zurich. Later sprak een kennis me er op aan dat ook hij me die zomer in Portugal gezien had, bij een bushalte aan de overkant van de straat. Hij had gezwaaid zonder dat ik reageerde en was daar enigszins gebelgd over. "Waarom deed je alsof je me niet kende?" Ik legde het uit.

Eenmaal terug in Nederland startte ik de Twitter app, die ik tijdens mijn vakantie bewust niet aangeraakt had. Ik zag een tweet van een kennis die ze een week eerder had verstuurd: "Zag ik je nou net zitten in het stadion in Zurich bij het EK Atletiek?" Het bericht dateerde van 14 augustus.

Repost van een stuk dat ik op 30 juli 2012 op Facebook plaatste

ScarabeeDit is Fouad, een Gouden Tor, ofwel Cetonia Aurata. Ik leerde Fouad vanmiddag kennen op zo'n onwaarschijnlijke manier dat ik het amper durf op te schrijven. Uit vrees dat je denkt dat ik het verzonnen heb.

In het vakantiehuisje waar ik verblijf lag ik vandaag de hele dag te mijmeren. Deels bestaat dat mijmeren uit het verjagen van spoken uit het verleden, deels uit het vergaren van nieuwe inzichten. Ik mijmer over alles en dan ook werkelijk over alles, van de aantrekkingskracht van '50 tinten grijs' tot de manier waarop Julius Caesar afrekende met de elite, van de Negende van Beethoven - die als exemplarisch werd gezien voor de verloedering van de maatschappij - tot de aantrekkingskracht van de Fiat 500 (ik beken, ik wil er een).

Op een gegeven moment dacht ik, liggend op de bank, aan wat ik eerder dit jaar op Facebook of Twitter schreef, dat het me zo vaak overkomt dat ik aan iets denk en het me dan overkomt, of dat ik aan iemand denk en die me dan belt. Dat soort dingen. Iemand adviseerde me toen het werk van Jung te lezen. Ik kende zijn naam omdat mijn overleden broer en beste vriend er een fan van was. Maar hij stond met een hang naar het mystieke heel anders in het leven dan ik. Dus volgde ik het advies niet op. Nu, in een kennishongerige bui, overwoog ik het alsnog te gaan lezen.

Terwijl ik dat zo overdacht klonk er het zachte gebonk van een insect tegen de ruiten. Hoewel ik normaal gesproken meteen in actie kom en zo'n dier bevrijd omdat ik van kinds af aan een fascinatie heb voor insecten, bleef ik nu liggen. Ik negeerde de martelgang, tot die ophield.

Ik stond op en zag hem liggen, Fouad, misschien wel de mooiste kever die we kennen. Met schilden als juwelen zo mooi, die steeds van kleur verschieten. Fouad was uitgeput. Hij lag op zijn rug op de stenen vloer. Af en toe graaiden zijn pootjes in de lucht, als een drenkeling die midden op de oceaan zwaait naar een schip in de verte. Fouad had alle energie die in hem zat verbruikt.
Ik pakte hem voorzichtig op, draaide hem om en gaf hem - bij gebrek aan honing - met een theelepel een klein beetje jam om op krachten te komen.

Toen liep ik terug en googelde ik Fouad. Groene glimmende kever -> afbeeldingen. Daar was hij. Een Cetonia Aurata zag ik. Ik googelde dat.

En daar dook het volgende op, echt waar, in de engelstalige versie van de Wikipedia:
In zijn boek Synchroniciteit (1952) vertelt de Zwitserse psycholoog C.G. Jung dit verhaal, over een Cetonia Aurata, als voorbeeld van een synchronische gebeurtenis: "Een jonge vrouw die ik onder behandeling had, had op een beslissend moment een droom waarin haar een gouden scarabee werd aangeboden. Terwijl ze de droom vertelde, zat ik met mijn rug naar het gesloten venster. Plotseling hoorde ik een geluid achter me, als zacht geklop. Ik draaide me om en zag dat een vliegend insect tegen het raam beukte. Ik opende het venster en ving het wezen terwijl het naar binnen vloog. Het was het meest op een gouden scarabee gelijkende insect dat in onze contreien voorkomt, een gouden tor (Cetonia aurata), die in tegenstelling tot z'n gewoontes nu duidelijk de behoefte had gevoeld om juist op dit moment een donkere kamer binnen te vliegen. Ik moet bekennen dat ik zoiets nooit meer heb meegemaakt."

Ik liep terug naar Fouad. Hij was verdwenen.

Europa Cup I (1970)De zomer van 1970, in een kiosk op de Coolsingel stond hij opgesteld: de Europa Cup I die door Feyenoord was gewonnen in een bloedstollende finale tegen het Schotse Celtic. De legendarische voetballer Ove Kindvall (spreek uit als Sjindfal, leerde commentator Herman Kuiphof ons) had in de verlenging, in de 117e minuut, de beslissende goal gemaakt: 2-1.
De Coolsingel was bij de huldiging van het elftal volgestroomd alsof het land opnieuw was bevrijd. En dat was ook wel een beetje zo want voor het eerst in de geschiedenis won een Nederlandse ploeg de felbegeerde beker.

In de weken daarna kon je jezelf ermee laten fotograferen, in een speciaal gebouwtje ter hoogte van het Beursplein. Ik was die dag met mijn moeder naar het ziekenhuis geweest. Een paar dagen eerder, bij het spelen in een bos, had een jongen me tegen een boom geduwd en een stuk tak was in mijn hoofd geboord, vlak naast mijn slaap. De dienstdoende dokter hechtte de wond maar zag over het hoofd dat er nog een stuk hout in mijn hoofd zat. Het was op een zaterdagmiddag en ik rook de geur van drank toen hij de hechtingsdraad door mijn huid trok. In de dagen daarop werd het een nogal smerige kliederboel.

Op deze foto is het stukje er net in het Zuiderziekenhuis uitgehaald. De chirurg wilde me het houtje per se laten zien. Ik schrok van de omvang. „Je hebt heel veel geluk gehad,” zei hij. „Twee millimeter opzij en je was er niet meer geweest.”

Ik sta er op de foto nog een beetje beduusd bij. Deels vanwege de ontzagwekkende cup, deels vanwege de naweeën van de ingreep. Voorzichtig lachend, de wond deed nog pijn. Aan mijn voeten sandalen en nogal merkwaardige sokken. Een colbertje aan want als je naar het ziekenhuis ging moest je er natuurlijk netjes uit zien. Uit mijn binnenzak steekt een krantje geheel gewijd aan de overwinning, met mijn arm houd ik op commando van de fotograaf mijn jasje tegen om te voorkomen dat het openvalt. De vingers van mijn andere hand voorzichtig om het oor van de cup geklemd.

Later hoorde ik dat het niet de echte Europa Cup was die ik daar vasthield maar een kopie. Teleurstelling drong zich even op maar dat gevoel verdrong ik snel. Het was immers de enige echte kopie, vertelde ik mezelf.