Spring naar inhoud

Goed proberen te leven is nog niet zo eenvoudig. Dat merk je als je op social media iets deelt. Ik schreef een stukje over dat ik 12 kilo was afgevallen, waar ik zelf wel tevreden over was, maar ik had buiten de geluksverbranders gerekend. Een vond dat je sowieso niet slank mag zijn als je ouder wordt want dat staat lelijk. Dat was een double whammy: het is niet alleen slecht dat ik ben afgevallen, ik word er ook nog eens lelijker van. Een ander meldde dat hij ook wel eens 15 kilo was afgevallen maar nu 17 kilo zwaarder was. Dus prijs je maar niet gelukkig. Kortom, prettig vooruitzicht.

Dat is het knappe van negatieve comments, ze weten perfect al je onzekerheden op te sporen en aan te wakkeren. Oud, lelijk en straks dikker dan ooit. Ik ben er nog steeds niet achter of dat een bewuste strategie is - met als nog nerveuzer makende conclusie ‘o jee, ik ben transparant, iedereen ziet alles’ - of toeval. Waarschijnlijk dat laatste.

Het extra nare is ook nog eens dat negatieve comments altijd meer impact hebben. Twaalf mensen kunnen vol bewondering constateren dat je iets geweldigs hebt gedaan, de dertiende die roept dat het puur geluk was en niets voorstelt, maakt de meeste indruk. Dat zie je ook wel terug bij mensen die klagen over negatieve comments, soms zijn het er in de praktijk heel weinig en moet je er echt naar zoeken in zee van loftuitingen. Dat wil niet zeggen dat de kutopmerkingen er niet te doen. Juist wel. Dat wijnvlekje op je witte overhemd is meestal ook heel klein maar voldoende om het hele kledingstuk te verpesten.

Ik vraag me wel eens af of de mensen die dergelijke reacties plaatsen, enig idee hebben van wat ze eigenlijk doen. Het is aantrekkelijk om te denken dat het compleet verzuurde types zijn die, gefrustreerd over hun mislukte leven, driftig aan het tikken slaan om als wraak op de wereld en hun eigen bestaan het humeur van anderen te verzieken. Maar dat is denk ik te veel eer. Het is vermoedelijk gewoon lompheid. En dan niet eens bewust.

Sterker nog, waarschijnlijk denken ze zelf je een dienst te bewijzen met hun ‘kritiek’. Het erge is dat dat nog klopt ook. Negatieve comments die echt raken, slaan meestal weliswaar de plank mis op het onderwerp zelf, maar maken je wel bewust van onzekerheden die je anders negeert. In die zin kun je ze ook ten goede aanwent. Als je die onzekerheden kent, kun je er vaak ook wat aan doen. Dan wordt je leven beter en heb je er een volgende keer geen last van.

Zo win je toch nog van de zeurkousen. Al denken die daar zelf vast anders over.

2

Ik ben de afgelopen maanden 12 kilo afgevallen. Dat was ik al veel langer van plan maar het is de eerste keer dat het gelukt is. Laat ik even technisch worden. Mijn BMI zit nu net rond de 24. Ik wil eigenlijk naar de 22 - om te voorkomen dat ik met Kerst meteen weer boven de maximumwaarde van 25 zit - maar dan moet er nog zeker zeven kilo af en ik weet niet of dat gaat lukken. Dan weeg ik net zoveel als toen ik begin 20 was en nog rookte.

Hoe ik die kilo's kwijtraakte? (Want dat wil iedereen weten) De eerste 100 dagen van het jaar dronk ik geen alcohol, dat hielp al wat, verder de bekende trucs van veel water drinken, niet snacken, daarna kwam het paardenmiddel: minder eten. In plaats van een heel bord maar driekwart of minder. In het begin heb je honger maar even doorbijten, zogezegd, en dan wen je er aan. Bovendien is het wel lekker om een beetje hongerig te zijn. Zeker als je naar bed gaat.

Maar dat is niet waar ik het over wilde hebben. De afgelopen week merkte ik dat ik anders om me heen kijk. Tot een half jaar geleden zag ik op straat vooral mensen met overgewicht, nu valt me op hoe mager veel mensen zijn. Dat is een gek fenomeen, waar al een hele lading psychologen op afgestudeerd is. 

Eerst vond ik mezelf te dik en checkte ik kennelijk vooral of ik mensen zag die dikker waren dan ik zodat ik kon denken dat het bij mij wel meeviel. Nu is afvallen een haalbaar streven gebleken dat - excusez les mots - naar meer smaakt en zie ik de een na de ander: "Jee, die is dun, dat wil ik ook."

Het straatbeeld is ondertussen echt niet veranderd maar wel mijn blik. Ik zie wat ik wil zien: veel magere mensen. Nooit geweten dat je het woord wereldbeeld letterlijk moet nemen.

Richard Dadd - The Fairy Feller's Master-Stroke

Kikkers hoor je eerder dan je ze ziet. Misschien dat ze zo hard kwaken omdat ze juist zo'n goede camouflage hebben, een geintje van de evolutie. Je wordt onzichtbaar gemaakt waardoor niet alleen de roofdieren maar ook je potentiële partners je niet meer kunnen vinden. Dus krijg je een luid stemgeluid waarmee je de hele buurt bij elkaar kunt roepen. Een audio-versie van Tinder.

Sta bij een vijver met kikkers en er gebeurt iets wonderbaarlijks. Eerst zie je helemaal niks. Geen kikker te zien. Dan zie je er een. Daar. Gevonden. Dan nog een. En nog een. Na een minuut of wat zie je dat het water vol zit met kikkers. Ze zaten er al die tijd zonder dat je ze zag. Dat is een raar fenomeen. Onwillekeurig gaan we er vanuit dat als je kijkt, je ook ziet. Maar dat is maar ten dele waar. Hoe langer je ergens naar kijkt hoe meer je opmerkt. Met als tweede verrassing dat je je niet meer kunt voorstellen dat je het eerst niet zag. Je kunt wat je ziet niet meer ontzien.

Ik moest er aan denken toen ik door het duister over de snelweg raasde en luisterde naar een podcast van Tate, het Britse museum, over traag kijken. Dichter Bumi Thomas vertelt er over met een asmr-achtige stem. Heel langzaam ook. Er komen mensen aan het woord die zelf traag kijken. Een vrouw die al 15 jaar lang naar Tate gaat om een en hetzelfde schilderij te bekijken. Het is dan ook een zeer complex schilderij. Ze vertelt dat ze pas recent ontdekte dat op het schilderij een krekel te zien is die trompet speelt. Je kunt wel bedenken wat ik bij thuiskomst deed. Ik googelde het schilderij The Fairy Feller's Master-Stroke door Richard Dadd uit 1855 en ging op zoek naar de krekel.

Zo werkt het dus niet.

Als je het schilderij bekijkt, kun je je nog voorstellen dat daar steeds nieuwe dingen in te ontdekken vallen. Het schilderij heeft ook nog een verborgen lading. Het is geschilderd door een moordenaar tijdens zijn detentie. Je kijkt misschien naar de demonen in zijn hoofd.

Maar hoe zit het met traag kijken naar andere kunstwerken? Aan het woord komt een gids die mensen door Tate leidt en hen leert traag te kijken. Dat is geen overbodige luxe. De gemiddelde museumbezoeker besteedt gemiddeld 27 seconden aan het bekijken naar een kunstwerk. Ik hoorde het en dacht voor het eerst 'verdomd, ik ben gemiddeld'. Ik loop langs kunstwerken en werp snelle blikken. Dat doe ik ook om mezelf te beschermen. Kunst diep op je in laten werken is vermoeiend. Na tien werken ben ik uitgeput. Alsof ik drie romans achter elkaar heb uitgelezen. Maar 27 seconden. Dat is geen goede selectiemethode realiseer ik me nu.

De gids beschrijft de manier om echt langzaam te kijken. Je gaat voor een werk staan en sluit twee minuten lang je ogen. Daarmee zuiver je je gedachten van alles wat je bij aankomst in je op hebt genomen. Dan open ze je en ga je lang kijken. Je begint bijvoorbeeld bij het bestuderen van de vorm, dan de verhoudingen.

Ik probeerde me voor te stellen dat ik dat zou doen. In een museum. Hoe is het als je met je ogen dicht gaat staan voor een schilderij? Dat kan alleen in een stil museum. Anders roep je misschien wel irritatie of zelf agressie op. Opzij, opzij, opzij. De andere bezoekers willen hun 27 seconden wel nuttig besteden.

In het Stedelijk Museum Schiedam is nu een Rothko kapel ingericht waar een schilderij hangt van de Amerikaanse schilder, Grey, Orange on Maroon, No. 8 uit 1960. Als je naar binnengaat kun je je mobiele telefoon inleveren want niets mag je afleiden.

Het lijkt me een ideale plek om traag te kijken. Ook omdat er op schilderijen van Rothko op het eerste gezicht niet veel te zien is. Een beetje als staren in een vijver en dan geleidelijk de wonderen ontdekken. Maar traag is relatief. Voor wie 27 seconden kijkt is het al een stuk langer maar 5 minuten is nog te kort.

Op de museumsite staat:

"Kijken mag zo lang je wilt, tenzij er veel bezoekers wachten. Dan geldt een maximum van 5 minuten per persoon. Mensen die het schilderij gegarandeerd een uur voor zichzelf willen hebben, kunnen vóór openingstijd een uur alleen boeken. Klik daarvoor hier."

Durf ik dat? Een uur alleen zijn met een schilderij?

De podcast The Art of Slow Looking vind je hier.

PS: Ik kreeg via Twitter de tip dat Queen een nummer heeft gewijd aan het schilderij van Dadd.

https://twitter.com/arneut/status/1133425550771576832

Zijn we de afgelopen decennia truttiger en bekrompener geworden? Die vraag bekroop me toen ik in het Fotomuseum de tentoonstelling Lust for Life met werk van Ed van der Elsken zag. Met ‘we’ bedoel ik natuurlijk niet mezelf of jullie maar de anderen, de 'we' die je kent uit zinnetjes als ‘wat denken we te gaan doen’, de passief agressieve 'we', om het kort samen te vatten gewoon iedereen die anders is dan ik.

Dus zijn we de afgelopen decennia truttiger en bekrompener geworden? Op de foto’s van Van der Elsken zie je mensen die vrijheid uitstralen, met hun lach, hun kleding. Ze leven intens. Zelfs de hongerigen, zelfs de verschoppelingen. Het is een soort mens dat je niet meer ziet als je over straat loopt, behept met een mentaliteit die je associeert met hippies: vrijheid, blijheid. Soms ook letterlijk. 

Zandvoort, 1976

Tussen de foto’s hangt een beeld van de Amsterdamse vrijstaat Ruigoord uit de jaren ‘70. Vrolijke levensgenieters. Ik kijk er naar en merk dat ik onwillekeurig reageer met de weerzin die meestal wordt opgewekt door afgunst. Je zult maar zo moeten leven. Hoe lang heeft dat geduurd? Zouden ze er met tevredenheid op terugkijken? Hadden ze hun tijd niet beter kunnen gebruiken? Het is een reactie die nergens op slaat, die ik niet heb bij andere beelden. 

De Ruigoord-foto laat mensen zien die ervoor kozen zich aan alles te onttrekken, een keuze die ik nooit zou durven maken. Ik weer dat af met kritiek. Ik wijs hen af omdat ik misschien wel zo had willen zijn. Anders gezegd: de Houellebecq in me komt naar boven. De afkeer van de vrijheid van anderen. Ik wist niet dat ik m in me had. Nou ja, vermoedde misschien wel. In me zit immers alles. Van tedere geliefde tot kille moordenaar. De een koester je, de ander onderdruk je als hij bijvoorbeeld uit het niets tevoorschijn komt bij de confrontatie met kassavoordringers of wegpiraten. Dood moeten ze. Dat is niet goed. Je stopt de moordenaar terug in je hok, je innerlijke kerker.

Houellebecq is de geest van deze tijd, hoezeer ik z’n werk ook verafschuw. Niet Henry Miller of Anais Nin, niet Erica Jong of Jan Cremer. Niet Jean-Paul Sartre of Simone de Beauvoir. Houellebecq, de vleesgeworden grijsheid. Aan de andere kant is het begrip tijdgeest natuurlijk een verzinsel. Er is niet zoiets als een tijdgeest.  Het is een poëtische manier om de schuld bij anderen te leggen, een schaamlap voor je eigen onvermogen. 

Chili, 1971

Terug naar de jaren 60-70, Vrijheid, blijheid. Dat stralen de foto’s uit. Als het er niet op te zien is dan is het gemis ervan een aanklacht. Je ziet mannen in zwarte pakken, het zijn dictators.  

Ik leerde het werk van Van der Elsken kennen toen ik 18 was en zelf fotograaf wilde worden. Zijn boek Eye Love You was toen net verschenen. Ik herinner me dat het me opviel dat zijn werk niet zo politiek was als dat van andere sociale fotografen, zoals ze destijds genoemd werden. 

Nu zie ik dat ook Van der Elsken politiek was, maar op een andere manier, oppervlakkiger en tegelijk dieper. Menselijker. Het maakt dat zijn werk nog steeds actueel voelt. De titel van de tentoonstelling doet zijn werk eer aan. Wie de foto’s ziet raakt vervuld van levenslust.

Vlaanderen, 1968

Eenmaal weer buiten kijk ik om me heen. Nergens kleurige kleding, noch lachende mensen. Nergens vrolijkheid. Nergens vrijende stelletjes. Nergens de liefde die er in zoveel foto’s vanaf spat. Allemaal keurige burgermensen, opgejaagd door verveling, gekleed in de grauwe, donkere kleuren die al jaren in de mode zijn. Het komt door mij, niet door de mensen denk ik gauw. Het kan niet waar zijn. De cultuurpessismist in me is waarschijnlijk naar boven gekomen, zo iemand die het verleden prachtig en de toekomst lelijk vindt. Snel terug in de kerker gooien.

Ik sla aan het rationaliseren, een effectief middel tegen ongewenste gedachten. Van der Elsken was een mensenfotograaf, hij wond zijn onderwerpen om z’n vinger met z’n sympathieke verschijning. Hij besmette ze met zijn joie de vivre. Dat is wat je op de foto’s ziet, denk ik. Op iedere foto zie je Ed van der Elsken, in de gedaante van iemand anders.

We zijn nu gelukkiger dan toen, houd ik mezelf voor, als een leerling van Hans Gosling, de optimistische statisticus die te jong is overleden. We leven gezonder. We hebben meer keus. We mogen meer. We zijn rijker. We zijn gelukkiger. Je ziet het alleen niet als je je laat beïnvloeden door de algemene beeldvorming.

Bangladesh 1974

Het is een geruststellende gedachte. De mensheid is heus niet veranderd. We zijn nog steeds even vrolijk en fleurig als toen. We zijn nu zelfs vrijer. In alle opzichten. Van der Elsken trok de wijde wereld in toen dat nog zeldzaam was. Hij ging naar India en toonde ons in bladen als Avenue de onbekende wereld. Dat is niet meer bijzonder. Die bladen hebben hun functie verloren en zijn verdwenen. Nu reageer je als iemand zegt naar India af te reizen met ‘voor hoeveel dagen’? Alles wat Van der Elsken toont is gewoner geworden, daarom herkennen we het juist niet meer, denk ik bij mezelf als ik over de Erasmusbrug richting het centrum van de stad loop. 

Dan zie ik de file langzaam rijdende auto’s op de brug. Ze zijn bijna allemaal grijs of zwart of anderszins donker gekleurd. Ineens realiseer ik me dat ze op de foto’s van Van der Elsken veertig jaar terug nog fel en vrolijk gekleurd waren. Daar kiezen we nu niet meer voor. Onpraktisch. Oneconomisch. Dat zal het zijn, maar je maakt mij niet wijs dat grijs de kleur van geluk is.

Lust for life. Ed van der Elsken in kleur. Ga ‘m zien.

Ik ging naar de bioscoop om Nous Finirons Ensemble (we zullen samen eindigen) te zien, het vervolg op Les Petits Mouchoirs (de leugentjes om bestwil) uit 2011. Dat feest ging niet door. Eerst bleek de bioscoopreclame in een loop te zitten. Steeds werden dezelfde spotjes opnieuw afgespeeld. Er wordt wel gezegd dat herhaling de kracht van reclame is maar toen ik voor de dertigste keer de commercial voor parachutespringen voorbij zag komen, betrapte ik mezelf op de meest afschuwelijke verwensingen. En met mij de rest van het bioscooppubliek. 

Na een half uur meldde de operateur dat ze de film wel hadden maar niet over de digitale sleutel beschikten voor deze voorpremière. “We kunnen hem dus niet vertonen. U kunt uw geld terugkrijgen of als Cineville-pas houder een vrijkaartje dat u kunt weggeven.” Helaas, ik ken in Rotterdam geen mensen zonder Cineville-pas. Dus linea recta teleurgesteld naar huis.

Wat me echter het meest trof was iets totaal anders. Ik doe weliswaar aan het begin van dit stukje alsof iedereen weet wat Les Petits Mouchoirs is, ook bekend als Little White Lies, maar mij zei de naam deze week aanvankelijk niks. Het duurde even voor het kwartje viel. Dat ging heel gek. 

Ik las in de aankondiging van de vervolgfilm dat het eerste deel een enorme hit was geweest en dacht o, dan moet ik die kennen. Maar Les Petits Mouchoirs? Geen idee. In de volgende zin stond dat het ging om een vriendengroep die samenkomt in het prachtige vakantiehuis van een van hen.
Wacht.
Ja! Die film! 

Het eerste wat naar boven kwam was dat ik het een geweldige film had gevonden. De enorme waardering, die was het krachtigst in mijn geheugen aanwezig. Logisch want daar heb je het meeste aan in de eerste selectie: is het wat? Nog wist ik niet waar die film over ging. Wel dat hij grote indruk had gemaakt, dat ik helemaal van slag was na het bekijken. Maar waarom?

Toen kwam letterlijk beetje bij beetje de film naar boven. Het huis. De enorm heftige openingsscene waar je meteen van ondersteboven raakt. De verwikkelingen, het drama. Ik ga hier geen details geven want misschien wil je Les Petits Mouchoirs nog zien, wat ik je zeer kan aanraden. Hij is via tal van kanalen online te huur.

Ook de ene zin waar het allemaal om draait en die er mede voor zorgt dat de film zo’n impact heeft, kwam naar boven.

Steeds meer puzzelstukjes borrelden op, terwijl ik de film jaren geleden, misschien wel zeven, heb gezien. Het fascinerende is dat het ook echt puzzelstukjes lijken die in elkaar grijpen. Als er twee passen dan volgt een derde. Ik vroeg me af of de hele film in mijn geheugen zit. Of ik de hele film met dichte ogen terug zou kunnen kijken, als ik maar diep genoeg graaf. Helaas, dat is meer iets voor in een science-fiction film.

Toen ik pas journalist werd oefende ik mijn geheugen vaak. Had ik een avond al bomend doorgebracht met iemand dan probeerde ik de volgende dag uit het hoofd het hele gesprek zoveel mogelijk reconstrueren. Of een interview uit het hoofd uitschrijven en dan pas de tape gaan afluisteren om te zien of het klopt. Hoe vaker je het doet, hoe beter je er in wordt.

De ervaring met het terughalen van de film deed me denken aan mijn ouders die tegen het einde van hun leven niet altijd meer wisten wat ze een dag eerder gedaan hadden maar zeer levendige herinneringen hadden aan hun jeugd. Je hele leven is opgeslagen in je hoofd. Het zit er allemaal. Wat je nodig hebt, is een sleutel. En die moet je aangereikt worden. 

En terwijl ik dit online zet herinner ik me dat ik 19 jaar geleden al eens over het terughalen van herinneringen heb geschreven. Het staat op een oud en krakkemikkig gedeelte van mijn site. Over mijn leven als prille tiener in een gat. Ik voeg het hieronder toe:

MISSING LINK
21 februari 2000

1973. Ik koop mijn eerste elpee in een platenzaak in een dorp verderop. Want waar ik woon, Nieuw-Beijerland, is geen platenzaak te vinden. Net zo min als iets anders trouwens.
Sladest van Slade, een band die - vooral in Engeland - extreem populair is. Twee van hun hits komen in dat jaar binnen op de eerste plaats in de Britse hitparades, een stunt die na de Beatles niemand meer vertoond had. Ik draai de plaat letterlijk grijs op een Aristona pick-up, een platenspeler in een soort koffertje waarvan het deksel tevens de luidspreker was. 

2000. Ik start mijn auto in een Amsterdamse parkeergarage om naar huis te keren en duw in de cd-speler mijn nieuwste aanwinst: Sladest. De volumeknop gaat zo hard dat de luidsprekerkasten mee trillen en mijn oren protesteren. Slade was vooral een band van harde muziek. Heel harde muziek. Titels als Play It Loud en Till Deaf Do Us Part waren geen grapje. Zanger Noddy Holder, thans verdienstelijk acteur, beschikte over een stem als een misthoorn. Als je de muziek zacht speelt is er niets aan. Uit de luidsprekers schalt Cum On Feel The Noize dat ik zeker twintig jaar maar misschien wel langer niet meer gehoord heb. En zonder dat ik er iets voor doe maak ik een tijdreis van een kwart eeuw. 

1973. Opgroeien in een dorp als Nieuw-Beijerland is nog erger dan wat op het filmfestival vertoond werd in de erg prettige hitfilm Fucking Amal, over het leven van tieners in een of ander Zweeds gat. Een discotheek of societeit is er niet. Zaterdagavonden slijt je door op je slaapkamer plaatjes te draaien met in de fittingen gekleurde lampen en de stroom onderbroken met een TL-starter zodat het licht blijft knipperen en met een beetje fantasie op een lichtorgel lijkt. En bij gebrek aan drank of drugs rook je heggenbladeren om er achter te komen dat je daar alleen maar vreselijke hoofdpijn van krijgt. 

2000. Ik had eigenlijk geen idee meer wat er nu precies op Sladest stond, afgezien van enkele hits als Gudbuy T' Jane. Niettemin blijk ik elk nummer voluit mee te kunnen zingen en ook precies te weten welk nummer er gaat komen. Ergens in mijn hoofd zit, al die tijd diep verborgen, een compleet archief. Ik ruik de geuren van het dorp weer, ik herinner me de dromerijen over het hebben van een brommer zodat ik eindelijk weg zou kunnen vluchten. In mijn ooghoeken flitst het licht van de gekleurde gloeilampen. Het is er allemaal maar je komt er niet bij als je de goede URL niet weet. In dit geval luidt die Sladest. 

1973. Met jeugdvriend en mijn hond in een boom.


Er klinkt achter me een klap, het soort waarvan je meteen weet dat het iets met een auto is. Het geluid van blik dat een dreun opvangt en indeukt, hard plastic dat breekt. Ik kijk om.
cc-foto: Craig Vershaw

Er klinkt achter me een klap, het soort waarvan je meteen weet dat het iets met een auto is. Het geluid van blik dat een dreun opvangt en indeukt, hard plastic dat breekt. Ik kijk om. Een auto draait op de kruising de hoek om, rijdt een zijstraat in. Heel langzaam, alsof de bestuurder twijfelt over wat er gebeurd is. Een scooter ligt midden op straat, half tegen de grond. De berijder zit er nog op en richt zich omhoog met machine en al. Hij ziet verschrikt om zich heen, ik kijk hem recht aan en verbaas me erover dat zijn blik geen woede of hulpeloosheid uitstraalt. Hij lijkt niet gewond. Nog voor ik op hem af kan lopen scheurt hij vol gas weg, de straat uit. Een stuk plastic van de scooter blijft achter op de stenen.

De auto is gestopt. Ik merk dat ik onwillekeurig partij heb gekozen voor de scooter. In de jungle van het verkeer kies je altijd voor de zwakste. Zoals in een natuurdocumentaire je sympathie uitgaat naar de gazelle en niet naar de cheetah. Maar nu de jongen weggeracet is, als een ontsnapte gazelle die uit zicht verdween, blijft er niemand over om sympathie voor te hebben. 

In de linkerachterkant van de splinternieuw ogende auto zit een forse deuk. Het portier gaat open, een jong meisje stapt uit. 19 jaar schat ik, maar dat zegt niks want ik denk ook altijd dat George Clooney 40 is. Ze trilt van de zenuwen. Ze lijkt een beetje op Famke Louise. Wat is er gebeurd, wil ze weten. Een voorbijganger wijst naar een paal met bovenin een zwarte bol op de hoek van de straat. “Daar hangt een camera, snel, bel de politie dat ze de beelden veilig stellen.” Ik zie de bol, als een ding uit een science-fiction film. Zou er nu iemand naar ons kijken, vraag ik me af.

“Politie?”, vraagt het meisje met twijfelende stem. Haar vriendin is ook uitgestapt. Die trilt niet en lijkt zich vooral af te vragen wat de situatie is. 
Ik wijs naar de achterzijde de auto. “Je hebt wel een deuk.”
Het meisje slaat haar hand voor de mond als ze de schade ziet. “O mijn god, mijn vader...” Ze lijkt meer te schrikken van de gedachte aan haar vader dan van het ongeluk.

“Je had die scooter niet gezien,” zegt haar vriendin in een poging haar gerust te stellen. 
Ik probeer te helpen. “Ja en hij haalde je links in, dat mag niet.”
“Precies,” zegt haar vriendin. Het meisje kijkt me verbaasd aan. Gauw zeg ik: “Of nee, dat mag wel maar daar kun jij niks aan doen.” Welja, maak het nog erger, verwijt ik mezelf de onhandigheid.
“Ik heb geen richting aangegeven,” zegt het meisje.
Verdomme. Ik wil zo graag dat het niet haar schuld is. Dat het niemands schuld is.
“Wat moet ik nou doen? Ik weet niet wat ik moet doen.”
Ja, wat moet ze doen? De auto staat midden op straat, het portier nog open, als een bevroren crime scene.

Het is avond, de winkels zijn net gesloten en het publiek trekt door de straten op weg naar huis of vermaak. Over een half uur begint even verderop de theatervoorstelling waar we naar op weg zijn.

Een fors gebouwde beveiliger op de fiets stopt. “Je had die straat niet in mogen rijden van die kant. Het is eenrichtingverkeer.” Ook dat nog. Daar had ik helemaal niet aan gedacht.
“Niet in mogen rijden? Hoe kan dat?” reageert het meisje vol ongeloof.
Het is ook een rare straat. Halverwege verandert plots de rijrichting. Net bij een drukke voetgangersoversteekplaats. Ik zie er vaker mensen de fout ingaan, denk ik verontschuldigend en verbaas me daar tegelijk over omdat de keren dat ik zoiets zag gebeuren ik steevast de bestuurders vervloekte. Het meisje is veranderd van cheetah in gazelle. Ze is ook net zo rank, als een rietje dat trilt.

“Hier gebeuren heel vaak ongelukken,” zegt de beveiliger. Ook hij wil haar geruststellen. “Ik heb er zelf al vier keer een aanrijding gehad.” Je zou denken dat iemand die de camerabeelden bestudeert het eens moet gaan opvallen dat die plek een magneet is voor het verlies van no claim-korting maar misschien kijkt er niemand naar, registreren ze alles voor het grote niks.

“Ik weet niet wat ik moet doen.” zegt het meisje weer.
“De politie bellen,” antwoordt een omstander. Ik zie de angst op haar gezicht. “Wat moet ik dan zeggen?”
“Zal ik voor je bellen?” bied ik aan.
“Ja, als u dat wilt.”
Klik.
“Meldkamer, waar is het noodgeval?”
Nou noodgeval, schiet het door me heen, dat is wel een beetje overdreven. Maar wie had ik dan moeten bellen? Op de achtergrond hoor ik het rumoer van de meldkamer. Ik denk aan alle noodgevallen die nu moeten wachten omdat ik een bibberend meisje wil helpen.

Ik noem de straathoek. “Een scooter is tegen een auto opgebotst en daarna doorgereden.” Ik geef het signalement, voor zover ik dat heb onthouden. Blauwe helm, zwarte scooter.
“Blauwe helm, zwarte scooter?” vraagt de meldkamer. Ik twijfel ineens en zie in gedachten alle politieagenten speuren naar een zwarte scooter met blauwe helm terwijl het misschien wel een blauwe scooter met zwarte helm was. “Ja, maar dat doet er niet toe. Die auto is beschadigd en de bestuurster is nogal geschrokken en heeft geen idee wat ze moet doen. Dus misschien kunt u iemand sturen?”
“We sturen een wagen er naar toe.”

Opgelucht hang ik op, al heb ik geen idee wat de politie gaat doen. Ineens valt het kwartje. “Die scooter is doorgereden. Dat mag sowieso niet na een ongeluk. En waarschijnlijk was die scooter niet van hem, anders rij je niet weg.” Dat geeft het verhaal een andere wending. De scooterrijder is een roekeloos type, een verdachte. Zij is nu echt een gazelle, ook al had ze geen richting aangegeven, keek ze niet uit en reed ze in een verboden richting door de straat. Ze heeft eigenlijk niets verkeerd gedaan. Een gazelle die fouten maakt, benadeelt alleen zichzelf.

Het meisje is nog in paniek. “Mijn vader...” 
Ik vraag of ze bang voor hem is. “Ja, hij gaat boos worden. Het is zijn auto.”
“Twee maanden oud,” zegt de vriendin.
“Waar is je vader?”
“In het café, denk ik.”
“Zal ik hem bellen?”
Ze knikt en geeft me haar telefoon. Ik hoor cafégeroezemoes en een mannenstem.
“Ik bel namens uw dochter. Ze heeft een aanrijding gehad.”
“Wel godver.”
“U hoeft zich geen zorgen te maken over haar. Er zijn geen gewonden. Er is een scooter tegen uw auto opgereden en daarna weggereden. Er zit wel een flinke deuk in.”
“Wel godver.”
“Uw dochter is erg geschrokken en durfde u niet te bellen, daarom doe ik dat.”
Wat moet ik verder zeggen? Geen idee. Hij is niet gaan schelden.
“Wilt u uw dochter spreken?”
“Ja.”
Ik geef de telefoon. Ze luistert. “Ja maar papa...” Haar gezicht wordt nog bedrukter. “Ja maar papa...” schreeuwt ze nu. Dan houdt het op. Ze kijkt ons aan. “Hij heeft opgehangen.”

“Mijn vader zou niet boos worden,” zegt de vriendin. “Ik heb pas nog een aanrijding gehad met zijn auto. Die reed door maar ik heb de dader weten achterhalen via instagram. Zou je ook niet verwachten.” Ineens heeft iedereen ongelukken gehad. Ik denk aan mijn laatste ongeluk, jaren geleden, dat was ook al zo stom. De vriendin wijst naar de beschadigde wagen. “Die auto is van zijn werk.”
“O maar dan is ie all risk verzekerd. Of wacht, misschien niet als zij er in rijdt?” De vriendin haalt haar schouders op.

De tijd verstrijkt. Het meisje heeft de auto in een parkeervak gezet. De beveiliger vertelt over wat hij meemaakt. Het is onrustig in de stad, antwoordt hij als ik hem vraag of het rustig is. “Ondanks de ramadan. Dus ik hou m’n hart vast voor het Suikerfeest.” Ik wil iets relativerends zeggen maar vraag me af waarom eigenlijk en zwijg. Ik kijk naar de zwarte bol die boven de hoek van de straat hangt als een boos oog. Ziet iemand ons?

Het meisje wordt gebeld. Haar vader. Na twee minuten eindigt het gesprek in geschreeuw. Ze panikeert weer.
“Het is een ongeluk,” zeg ik tegen het meisje. “Jij kunt er niets aan doen. Het is alsof er een boom op je auto is gevallen.” Ze kijkt me aan alsof ze het graag wil geloven maar weet dat dat nog het probleem niet oplost.

Een politiewagen draait langzaam de straat in. Een agent stapt uit. Een krachtige gestalte en een zacht gezicht met een grijs baardje en fonkelende ogen. “Zo, wat is hier aan de hand?” Hij heeft de uitstraling van een coach, van iemand die je direct vertrouwt. Deze man gaat haar helpen, dat is meteen duidelijk. Ik geef snel een samenvatting. “Hier heeft u mijn nummer als u nog iets wilt weten. Wij moeten verder want er begint zo een theatervoorstelling.”
“Ah, moeten jullie naar het theater? Wat lief dan dat jullie bleven.” Het gezicht van het meisje klaart even op. We schudden handen.

De voorstelling gaat over liefde, dood en vertrouwen maar ik kan mijn gedachten er slecht bij houden. Dat arme meisje blijft maar door mijn hoofd rennen. Zo bang voor haar vader.

Ja, iedereen was lief. Dat is wel zo. De meisjes, de beveiliger, de omstanders, de agent. De scooterrijder niet. Maar zelfs dat is niet zeker want ik ken zijn verhaal niet. Misschien ging hij er om een heel andere reden vandoor en zou je hem alsnog lief vinden als je wist hoe het zat. Alleen die vader, als die nou eens wat liever was in plaats van zo boos. Dan was een deuk alleen maar een deuk. Een schadeformulier dat ingevuld moet worden. Dan was er eigenlijk niet zoveel aan de hand geweest, dan waren er geen cheetahs of gazelles. Dan dacht ik niet zo aan dat arme meisje.