Spring naar inhoud

Een paar maanden geleden prees iemand op Twitter een oud boek aan dat tot de meest gekoesterde exemplaren uit zijn boekenkast hoorde. Lost Treasures of Europe, een fotoboek uit 1946 met 427 foto’s van gebouwen en kunstschatten die in de Tweede Wereldoorlog verwoest zijn. Ik aarzelde geen moment en bestelde via een antiquariaatsite een exemplaar dat een paar dagen later in de brievenbus lag. Toen was de impuls die tot de aankoop leidde alweer weggeëbd en ik legde het boek in de kast. Meer iets voor mei, de maand waarin we de verschrikkingen van de oorlog herdenken. Dus nu kwam het uit de kast.

Een gebonden werk met vergeelde pagina’s, een ex libris van de vorige eigenaar en oude foto’s, precies zoals je dat verwacht van een kunstschat.

Het boek is direct na de oorlog gemaakt, samengesteld door Henry Lafarge die meer kunstboeken op zijn naam heeft staan. In de inleiding vertelt hij hoe lastig de klus was. Hij moest vanuit de VS een overzicht zien te krijgen van de kolossale oorlogsschade in Europa en dan ook nog met foto’s. Dat bleek veelal onmogelijk. De directeur van het museum in Hamburg die hij aanschreef antwoordde hem graag te willen helpen maar daar helaas niet toe in staat te zijn. “Zelfs de kleinste dingen zijn onmogelijk. Als Duitser mag ik geen foto’s naar Amerika verzenden.” Als de directeur überhaupt nog foto’s had gehad want die waren zoals zoveel verloren gegaan bij de bombardementen. “Ik zie dat u geen idee heeft van de toestand hier.”

De toestand. We denken bij oorlog - terecht - aan menselijk leed maar er wordt ook immens veel vernietigd. Ik woon in een stad waarvan het hele centrum is weggevaagd. Ik realiseerde me de enormiteit daarvan pas toen mijn vader me eens vertelde dat hij een paar jaar na de oorlog op het Centraal Station arriveerde en vandaar de Maasbruggen en de rivier zag liggen. Daartussen stond vrijwel niets meer overeind. Het hele stadscentrum. Weg. En dat was een bijzonder centrum, weet ik dankzij het boek van Edmondo de Amicis uit 1874. (Dat kun je hier lezen).

In het boek staan wat foto’s van Rotterdam. De Laurenskerk natuurlijk, de Notre Dame van deze stad, om het zo maar te zeggen. Het enige gebouw in de stad dat stamt uit de Middeleeuwen. De bouw begon 570 jaar geleden, in 1449. Compleet verwoest.

Op 14 mei 1940 bombardeerde de Duitse Luftwaffe het centrum met brandbommen. Het was een zinloze geweldsdaad omdat Nederland een half uur daarvoor gevolg had gegeven aan het Duitse ultimatum en bereid was te capituleren. Of het bombardement per ongeluk toch doorging of dat het expres werd uitgevoerd om andere steden te intimideren tot overgave, is onderwerp van discussie. Er is nooit een proces over gevoerd omdat de geallieerden bevreesd waren dat het aanmerken als oorlogsmisdaad er toe kon leiden dat ook geallieerde wraakbombardementen op Duitse steden als Dresden zo gezien konden worden.

In 15 minuten werd de stad die dat jaar haar 600-jarig bestaan vierde vernietigd. In het boek staat het bekende beeld van de verwoeste Laurenskerk temidden van een kale vlakte waar eerst huizen, winkels en kantoren stonden. Een foto in het boek laat het Steiger zien, niet ver van de Laurenskerk. Toevallig maakte ik daar dit weekend ook een foto, bij het Hang. Behalve het water, de rivier de Rotte waar de stad haar naam aan dankt, is er niets meer hetzelfde.

Het was overigens niet het enige bombardement. Er volgden er nog vele, vaak van geallieerden die Duitse doelen moesten vernietigen, vaak ook per ongeluk. Gemiddeld vond er gedurendende vijf jaar die de oorlog duurde iedere vijf dagen een bombardement op de stad plaats. Er zijn daarbij meer slachtoffers gevallen dan bij het Duitse bombardement.

De Laurenskerk is herbouwd. Dat geldt voor veel Nederlandse gebouwen die in het boek staan, iets wat ik me nooit zo gerealiseerd heb. Bij het woord wederopbouw dacht ik als Rotterdammer nooit aan monumenten maar aan nieuwe gebouwen als de Bijenkorf. In Middelburg bijvoorbeeld, een stad waar het centrum ook is weggevaagd, is veel gerestaureerd of herbouwd.

Er schijnt een studie te bestaan naar de verschillen tussen steden die na de oorlog in oude glorie hersteld zijn, zoals Middelburg, en steden die helemaal opnieuw gebouwd zijn, zoals Rotterdam. In de herbouwde steden was de leefbaarheid sneller hersteld. Nieuwe steden hadden daarentegen nog decennia nodig om een nieuw leven te ontwikkelen. Rotterdam is daar een goed voorbeeld van. Pas de laatste jaren heeft de stad echt weer een hart. 15 minuten vernietiging, 70 jaar herstel. Zo zie je maar dat slopen makkelijker is dan opbouwen. Dat geldt niet alleen voor gebouwen en steden maar ook voor instituten, denk aan de Europese Unie.

Henry Lafarge kon het boek samenstellen met behulp van Europese vluchtelingen die naar de VS waren getrokken. Zij hadden foto’s en verhalen.

Oorlogsleed is geen wedstrijdje in erg maar ik werd bij het naspeuren van enkele Nederlandse foto’s wel zeer getroffen door het verhaal van het stadhuis in Heusden, een vestingstadje in Noord-Brabant. Daar stond het mooiste stadhuis van het land, gebouwd in 1461. In november 1944 vonden er rond de bezette stad zware gevechten plaats. De bewoners zochten zoals gebruikelijk dekking in de kelder van het stadhuis. Daarop besloten de Duitsers de toren op te blazen. Het gevolg was dat het hele gebouw instortte. 134 inwoners kwamen daarbij om, tien procent van de totale bevolking. Vier uur later namen Schotse en Poolse bevrijders de stad in. Het stadhuis is nooit herbouwd en daarmee een Lost treasure of Europe.

Europa, het continent dat veel moois voortbracht maar ook als geen ander in staat is zichzelf te vernietigen.

2


Ik liep met vriend G. door de stad. G. is iemand die alles weet en iedereen kent. Dit zeg ik zonder overdrijven. Toen we later op een terrasje plaatsnamen en ik me weer probeerde te bezatten met 0,0 bier - dat gaat me ooit lukken, ik kan immers ook high worden van poffertjes - werd ons gesprek voortdurend onderbroken door passanten die hem kwamen begroeten. Een boks, een handdruk, een klap op de schouder of, in het geval van vrouwen een, twee, drie wangkussen. 

Drie. Laatst liep ik ook over straat - ja, ik haal echt alles uit het leven - en passeerde ik vier mensen die kennelijk van elders waren en elkaar kussend begroetten of afscheid namen. “Drie keer, we zijn nu Nederlanders”, zei de een met een mooi buitenlands accent tegen de anderen. Ze lachten al hun tanden bloot. Drie zoenen, er zijn slechtere vormen van nationalisme denkbaar.

Maar goed, daar zat ik dus met G. en de serveerster die hem ook al met drie zoenen had begroet, kwam het flesje 0.0 brengen. Ik vind het een mooie benaming, al spreek je het uit als nul punt nul op z’n Engels in plaats van nul komma nul, maar gek genoeg wel weer in het Nederlands. Ik zou niet eens weten hoe je het op z’n Engels uitspreekt. Zero point zero? Nil dot nil? Het is ook zo mooi overbodig, die als punt vermomde komma met die nul er achter. Ik bedoel hoezo die tweede nul, het is immers gewoon nul? Maar dat durft de brouwer niet te zeggen want dan zie je het probleem: Heineken Zero. Je denkt gelijk dat het cola is. Of misschien heeft Coca Cola zonder dat we het weten wel patent genomen op de zero. Ik dwaal weer af.

Ik liep dus met G. door de stad, nog voordat we op een terrasje plaatsnamen waar de halve stad hem kwam begroeten. We passeerden een café dat zo verscholen lag dat het me nooit eerder was opgevallen. En ik was kennelijk niet de enige want de tent was compleet verlaten. “Kijk nou”, zei ik spottend in een poging de cameraderiesfeer te scheppen waar mannen aan hechten als ze samen optrekken, “ben je daar wel eens binnen geweest?” Terwijl ik bij mezelf dacht never nooit niet.

Ik had het natuurlijk kunnen weten. “Jazeker. Heel bijzonder. Dit is echt een prachttent. De eigenaar verkoopt koffie langs de marktkramen, dat is eigenlijk zijn business.” Voor de gevel stonden inderdaad van die grote glimmende koffieketels op straat, klaar om schoongemaakt te worden. Er kwam iemand naar buiten lopen die G. begroette alsof het een familielid was dat hij na 40 jaar weer zag. Een kort praatje en weer verder. Dat is het knappe aan G., hij kan gesprekken voeren die niet langer dan anderhalve minuut duren en toch voelen alsof het een echt gesprek is. Ik daarentegen weet of durf in dat soort gevallen niets te zeggen. Alles wat ik bedenk is stom en ik heb mezelf verboden om over het weer te beginnen omdat ik dat zelfs vaak nog verpest.
“Koud hè?”
“Nou nee, er is voor vanmiddag 23 graden voorspeld.”
En als ik wel wat durf te zeggen dan ben ik niet meer te stoppen en ratel ik overmoedig door tot mensen zich na een kwartier ongemakkelijk uit de voeten maken. 

Dus het was een bijzondere zaak, die tent waarvan ik dacht dat het de meest mislukte horecagelegenheid van Rotterdam is. “Weet je,” zei G. “dat dit de zaak is met de hoogste omzet Jägermeister van heel Nederland? Echt waar.” Natuurlijk wist ik dat niet, hoe zou ik dat moeten weten? Ik zag dat op alle tafeltjes op het terras het Jägermeister-logo prijkte, het hert met een Hubertus-kruis tussen zijn gewei. Ik moest denken aan het Hubertus-slot op de Hoge Veluwe waar ik ooit een rondleiding kreeg die ik iedereen kan aanraden. De gids vertelde smakelijke details over de ruzies tussen Hélène Kröller-Müller en de architecten, gevechten op leven en dood over de kleinste details. Normaal gesproken zou ik daar nu tegen G. over zijn gaan uitwijden, zoals mannen altijd maar een enkel haakje nodig hebben om hun encyclopedische kennis over je uit te storten, maar ik was nog te zeer verward door zijn opmerking en kon niet meer bedenken waar die ruzies ook alweer over gingen. “Jägermeister? Maar er is toch niemand die dat drinkt?” Hij keek me aan en knipoogde. “Iedere horecazaak heeft het in huis.”

Verdomd. Dat is waar. Het staat altijd overal. Maar ik heb nog nooit iemand een Jägermeister horen bestellen. Sterker nog, ik heb zelfs nog nooit iemand het zien drinken. Op soms een alcoholist op straat na. Onmiddellijk werd ik overvallen door een tsunami aan onzekerheid. Misschien was ik wel de enige die onbekend is met de geneugten van Jägermeister. Misschien was het sinds kort wel de hipste drank aller tijden. Misschien zei daarom nooit iemand iets tegen me op feestjes en avonden uit: omdat ik een Jägermeister nono ben.

Ik weet niet eens of ik eigenlijk wel Jägermeister kan drinken, als bewust vegetariër. Zal je net zien, koop je een fles, blijken het de grote sponsors van de jachtindustrie. Hoe kom ik daarachter? Wacht, moet ik dat wel weten? Wanneer wil ik dan Jägermeister gaan drinken? Lijkt me iets dat kan wachten tot het bejaardenhuis.

Een wijs man zei ooit dat hoe meer je weet hoe meer je je bewust wordt van het feit dat je weinig weet. Dat werd weer even bewezen. Nee, natuurlijk weet ik niet meer wie dat gezegd heeft. Ik zou het kunnen Googlen. Ja, en dan? Ga ik het dan onthouden? Kleine kans. Waarom zou ik het onthouden? Google weet het toch? Net als dat ik geen telefoonnummers meer weet. Verdomd. Had ik niet altijd beweerd dat de kennissamenleving zou bestaan uit mensen die niks weten? Nooit gedacht dat ik daar zelf bij zou gaan horen. Ik vroeg me ineens af hoe het straks moet als niemand überhaupt nog iets weet. Gaan we dan massaal op verjaardagen wanhopig zitten Googlen om gespreksonderwerpen te vinden? Ik wilde er iets over tegen G. zeggen maar die liep net weer een bekende tegen het lijf.

Dat van die Jägermeister moest ik in ieder geval onthouden. Voor als er een stilte valt op de volgende verjaardag. “Ik weet een café in Rotterdam...” Verdorie, hoe heette het ook alweer?

Vanochtend op het drukke station waar een massa forenzen paraat stond om een binnenkomende trein te enteren, zag ik een hele strook perron die vrijwel leeg bleef van reizigers. Eerst dacht ik dat het misschien de plek was waar de eerste klas rijtuigen stil komen te staan. Aan dat rijdend reservaat heeft de gemiddelde forens immers niets bij de jacht op een vrije zitplaats. Dat al die mensen precies weten waar zo'n trein stopt, dacht ik verbaasd. Ik word altijd een beetje nerveus als ik meen dat anderen over kennis beschikken waar ik onwetend van ben. Je begrijpt, ik leid mijn leven in een staat van permanente stress.

Pas toen ik zelf over het vrijwel lege perrongedeelte liep merkte ik wat er werkelijk aan de hand was. Of liever gezegd, ik rook het. Het lege gebied was de gebruikerszone voor nicotineverslaafden. Typisch, zo'n gebied dat vijftien jaar geleden nog overbevolkt was, bleek nu verlaten. Wie had dat ooit kunnen denken?

Even later zag ik voor het eerst dat er op de perrons V-borden hangen die aangeven hoeveel seconden het duurt voordat de treinwagondeuren gaan sluiten. Fascinerend. 5,4,3,2, het leek Cape Canaveral wel. Behalve dan dat na de 0 niet de take off volgde. De deuren gingen weliswaar dicht maar de trein bleef nog even staan. Een jongen kwam aanstormen van de trap, drukte met enige wanhoop op de knop van de deuren maar er gebeurde niets. Nog een keer, tegen beter weten, zoals iedereen dat ook doet als een lift te lang op zich laat wachten. De trein zette zich in beweging en de jongen keerde zich om. Hij lachte, zoals je kunt lachen als je iets verliest, een weddenschap, een partij schaak of een doelpunt net mist. Ik vond het knap. Lachen in plaats van vervloeken. Ga ik voortaan ook proberen.

Er was nog een andere verandering. Ik stond op het punt ‘s ochtends de auto naar mijn werk te pakken maar zag daar op het laatste moment toch maar vanaf. Legde de autosleutels terug in het sleutelrek - iedereen die lijdt onder het voortdurend kwijt zijn van sleutels kan ik die aanvulling op je woninginrichting aanraden, het verlengde mijn levensverwachting met minstens 5 jaar wegens afname stress en wanhoop - en vulde mijn rugzak met een ns-survival pakket (water, fruit, koptelefoon, boek).

Ik kan een heel vertoog houden over hoe ik milieubewuster ben geworden, dat de planeet er aan gaat, etcetera, maar de waarheid is gewoon dat ik de files niet meer trek. Het is tijdverspilling. Ja, ik kan podcasts luisteren en vertrouwelijke telefoongesprekken voeren in m’n forenzenbolide maar zelfs dat weegt niet meer op tegen de file-ellende. File-rijden kost niet alleen veel tijd, het is ook ontzettend vermoeiend.

En ik wilde lezen. Ik ben bezig in dat prijswinnende boek van Rob van Essen. Het is zo’n boek dat je moet verslinden, dat je leest zoals je een marathon loopt, doorgaan, doorgaan. Tenminste dat vermoed ik want ik heb natuurlijk nooit een marathon gerend.

Had ik ook nooit gedacht, dat ik uit praktische overwegingen niet meer met de auto zou willen, dat symbool van vrijheid uit de 20e eeuw. En omdat ik meer wil lezen. De file krijgt voor elkaar wat al die andere maatregelen niet lukte.

Nu zat ik in de trein en hoorde ik een gesprek achter me over de voor- maar vooral nadelen van cocaïnegebruik. Zo snuif je onverwacht ook nog wat extra kennis op.

Die drie wijze lessen kreeg ik vanochtend zo maar gratis opgediend. Dus regering, als je de aarde wilt redden, het verkeersprobleem wilt oplossen, de literatuur wilt stimuleren en de mensen tot elkaar wilt brengen: versmal de wegen. Bij het ontmoedigen van roken werkte dat ook. En blijven lachen, dan valt het allemaal mee.

Rennen over het strand, op blote voeten, dat had ik ook nog nooit gedaan. Ja natuurlijk wel sprintjes, hard naar de zee rennen en dan terugdeinzen voor de eerste golf alsof er een stoplicht op rood springt. Maar verder niet. Nu rende ik kilometers.

De eerste honderden meters dacht ik aan scherpe schelpen die door mijn voetzolen zouden dringen. Ik zag de bloederige, pijnlijke resultaten al voor me. Vreemd, want ik heb een enorme hekel aan beelden van bloed en wonden. Ze doen bijna pijn. Om de een of andere reden duiken ze regelmatig op in mijn verbeelding. Terwijl je zou denken dat mijn hersens het nu wel afgeleerd zouden hebben me zo te kwellen, dat de wilskracht die me zover krijgt dat ik kilometers over het strand ren ook wel in staat zou zijn dergelijke beelden te onderdrukken, diep te begraven. Ik moet ze tegenhouden. Ik zie weer mijn voet tussen de spaken van de rijdende fiets komen, ik voel een stuk scherp stuk hout mijn schedel binnendringen, een vinger achterblijven op de deurlijst terwijl de deur dichtslaat. Weg, weg. Ze gaan nooit weg, net zo min als de littekens.

Maar de schelpen snijden niet. Ze voelen als kiezels die meegeven. Het voelt licht, alsof ik minder weeg. De meegevende grond vertraagt, ik ren langzamer dan anders maar het voelt sneller, vrijer. Het idee dat er geen einde is, geen rondje, geen finish. Dat ik almaar door zou kunnen blijven rennen langs de kust, naar Knokke, Calais, Brest, Bordeaux, Bilbao, Santiago de Compostela. Zou iemand daar ooit op pelgrimstocht naar toe zijn gerend? Tweeduizend kilometer? Vast wel. Er zijn lui die iedere dag een marathon rennen. Weer zoiets dat ik nooit zal kunnen.

Als ik ga rennen gebeuren er de eerste tien minuten twee dingen. Mijn lichaam begint al na een minuut te protesteren, doet alsof het zwaar lijdt, als een kind bij de kassa dat geen snoep krijgt probeert het me te overtuigen dat ik rechtsomkeert moet maken. Terug naar de sofa. En mijn geest explodeert. Ik moet mijn administratie nog doen. Heb ik nog wel tomaten in huis voor de spaghetti? Wat als ik straks dood neerval? Op dat feestje zes weken geleden had ik die opmerking niet tegen X moeten maken. Luister ik wel naar de juiste muziek? Hoe ver ga ik lopen? Vijf kilometer? Dat doe ik altijd. Meer? Dan hou ik het misschien niet vol. Na anderhalve, twee kilometer keert de rust terug en ontstaat er een lege helderheid. 

Na 17 minuten langs de vloedlijn keer ik om. Waar vandaan ben ik vertrokken, die huisjes daar in de verte, of nog verder? Ik kijk naar het zand. Hondenpoten, paardenhoeven, kindervoetjes, maar nergens mijn voetzolen. Alsof ik geen sporen heb achtergelaten, alsof ik niet ren maar zweef boven de grond.

Geen sporen. Ik bedenk dat ik voor het eerst in jaren zonder smartfoon ren. Dat het betekent dat niemand weet ik waar ik ben. En met niemand bedoel ik dan niet zij die mij lief zijn maar de mensen achter de schermen van Google, Apple, T-mobile, Nike, TomTom en wie weet hoeveel nog meer. Ze weten altijd precies waar ik ben en ben geweest. Ook binnen gebouwen. Hoe vaak ik naar de wc ga en hoe lang. Hoe lang ik slaap. Ze weten dat ik nu op de bank lig dit op te schrijven. Mijn leven is een fel verlicht appartement zonder gordijnen.

Ze weten zelfs wat ik ga doen voordat ik het gedaan heb. Als ik ‘s ochtends voor het wegrijden de routeplanner open om de verkeersdrukte te checken staat m’n kantoorbestemming al ingevuld. Een soort vooruitgeschreven dagboek. Ze hebben meer zicht op mijn leven dan ikzelf. Facebook weet beter hoe het met je relatie is gesteld dan jijzelf, beweerde ik jaren geleden. Ik begrijp niet waarom ik er toen niet meteen mee gestopt ben. Ik stop met zoveel. Roken, drinken, snoepen, vleeseten.

Nog steeds zie ik nergens mijn eigen voetafdrukken terug in het zand. Alsof ik er nooit geweest ben. Alleen de mensen die ik passeerde weten dat ik hier was. En zij weten niet wie ik ben. Dus dat doet er niet toe. Het voelt enorm vrij. Als ik nu van de aardbodem verdwijn en de politie na lang wachten een onderzoek begint zal een enkeling misschien nog een signalement herkennen. Man, rennend, slechts gekleed in sportbroek. Nu ik er zo over nadenk klinkt dat best bizar. Als het begin van een apocalyptische film. Het is tekenend dat een gevoel van ultieme vrijheid meteen de associatie van een totale ondergang oproept.

Ik probeer me een leven zonder smartfoon voor te stellen. Zonder sporen, een leven als het zand onder mijn voeten dat zich herstelt na iedere stap. We zijn geneigd het leven, de tijd, als een lijn voor te stellen maar misschien zijn het wel korrels, gebeurtenissen die tegen elkaar aanschurken en zich steeds anders vormen. Dataclouds denk ik meteen. Leven in de cloud, luidde het adagium tien jaar terug. Nu is het leven een cloud.

Het lukt niet. Zonder smartphone lijkt er geen leven meer mogelijk. Ik zou niemand meer kennen. Mijn dagen zouden leeg zijn. Hoe zou ik nog iets kunnen weten?

5,5 kilometer zegt het horloge. Ik stop en wandel verder naar waar ik mijn rugzak met al mijn spullen heb achtergelaten. Straks geeft het horloge de gegevens door aan Apple, Google en al die andere datarovers. Hoe lang ik heb gerend en hoe ver. Maar niet waar precies want het horloge doet niet aan plaatsbepaling. Ik stel me het gat in mijn datawolk voor. Een vlek in de verzameling datakorreltjes. Een litteken dat nooit verdwijnt.

cc-foto: Matt Buck

In horrorfilms zie je wel eens apparaat of voorwerp dat behekst is. De hoofdpersoon verkeert in een overduidelijke staat van nietsvermoedendheid, lezend, tuinierend of tv-kijkend, de camera draait weg en een voorwerp komt in beeld, een kettingzaag, strijkijzer, tv-toestel of vleesmes, betekenisvol uitgelicht, de muziek zwelt clichématig aan zodat dertien beroemde componisten zich tegelijk omdraaien in hun graf en je weet hoe laat het is: dit ding gaat voor veel ellende zorgen.

Net als iedereen die naar horrorfilms kijkt, geloof ik niet in dergelijke onzin als een behekste kettingzaag maar is het lekker om je er bang door te laten maken. Zoals het vermakelijk is om naar vechtfilms te kijken ook al zou je nooit in een vechtpartij verzeild willen raken. Amusante nonsens, bedacht door creatieve filmmakers. Dat wil zeggen, zo dacht ik er tot voor kort over. Sinds enige tijd begin ik te vermoeden dat ik zelf zo’n ding bezit dat is weggelopen uit een horrorfilm. Of erger.

Het begon toen ik op een mooie zomerdag door de stad liep, de zon scheen, om me heen hing een wolk van zorgeloosheid en het leven lachte me toe. Letterlijk. Uit het niets klonk een heldere vrouwenstem.
Hé Francisco!
Ik keek opzij en daar stond ze te stralen: P. Het gekke was dat ik meteen wist wie ze was terwijl ik haar slechts vaag kende, van heel lang geleden ook nog. Het leek alsof ze niet ouder was geworden, knap, lange gouden lokken, een slank voorkomen waarmee je op Instagram in no time tienduizenden volgers haalt. Ik stak m’n hand uit maar ze omhelsde me nadrukkelijk, tot mijn verbazing.

Hoe is het met jou? Met langgerekte nadruk op dat laatste woord om de standaarduitdrukking minder sleets te maken.
Ja, goed. Met jou? antwoordde ik, schuchter van zoveel genegenheid.

Even later zaten we op een terras, haalden weggezakte herinneringen op en er ontstond een vertrouwdheid die je normaal alleen hebt met boezemvrienden. Ze bleek me al lange tijd te volgen in de media, wat me vleide. Ze was een vrouw van de wereld geworden en vertelde over haar succesvolle carrière, mislukte liefdes, grootse avonturen tot het op haar fascinatie voor het spirituele kwam. Dat ging wat verder dan het gebruikelijke doornemen van de horoscoop in het ochtendblad.

Ik zette m’n scepsisknop om en luisterde. Ervaringen met uit het lichaam treden, waarzeggers, handlezers, het oproepen van geesten, voorspellende dromen. Ik ben er als katholieke, met verhalen over engelen en duivels opgevoede jongen niet zo’n fan van maar ja, als je in vrijheid van godsdienst gelooft dan moet je de mensen ook wat gunnen. Ik luisterde, oordeelde niet, sloot niet uit dat er meer is tussen hemel en aarde, etcetera. 

De grens van m’n logicadimmer werd bereikt toen ze vertelde dat ze op een ochtend wakker was geworden na een nachtelijke ontmoeting met boze geesten in wat ik maar het onderbewustzijn noem, in de spiegel keek en zag dat haar haar was afgeknipt. Ze liet me een foto zien. Verdomd, het haar was er af alsof het opgevreten was.  Maar die blik van haar in de spiegel. Gestoord, dacht ik meteen in stilte en schrok daar nog meer van. Wat moest ik zeggen? Ik wilde het nu niet afdoen als onzin, daarvoor had ik al te lang kritiekloos geluisterd maar ik had ook geen zin meer dit aan te horen. Mijn horloge redde me. Goh, al zo laat, ik moet weg. Ze keek me ongelovig aan, stond er op af te rekenen en liep nog een eindje met me tot aan mijn verderop geparkeerde fiets. 

Wat heb jij nou voor fiets, vroeg ze op een verontwaardigde toon alsof er wel iets heel merkwaardigs aan de hand was. Ik keek naar het rijwiel waar ik anders alleen maar ondoordacht opstap maar zag niets bijzonders. Gewoon, van de Fietsenreus zei ik. Iets Oosteuropees geloof ik. 
Zóóó burgerlijk, niks voor jou. Ik had bij jou echt zo’n hip ding verwacht, iets bijzonders. Ze keek me aan met een blik alsof ik een ernstige ziekte had en nog slechts een paar maanden te leven. Ik voelde mijn in de afgelopen uren blinkend opgepoetste imago in elkaar donderen.
Nee joh, gewoon een fiets. Meer heb ik niet nodig, probeerde ik monter. Het is het nieuwe hip, wilde ik bluffen maar dat leek me bij nader inzien kansloos bij deze stijlkoningin. Had ik eindelijk eens een fan, verpestte ik het binnen de kortste keren. Een vluchtige kus op haar wang, die voelde als ijs. En weg was ze.

Die avond struinde ik hippe fietsensites af. Low riders, roze wielen, gerestylede bakkersfietsen, wereldrecordracers, ik onderzocht alle opties. Mijn god, wat een prijzen. En wat moest ik met zo’n fiets? Die wordt in no time gestolen. De gedachte liet me echter niet los. Of nee, het was geen gedachte, meer een obsessie. Ik moest een nieuwe fiets. Dat was wat er ontbrak in mijn leven. Zolang ik niet een geschikte fiets had voelde ik mezelf incompleet, naakt bijna. In mijn verbeelding zag ik me door de stad flitsen terwijl voorbijgangers afgunstig hun hoofd meedraaiden alsof ze een Lamborghini voorbij zagen komen.

Twee weken later slenterde ik met goede vriend en fietsexpert G, die ik deelgenoot had gemaakt van mijn kersverse existentiële verlangen, door de stad en we passeerden een fietsenzaak. Een aanbieding, een hybride stadsmountainbike voor de heft van de adviesprijs. Mat zwart frame, stoer stuur, gestroomlijnd zadel, 34 versnellingen, alleen de spatborden een beetje te plastic. Dat zie je niet als ik hard voorbij fiets, dacht ik. Het voelde ook alsof dit 'm moest zijn. Wat denk je? G trok z’n neus op. Weggegooid geld. Ik hoef de Tour de France er niet op te rijden, wierp ik tegen. G liep alweer naar buiten.

De volgende dag ging ik terug naar de winkel. Of ik een rondje mocht rijden. Het was niet gewoon fietsen, het voelde meer als een rodeo. Alsof ik het rijwiel in toom moest houden. Ik werd er nerveus van. Het is het laatste exemplaar, zei de verkoper. Ook dat nog. Ik kon er maar beter een speciaal slot voor nemen. Compleet met tasje voor aan het frame. Onrustig rekende ik af en reed op huis aan. Hij was nu van mij maar het leek alsof de fiets zelf er anders over dacht. Niets voelde natuurlijk. Kwestie van wennen, prentte ik mezelf in. Thuis gekomen wilde ik P een  'kijk mij eens'-plaatje appen maar haar nummer bleek verdwenen uit m’n contacten.

Een week later besloot ik een eerste grote tocht door de stad te maken, suisde bruggen af, ging liggend door bochten, met als sluitstuk de tunnel onder de rivier, een lange verlaten gang waar je heel veel snelheid kunt maken. Ik zou de fiets bedwingen en er heer en meester over worden. De snelheidsmeter kroop voorbij de 40 kilometer. Nu weer naar boven klimmen. Ik schakelde. Krak. Krak. De ketting liep er af en verbrijzelde de plastic tandwielbeschermer. Ik dacht aan G. Hij had gelijk gehad. Rotzooi. Ik vloekte.

Ik borg de fiets op in de garage en keek er een tijd niet meer naar om. Of nee, laat ik eerlijk zijn. Ik zag ‘m steeds staan. En iedere keer schaamde ik me. Waarom had ik dat ding in een vlaag van verstandsverbijstering gekocht? Het was niks voor mij. Ik ben geen wielrenman, dat is meer voor van die groepen weekendkameraden die samen slierten. Het bezit gaf ook helemaal niet het gevoel dat ik er van verwachtte. Een nieuw kledingstuk kan je het gevoel geven dat je beter bent dat gisteren, een nieuwe auto dat je vooruitkomt in het leven, een nieuwe foon dat je bij de tijd bent. De fiets gaf me niets van dat alles. Integendeel, het rijwiel gaf me een besef van overbodigheid. Ik had hem gekocht maar van bezit leek geen sprake.

Als ik er een nieuwe beschermer opzette kon ik ‘m misschien verkopen. Ik verzamelde moed en reed naar een fietsenmaker in de buurt, een vriendelijke Surinaamse jongeman waar ik wel vaker heenga. Hij kwam naar buiten en leek direct terug te deinzen bij de aanblik van de fiets. Daar heb ik geen onderdelen van, je moet naar de originele winkel. Voordat ik verder kon vragen was hij alweer naar binnen verdwenen. Vreemd, zo deed hij anders nooit.

Ik stapte op en reed richting de winkel van aanschaf. Ik voelde me licht in m’n hoofd alsof ik in de zon een glas rosé te veel had gedronken. Maar ik had helemaal niets op. Bij een druk kruispunt aangekomen, kneep ik in de rem. Meteen blokkeerde het voorwiel. Ik sloeg over de kop, de fiets buitelde achter me aan en over me heen. Van alle kanten spoedden mensen zich op me af. Alles goed, niks gebroken of bezeerd? Ik krabbelde overeind, nee wat schaafwonden en een kapotte kleding. Het gaat, dank u wel, erg aardig. Ik red me wel.

Opheffingsuitverkoop stond er op de etalage. Ik wilde de fiets op slot zetten maar ontdekte dat het hoesje aan het frame leeg was. Hoe kon dat nou weer? Ik zette het rijwiel half in de deuropening zodat ik ‘m in de gaten kon houden en liep naar binnen. De winkel leek geplunderd. Her en der lege schappen en nog slechts wat afgeprijsde modellen. Achter de kassa kauwde een overduidelijk ongeinteresseerd gothic-meisje op kauwgom. Ik zoek een tandwielbeschermer voor mijn fiets bracht ik voorzichtig uit, nog wat groggy van de val. We hebben die onderdelen niet meer, klonk het. Het was alles wat ze zou zeggen. Had ik haar van het ongeluk moeten vertellen? Medelijden moeten opwekken? Ze wekte de indruk dat het haar nog niet had kunnen schelen als ik uit Hiroshima was komen fietsen.

Ik reed naar huis en borg de fiets opnieuw op. Wat moest ik er nu mee? Geen beschermer, geen slot en geen zin er nog geld aan uit te geven. De garage stond vol met spullen maar iedere keer als ik de deur opende zag ik als eerste de fiets, ook al bevond die zich ergens achterin, gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. Een monument voor m’n onbezonnenheid. 

De lente brak weer aan, de zon scheen en ik besloot het er nog eens op te wagen. De banden opgepompt, het stof er af gewreven. Toch vreemd, een mooie fiets waar ik maar niet van kon houden. Het fietsen ging warempel makkelijker dan ik dacht, de voorrem blokkeerde niet meer bij de minste aanraking, het schakelen verliep vlekkeloos. Misschien moest ik ‘m toch maar houden. Ik kon met mijn kantoorbaan de beweging goed gebruiken, zeker nu ik de sportschool had opgezegd. Dit was beter dan als een zombie op een hometrainer zitten. Ik meende dat ik zelfs nagekeken werd. De mooie nieuwe sweatpants die ik droeg paste ook al zo goed bij de fiets. Dit was waar ik naar gezocht had. Ik voelde me een Parijzenaar in een eigentijdse foto van Doisneau, op weg naar volmaakt geluk.

Krrrstt. Het geluid van scheurend katoen. De tanden van het voorwiel hadden een gat in de broek gebeten. Ik vloekte, reed naar huis en kwakte de fiets in de garage.

Ik moet 'm naar achteren verplaatsen, dacht ik de volgende dagen als ik me langs de fiets wurmde om in de auto te stappen en die voorzichtig de garage uit te manoeuvreren. De auto paste maar net. Op de een of andere manier kon ik me er niet toe zetten de fiets op te ruimen. Ik wilde 'm niet meer aanraken ook al stond hij daar onhandig, dat zwarte monster. Ik moest 'm verkopen, wegdoen, niet weer opbergen. Een week later lette ik even niet op en reed bij het verlaten van de garage de zijspiegel van mijn auto er af. Weer schade. Ik pakte de fiets op en smeet hem naar achteren. Teringding, jouw schuld.

Daar ligt hij nu, het voorwiel protesterend in de lucht. Soms, als ik de deur open lijkt dat heel zachtjes te draaien. Als een uitgeraasd rad van fortuin tracht hij me uit te dagen nog een gokje te wagen.

Koloniaal leest de krant
Screenshot Buffalo Boys

Je ziet niet vaak een buitenlandse film waarin Nederlanders de slechteriken zijn maar Buffalo Boys laat er geen misverstand over bestaan. De debuutfilm van Mike Wiluan is een Indonesische western die speelt in de 19e eeuw. Ja, dat lees je goed: Indonesische western. Het is weer eens wat anders, geen spaghettiwestern maar een bami-western.

Twee in het Wilde Westen opgegroeide Indonesische mannen keren terug naar hun geboorteland en zien hoe gruwelijk de Nederlandse kolonialen daar huishouden. De bruutste misdadiger is ene Van Trach, gespeeld door Reinout Bussemaker. Als kijker realiseer je je ineens hoe het moet zijn om als naoorlogse Duitser naar films over de Tweede Wereldoorlog te kijken. Je begrijpt, de mannen kunnen de misdaden tegen hun volk niet over hun kant laten gaan. Ook al leert een wijze vrouw hen dat vergeving beter is dan wraak.

Buffalo Boys wordt wel vergeleken Django Unchained. Dat is naar mijn mening een te groot compliment, al heb ik de film van Tarantino nooit gezien. Niettemin is Buffalo Boys knap gemaakt, met vechtscenes waarin Amerikaans vuurwapengeweld wordt gemengd met Oosterse vechtsport. Het bloed vloeit rijkelijk. De gruwelijkheden laten weinig aan de fantasie over. Even lijkt het zelfs of de film een feministisch trekje krijgt maar die belofte wordt helaas niet waargemaakt.

Verder veel curiosa, zoals dat de kolonialen Engels spreken - White Only, zegt het bord naast de deur van de Indische saloon - maar wel een Nederlandse krant lezen. Die dan weer opvallende taalfouten bevat. ‘Opstandelingen zouden veroordeeld dood’ zie je in een flits staan. Met dank aan Google Translate vermoedelijk.

Google leert ook dat er in de 18e eeuw ergens een baron Van Trach leefde maar dat is vast toeval want de regisseur stelt nadrukkelijk dat het verhaal bij elkaar is verzonnen. Al is het helaas geen verzinsel dat Nederlandse kolonialen als beesten tekeer zijn gegaan. Dat het er in werkelijkheid wat minder Game of Thrones-achtig aan toe ging, doet daar niets aan af.

Buffalo Boys is geen meesterwerk maar biedt prima vermaak en is zeker het kijken waard. De film, een Indonesische-Singaporese productie, was de officiële inzending van Singapore voor de Oscars van 2019. Ik huurde de film via de Amerikaanse iTunes-store (ooit geregeld via deze methode) en heb geen idee wanneer die in Nederland beschikbaar is. Ik hoop eigenlijk dat hij hier in de bioscoop gaat draaien. Zou waarschijnlijk ook goed zijn voor de discussie over het koloniale verleden.