Spring naar inhoud

Op Down The Rabbit Hole bezocht ik de Speakers Corner, een soort open ronde tent waar mensen op de grond in een kring gaan zitten alsof er een kampvuur knappert. Dat vuur was er niet. Het was wel heet, 32 graden minstens, want midden op de dag met een zon die oefende in laseroorlogvoering. Twee vrouwen, Eva Crutzen en Yvonne van den Eerenbeemt, presenteerden er verhalenvertellers. Mensen uit het publiek worden uitgenodigd naar voren te komen en een eigen verhaal te vertellen, mooi, spannend of gewoon bijzonder.

Een meisje vertelt hoe ze in haar eentje op het festival is beland, voor het eerst in haar leven en nu een maatje heeft gevonden, een man die geen nee kan zeggen verhaalt over hoe hij een vage dakloze bekende in huis haalde die xtc-handelaar of serie-moordenaar leek, een andere man praat over hoe hij zijn grote liefde ontmoette omdat hij pech kreeg met een auto. Verhalen die meanderen, met bizarre wendingen, komische voorvallen en vaak eindigen met een bevrijdende lach. Er wordt geboeid geluisterd, geglimlacht, sommige ogen glinsteren. Dit is het leven zoals het moet zijn.

Na ieder verhaal doet Eva een oproep, heb je een verhaal, kom naar voren. Vingers gaan aarzelend in de lucht. Ik zou sowieso m’n vinger niet durven opsteken maar begin me wel af te vragen welk verhaal ik zou vertellen.

Ik zoek mijn geheugen af. Het is alsof mijn hersenpan een verwaarloosde zolder is geworden waar ik rondstruin, speurend naar geschikte herinneringen. Een leuk verhaal, dat moet ik toch wel ergens hebben liggen. Maar ik vind niet meer dan stof, spinnenrag en dozen met oude administratie. Langzaam zwelt er een gevoel van paniek aan.

Ik probeer grappige voorvallen voor de geest te halen maar zie mezelf alleen maar in de file staan. En als ik dat niet doe dan is het ellende. Nee, niet die keer dat ik beroofd werd, te heftig. Niet de tak die mn schedel binnendrong en mn hersens op een haar na miste. Niet dat ik met een dolverliefd hoofd de stad volplakte met amoureuze affiches, gearresteerd werd en zij een ander tegenkwam. Allemaal ellende of teveel kijk mij nou. Of allebei. Wat zouden ze wel niet moeten denken. Niet leuk bovendien. Nergens een lach te bekennen. Kon ik die verhalen niet opleuken? Nee, niets.

De tent voelde als een loeiende magnetron met mijn geheugen als diepvriesmaaltijd die verminkt wordt. Zwartgeblakerd maar van binnen toch nog een ijsklomp.

Ik bleef luisteren maar werd steeds meer bekropen door een gevoel dat ik niets meemaak, dat terwijl het leven van anderen bruist dat van mij slechts verdampt. Ik zag mezelf liggen op mijn sterfbed, terugblikkend op een groot zwart gat. Misschien zou ik kunnen vertellen dat ik iemand ben die niet weet hoe te leven. Dat ik feestjes na uren verlaat zonder met iemand gesproken te hebben. Dat ik namen en gezichten vergeet alsof het barcodes zijn. Dat ik niks wil doen wat iedereen doet en daarom niks doe.

Maar wie interesseert dat wat? Je gaat toch ook niet luisteren naar iemand die vertelt dat hij aan de voet van de Mount Everest is blijven steken omdat hij toch geen zin bleek te hebben. Ik denk aan de boeken over het leven dat ik leid. Walging van Sartre. Een Zwakke van Coenen. Wie leest die nog? Misschien is er een tijd geweest dat geen leven hebben juist het leven was. De heremiet in de grot. Maar dat was dan voor mijn tijd. Zie je wel.

Er klinkt applaus. M’n maag draait zich om. Straks weer iemand met een geweldig verhaal. En ik? Ik kan alleen maar vertellen dat ik het gehoord heb. Mijn ervaringen zijn die uit het leven van anderen. Het is een soort couchsurfen met andermans herinneringen. Ik moet zelf gaan leven. Iets doen, meemaken. Iets.

De bezoekers staan op en gaan uiteen in groepjes. Ik kom moeilijk overeind, mijn benen slapen. Ik leid geen leven, ik onderga het. Ik grijp naar m’n phone, die digitale drug tegen sociaal ongemak. Ik scroll door de timeline en like er op los. Langzaam keert de kalmte terug. Dit is mijn leven, dat van anderen liken.

Goed proberen te leven is nog niet zo eenvoudig. Dat merk je als je op social media iets deelt. Ik schreef een stukje over dat ik 12 kilo was afgevallen, waar ik zelf wel tevreden over was, maar ik had buiten de geluksverbranders gerekend. Een vond dat je sowieso niet slank mag zijn als je ouder wordt want dat staat lelijk. Dat was een double whammy: het is niet alleen slecht dat ik ben afgevallen, ik word er ook nog eens lelijker van. Een ander meldde dat hij ook wel eens 15 kilo was afgevallen maar nu 17 kilo zwaarder was. Dus prijs je maar niet gelukkig. Kortom, prettig vooruitzicht.

Dat is het knappe van negatieve comments, ze weten perfect al je onzekerheden op te sporen en aan te wakkeren. Oud, lelijk en straks dikker dan ooit. Ik ben er nog steeds niet achter of dat een bewuste strategie is - met als nog nerveuzer makende conclusie ‘o jee, ik ben transparant, iedereen ziet alles’ - of toeval. Waarschijnlijk dat laatste.

Het extra nare is ook nog eens dat negatieve comments altijd meer impact hebben. Twaalf mensen kunnen vol bewondering constateren dat je iets geweldigs hebt gedaan, de dertiende die roept dat het puur geluk was en niets voorstelt, maakt de meeste indruk. Dat zie je ook wel terug bij mensen die klagen over negatieve comments, soms zijn het er in de praktijk heel weinig en moet je er echt naar zoeken in zee van loftuitingen. Dat wil niet zeggen dat de kutopmerkingen er niet te doen. Juist wel. Dat wijnvlekje op je witte overhemd is meestal ook heel klein maar voldoende om het hele kledingstuk te verpesten.

Ik vraag me wel eens af of de mensen die dergelijke reacties plaatsen, enig idee hebben van wat ze eigenlijk doen. Het is aantrekkelijk om te denken dat het compleet verzuurde types zijn die, gefrustreerd over hun mislukte leven, driftig aan het tikken slaan om als wraak op de wereld en hun eigen bestaan het humeur van anderen te verzieken. Maar dat is denk ik te veel eer. Het is vermoedelijk gewoon lompheid. En dan niet eens bewust.

Sterker nog, waarschijnlijk denken ze zelf je een dienst te bewijzen met hun ‘kritiek’. Het erge is dat dat nog klopt ook. Negatieve comments die echt raken, slaan meestal weliswaar de plank mis op het onderwerp zelf, maar maken je wel bewust van onzekerheden die je anders negeert. In die zin kun je ze ook ten goede aanwent. Als je die onzekerheden kent, kun je er vaak ook wat aan doen. Dan wordt je leven beter en heb je er een volgende keer geen last van.

Zo win je toch nog van de zeurkousen. Al denken die daar zelf vast anders over.

Zijn we de afgelopen decennia truttiger en bekrompener geworden? Die vraag bekroop me toen ik in het Fotomuseum de tentoonstelling Lust for Life met werk van Ed van der Elsken zag. Met ‘we’ bedoel ik natuurlijk niet mezelf of jullie maar de anderen, de 'we' die je kent uit zinnetjes als ‘wat denken we te gaan doen’, de passief agressieve 'we', om het kort samen te vatten gewoon iedereen die anders is dan ik.

Dus zijn we de afgelopen decennia truttiger en bekrompener geworden? Op de foto’s van Van der Elsken zie je mensen die vrijheid uitstralen, met hun lach, hun kleding. Ze leven intens. Zelfs de hongerigen, zelfs de verschoppelingen. Het is een soort mens dat je niet meer ziet als je over straat loopt, behept met een mentaliteit die je associeert met hippies: vrijheid, blijheid. Soms ook letterlijk. 

Zandvoort, 1976

Tussen de foto’s hangt een beeld van de Amsterdamse vrijstaat Ruigoord uit de jaren ‘70. Vrolijke levensgenieters. Ik kijk er naar en merk dat ik onwillekeurig reageer met de weerzin die meestal wordt opgewekt door afgunst. Je zult maar zo moeten leven. Hoe lang heeft dat geduurd? Zouden ze er met tevredenheid op terugkijken? Hadden ze hun tijd niet beter kunnen gebruiken? Het is een reactie die nergens op slaat, die ik niet heb bij andere beelden. 

De Ruigoord-foto laat mensen zien die ervoor kozen zich aan alles te onttrekken, een keuze die ik nooit zou durven maken. Ik weer dat af met kritiek. Ik wijs hen af omdat ik misschien wel zo had willen zijn. Anders gezegd: de Houellebecq in me komt naar boven. De afkeer van de vrijheid van anderen. Ik wist niet dat ik m in me had. Nou ja, vermoedde misschien wel. In me zit immers alles. Van tedere geliefde tot kille moordenaar. De een koester je, de ander onderdruk je als hij bijvoorbeeld uit het niets tevoorschijn komt bij de confrontatie met kassavoordringers of wegpiraten. Dood moeten ze. Dat is niet goed. Je stopt de moordenaar terug in je hok, je innerlijke kerker.

Houellebecq is de geest van deze tijd, hoezeer ik z’n werk ook verafschuw. Niet Henry Miller of Anais Nin, niet Erica Jong of Jan Cremer. Niet Jean-Paul Sartre of Simone de Beauvoir. Houellebecq, de vleesgeworden grijsheid. Aan de andere kant is het begrip tijdgeest natuurlijk een verzinsel. Er is niet zoiets als een tijdgeest.  Het is een poëtische manier om de schuld bij anderen te leggen, een schaamlap voor je eigen onvermogen. 

Chili, 1971

Terug naar de jaren 60-70, Vrijheid, blijheid. Dat stralen de foto’s uit. Als het er niet op te zien is dan is het gemis ervan een aanklacht. Je ziet mannen in zwarte pakken, het zijn dictators.  

Ik leerde het werk van Van der Elsken kennen toen ik 18 was en zelf fotograaf wilde worden. Zijn boek Eye Love You was toen net verschenen. Ik herinner me dat het me opviel dat zijn werk niet zo politiek was als dat van andere sociale fotografen, zoals ze destijds genoemd werden. 

Nu zie ik dat ook Van der Elsken politiek was, maar op een andere manier, oppervlakkiger en tegelijk dieper. Menselijker. Het maakt dat zijn werk nog steeds actueel voelt. De titel van de tentoonstelling doet zijn werk eer aan. Wie de foto’s ziet raakt vervuld van levenslust.

Vlaanderen, 1968

Eenmaal weer buiten kijk ik om me heen. Nergens kleurige kleding, noch lachende mensen. Nergens vrolijkheid. Nergens vrijende stelletjes. Nergens de liefde die er in zoveel foto’s vanaf spat. Allemaal keurige burgermensen, opgejaagd door verveling, gekleed in de grauwe, donkere kleuren die al jaren in de mode zijn. Het komt door mij, niet door de mensen denk ik gauw. Het kan niet waar zijn. De cultuurpessismist in me is waarschijnlijk naar boven gekomen, zo iemand die het verleden prachtig en de toekomst lelijk vindt. Snel terug in de kerker gooien.

Ik sla aan het rationaliseren, een effectief middel tegen ongewenste gedachten. Van der Elsken was een mensenfotograaf, hij wond zijn onderwerpen om z’n vinger met z’n sympathieke verschijning. Hij besmette ze met zijn joie de vivre. Dat is wat je op de foto’s ziet, denk ik. Op iedere foto zie je Ed van der Elsken, in de gedaante van iemand anders.

We zijn nu gelukkiger dan toen, houd ik mezelf voor, als een leerling van Hans Gosling, de optimistische statisticus die te jong is overleden. We leven gezonder. We hebben meer keus. We mogen meer. We zijn rijker. We zijn gelukkiger. Je ziet het alleen niet als je je laat beïnvloeden door de algemene beeldvorming.

Bangladesh 1974

Het is een geruststellende gedachte. De mensheid is heus niet veranderd. We zijn nog steeds even vrolijk en fleurig als toen. We zijn nu zelfs vrijer. In alle opzichten. Van der Elsken trok de wijde wereld in toen dat nog zeldzaam was. Hij ging naar India en toonde ons in bladen als Avenue de onbekende wereld. Dat is niet meer bijzonder. Die bladen hebben hun functie verloren en zijn verdwenen. Nu reageer je als iemand zegt naar India af te reizen met ‘voor hoeveel dagen’? Alles wat Van der Elsken toont is gewoner geworden, daarom herkennen we het juist niet meer, denk ik bij mezelf als ik over de Erasmusbrug richting het centrum van de stad loop. 

Dan zie ik de file langzaam rijdende auto’s op de brug. Ze zijn bijna allemaal grijs of zwart of anderszins donker gekleurd. Ineens realiseer ik me dat ze op de foto’s van Van der Elsken veertig jaar terug nog fel en vrolijk gekleurd waren. Daar kiezen we nu niet meer voor. Onpraktisch. Oneconomisch. Dat zal het zijn, maar je maakt mij niet wijs dat grijs de kleur van geluk is.

Lust for life. Ed van der Elsken in kleur. Ga ‘m zien.

Vanochtend op het drukke station waar een massa forenzen paraat stond om een binnenkomende trein te enteren, zag ik een hele strook perron die vrijwel leeg bleef van reizigers. Eerst dacht ik dat het misschien de plek was waar de eerste klas rijtuigen stil komen te staan. Aan dat rijdend reservaat heeft de gemiddelde forens immers niets bij de jacht op een vrije zitplaats. Dat al die mensen precies weten waar zo'n trein stopt, dacht ik verbaasd. Ik word altijd een beetje nerveus als ik meen dat anderen over kennis beschikken waar ik onwetend van ben. Je begrijpt, ik leid mijn leven in een staat van permanente stress.

Pas toen ik zelf over het vrijwel lege perrongedeelte liep merkte ik wat er werkelijk aan de hand was. Of liever gezegd, ik rook het. Het lege gebied was de gebruikerszone voor nicotineverslaafden. Typisch, zo'n gebied dat vijftien jaar geleden nog overbevolkt was, bleek nu verlaten. Wie had dat ooit kunnen denken?

Even later zag ik voor het eerst dat er op de perrons V-borden hangen die aangeven hoeveel seconden het duurt voordat de treinwagondeuren gaan sluiten. Fascinerend. 5,4,3,2, het leek Cape Canaveral wel. Behalve dan dat na de 0 niet de take off volgde. De deuren gingen weliswaar dicht maar de trein bleef nog even staan. Een jongen kwam aanstormen van de trap, drukte met enige wanhoop op de knop van de deuren maar er gebeurde niets. Nog een keer, tegen beter weten, zoals iedereen dat ook doet als een lift te lang op zich laat wachten. De trein zette zich in beweging en de jongen keerde zich om. Hij lachte, zoals je kunt lachen als je iets verliest, een weddenschap, een partij schaak of een doelpunt net mist. Ik vond het knap. Lachen in plaats van vervloeken. Ga ik voortaan ook proberen.

Er was nog een andere verandering. Ik stond op het punt ‘s ochtends de auto naar mijn werk te pakken maar zag daar op het laatste moment toch maar vanaf. Legde de autosleutels terug in het sleutelrek - iedereen die lijdt onder het voortdurend kwijt zijn van sleutels kan ik die aanvulling op je woninginrichting aanraden, het verlengde mijn levensverwachting met minstens 5 jaar wegens afname stress en wanhoop - en vulde mijn rugzak met een ns-survival pakket (water, fruit, koptelefoon, boek).

Ik kan een heel vertoog houden over hoe ik milieubewuster ben geworden, dat de planeet er aan gaat, etcetera, maar de waarheid is gewoon dat ik de files niet meer trek. Het is tijdverspilling. Ja, ik kan podcasts luisteren en vertrouwelijke telefoongesprekken voeren in m’n forenzenbolide maar zelfs dat weegt niet meer op tegen de file-ellende. File-rijden kost niet alleen veel tijd, het is ook ontzettend vermoeiend.

En ik wilde lezen. Ik ben bezig in dat prijswinnende boek van Rob van Essen. Het is zo’n boek dat je moet verslinden, dat je leest zoals je een marathon loopt, doorgaan, doorgaan. Tenminste dat vermoed ik want ik heb natuurlijk nooit een marathon gerend.

Had ik ook nooit gedacht, dat ik uit praktische overwegingen niet meer met de auto zou willen, dat symbool van vrijheid uit de 20e eeuw. En omdat ik meer wil lezen. De file krijgt voor elkaar wat al die andere maatregelen niet lukte.

Nu zat ik in de trein en hoorde ik een gesprek achter me over de voor- maar vooral nadelen van cocaïnegebruik. Zo snuif je onverwacht ook nog wat extra kennis op.

Die drie wijze lessen kreeg ik vanochtend zo maar gratis opgediend. Dus regering, als je de aarde wilt redden, het verkeersprobleem wilt oplossen, de literatuur wilt stimuleren en de mensen tot elkaar wilt brengen: versmal de wegen. Bij het ontmoedigen van roken werkte dat ook. En blijven lachen, dan valt het allemaal mee.

In de krant las ik een interview met een vrouw die silent disco's organiseert. Ze was er heel enthousiast over, zoals mensen die geïnterviewd worden over hun werk meestal zijn. Zelden dat je in zo'n interview de stemming terugleest die je 's ochtends wel eens in de trein ervaart, die van galeislaven en onzichtbare ketenen, gezichten zonder uitdrukking, blikken zonder hoop of plezier die in het niets staren, hooguit dapper gedragen ergernis. Daarvoor moet je niet de krant maar romans lezen. De krant vertelt je wat over de wereld, literatuur over het leven.

cc-foto: Lee Carson
cc-foto: Lee Carson

Maar goed, de silent disco rukt op. Hele bedrijven geven zich er aan over op personeelsfeesten, vertelde ze. Dat is meestal de ultieme graad van succes, dat bedrijven het ook gaan doen. Ga maar na, de balpen, de muismat, de usb-stick, de led-zaklamp, de dopper, ze werden allemaal pas een echt succes toen ze als relatiegeschenk werden ontdekt door het bedrijfsleven. Het succes reikt zo hoog als de hoogste afvalbergen.

Ik werd er helemaal sip van. Wanneer zou de eerste silent disco tijdens een begrafenis gehouden worden, vroeg ik me af. Eerst was het een cynische gedachte maar na met het idee gespeeld te hebben leek het me plots ideaal. Eindelijk stilte die niet ongemakkelijk is. Ja het is absurd, maar daarom gaat het vast gebeuren. Je had ook vast nooit gedacht dat mensen selfies zouden gaan maken bij de kist.

Hoewel. Een paar jaar geleden dacht ik dat de silent disco de concertzalen zou gaan veroveren. Iedereen zijn eigen koptelefoon op. Perfect geluid en een prima remedie tegen de ouwehoerterreur tijdens optredens. Maar na wat experminenten heb ik er nooit meer wat over gehoord. Hypes hebben hun eigen onnavolgbare logica.

Sommige mensen vinden het vreselijk, vertelde de silent disco eigenaar lachend in de krant. Te onpersoonlijk. Ik moest denken aan de vriend die oprecht boos werd toen ik hem jaren geleden het fenomeen voor het eerst toonde op de Parade. Hij keek alsof hij voor zijn ogen de Titanic zag zinken. Dit is de wereld die ik vrees zei hij. Zombies die geen enkel contact met elkaar hebben. Kom, kom, zei ik, omdat ik me altijd verplicht voel tot optimisme. Deze mensen hebben gewoon lol.

In de trein keek ik om me heen. Toen zag ik het pas. Driekwart van de passagiers had oortjes in. We leven al in een silent disco.

82

CC foto: icanteachyouhowtodoit
CC foto: icanteachyouhowtodoit

De Troonrede die de koningin, gehuld in een crisisbestendige oud-roze robe, zojuist voorlas bevat deze opvallende passage:

"Gebrek aan integratie van sommige groepen in de samenleving, onfatsoenlijk en respectloos handelen van velen in de openbare ruimte en crimineel gedrag van groepen jongeren blijken hardnekkig en veroorzaken veel maatschappelijk ongenoegen.
De regering treedt daarom niet alleen consequent op tegen plegers van delicten maar pakt ook oorzaken van problematisch gedrag aan. De samenwerking van justitie, politie, gemeenten, reclassering en jeugdzorg is daarvoor essentieel."

Het gebrek aan integratie wordt in één adem genoemd met crimineel en onfatsoenlijk gedrag. Is dat terecht? Vrouwen die de hele dag binnen blijven omdat iemand ze heeft wijsgemaakt dat de omgang met mannen slecht is moeten weliswaar integreren, net als de achtergebleven mannen die slecht Nederlands spreken, maar met criminaliteit of onfatsoenlijk gedrag heeft dat weinig te maken.
Eerder is het tegendeel waar.
Vorige week nog bleek uit een onderzoek dat het juist de geïntegreerde jongens zijn die in de cel belanden. Die willen een levensstijl die ze met eerlijk werken amper kunnen bereiken en gaan op dievenpad.

De twee zaken - integratie en criminaliteit - met elkaar combineren is Wilderstaal.

Maar ik stoorde me vooral aan de opmerking "onfatsoenlijk en respectloos handelen van velen in de openbare ruimte". Dat is SIRE-denken. Dag in, dag uit horen we spotjes dat 'we' asocialer worden. Onbewust asociaal noemen ze het zelfs, als een maatschappelijke aandoening die nog niet ontdekt is.  Want 'we' gooien bijvoorbeeld afval op straat.
Dat is asociaal gedrag maar gebeurt het ook meer dan vroeger? Nee, we zijn het wel erger gaan vinden. Dat laatste is een goede ontwikkeling maar het is volstrekt verkeerd om daar het beeld van te maken dat het vroeger anders was.
Dertig jaar geleden gooiden chauffeurs standaard al het afval uit hun raampjes. Dat werd toen niet als asociaal gezien. Nu wel.

Gooien velen hun rotzooi uit het raam? Misdragen velen zich in de openbare ruimte? Nee, het zijn de uitzonderingen, ze vallen daardoor steeds meer op en we tolereren dat gedrag - terecht - steeds minder. Dat is een gunstige ontwikkeling. Maar de aan normen & waarden verslaafde premier brengt het alsof we afglijden richting het einde der tijden. Net als in zijn favoriete boek. Vooruitgang wordt gebracht als verval. Dat is maatschappelijk ongenoegen kweken. Moet zo'n man de crisis overwinnen?

In de jaren tachtig kreeg premier Lubbers de volle laag omdat hij de koningin liet zeggen dat "het milieu, met name het water, schoner werd". Hoe durfde hij dat te beweren, riepen de doemdenkers die streden tegen milieuvervuiling. Respectloos vonden ze het.

Maar Balkenende is geen Lubbers. Hij lijkt ingesmeerd met groene zeep en krijgt veel minder kritiek. Dus met het overdrijven van ons gebrek aan omgangsvormen zal hij ook wel wegkomen.

Respectloos.

UPDATE: Er is iets mis met het commentsysteem waardoor slechts een klein deel te lezen is.
UPDATE_UPDATE: Eerdere comments staan hier, hier en straks hier 🙂