Spring naar inhoud

Een vriendin voor wie het leven de laatste tijd niet zo lief is bekende me dat ze nadacht over parkieten. “Die had ik vroeger als kind. Ik leerde ze allerlei trucjes en had er echt een band mee. Als ik nu in mijn lege huis zit verlang ik er naar, naar dat gevoel.”

Ik hield m'n adem in. Zoals ik me als vegetariër ooit heb voorgenomen nooit, maar dan ook nóóit, iets te zeggen over het dodediereneetgedrag van vrienden, zo wil ik dat ook niet over levende huisdieren doen. Soms breekt m'n hart als ik een goudvis in een kom zie - een marteling waar ze meestal snel aan sterven, terwijl goudvissen wel dertig jaar oud kunnen worden - of hamsters in een kooi die onschuldig tot levenslang zijn veroordeeld. Om maar te zwijgen over vogels. Heb je vleugels, het ultieme instrument voor vrijheid, word je in een kooi gestopt. Alsof je een hongerige de mond dicht naait.

Ik perste m'n lippen op elkaar. Geen zucht of knor zou klinken. Zelfs geen afkeurende blik, al was dat overbodig want we spraken over de telefoon. Ik vreesde het lawaai van de stilte die dreigde te vallen. Wat moest ik dan zeggen?

“Maar ik doe het toch maar niet,” vervolgde ze en ik slaakte een onhoorbare zucht van verlichting. “Eentje in een kooi is zielig, dus dan moet je er twee en dat is weer zo’n gedoe.” Voorzichtig zei ik dat zelfs twee niet voldoende is, dat parkieten groepsdieren zijn. Weer snel de lippen op elkaar. Een ander onderwerp kwam aanvliegen en we hadden het er niet meer over.

Toen het gesprek eenmaal beëindigd was, keek ik de lege kamer rond, mijn vrijwillige kooi. Ik kon me haar verlangen zo goed voorstellen. De simpele, troostrijke band tussen mens en dier. Al is die helaas meestal troostrijker voor de mens dan voor het dier. Het dier moet vooral getroost worden omdat het veroordeeld is tot gevangenschap. Voor ons plezier. Zouden we dat niet anders aan kunnen pakken?

Ik zie ze vaak in het Park, zoals het park hier in Rotterdam echt heet. De halsbandparkieten. Ik noem ze papegaaien want dat maakt ze spannender, zoals de kat van de buren aan aanzien wint als je 'm beschouwt als straattijger. Ze wonen niet echt in het Park want ze slapen elders en je woont nu eenmaal niet waar je verblijft maar waar je slaapt. Die slaapplek is ergens in het noorden van de stad, waar ze met z’n duizenden overnachten. In het Park hangen ze overdag rond in kleine groepjes van tien, vijftien stuks. Hangen is het juiste woord want ze zitten niet alleen op boomtakken, ze hangen er ook aan, ondersteboven als ze met hun snavel of vrije poot een noot te pakken willen krijgen die net iets te ver hangt. Felgroene acrobaten zijn het.

Als de schemering valt zie ik ze het vaakst. In groepjes trekken ze dan vanaf de hoek van het Park, bij de Noorse zeemanskerk over de kale GJ de Jonghweg naar de Heemraadssingel waar veilige grote bomen staan. Ze vliegen laag en snel, als de dood voor roofvogels, en roepen ondertussen luid naar elkaar. Misschien iets over de te volgen koers, verraderlijke plekken, de smaak van de genuttigde nootjes of wie met wie de nacht gaat doorbrengen.

Als je ze eenmaal een keer gezien hebt vallen je ze elke avond op. Het maakt je leven vrolijker. Een vriend die ik op hun bestaan gewezen had, appte me een clipje van een vrouw in een Londens park die omgeven werd door de parkieten. Want ze had nootjes en waarom zou je ondersteboven aan een tak gaan hangen als je ze toegestopt kunt krijgen? Dieren zijn net zo gevoelig voor mcdonaldisering als mensen. In de steden eten vossen 's nachts het fast food uit de vuilnisbakken.

Can you believe this is in a London Park?! from r/gifs

Ik stelde me voor hoe het zou zijn als we met al die dieren in de stad een echte band op zouden bouwen. Zoals de vriendin met haar parkietjes. Niet alleen maar voeren. Ze van elkaar kunnen onderscheiden want de karakters van die parkieten, maar ook veel andere diersoorten, verschillen nogal per individu. Elkaar begroeten, aankijken, misschien een beetje geiten, verder niks. Een paar parkieten 's ochtends op het balkon, een spitse blik van de vos, konijnen die aan komen huppelen. Alleen de muggen zouden een probleem blijven, bedacht ik. Schaaltjes bloed klaarzetten misschien, vrijwillig bij de buren afgetapt.

Dat klinkt sprookjesachtig en naïef - Jungle Book in de stad - maar als je de documentaire Kedi over de katten van Istanbul bekijkt dan komt het beeld dat daar te zien is toch aardig in de buurt. De katten wonen op straat, zijn van niemand, maar worden door heel veel mensen verzorgd, gewaardeerd en verder met rust gelaten.

Dat zijn natuurlijk katten, een van de weinige dieren waar mensen meer interactie mee aangaan dan alleen maar voeren. De halsbandparkieten zullen over vijftig of honderd jaar waarschijnlijk gewoon alleen de nieuwe stadsduiven zijn. Gelukkig wel ontsnapt aan de kooi.

cc-foto: Frank Vassen

Dit verhaal gaat niet over theater, al lijkt het wel zo. Maar daar kom je pas op het einde achter, zoals vaak bij theater.

In Londen ging ik naar het theaterstuk Calculating Kindness, over de bizarre lotgevallen van de wetenschapper George Price. Een waargebeurd verhaal.

calc2

Als chemicus was Price in de VS betrokken bij het Manhattan Project, de ontwikkeling van de atoombom die uiteindelijk op de Japanse steden Hiroshama en Nagasaki werd gedropt en naar schatting een kwart miljoen mensen doodde. Je zou denken dat je dan je bijdrage aan de wereldgeschiedenis wel geleverd hebt maar voor Price was dat niet voldoende. Hij wilde hoogstpersoonlijk impact hebben op de wetenschap en geschiedenis.

In 1967 liet hij zijn ex-vrouw en twee dochters in de steek, stak de oceaan over en meldde zich in Londen bij de beroemde evolutionair bioloog W.D. Hamilton die op zoek was naar een wetenschappelijke verklaring voor altruïsme. Price ging bij hem werken en bedacht een wiskundige formule die altruïstisch gedrag beschrijft. Die naar hem vernoemde Price-vergelijking was een doorbraak en wordt nog steeds toegepast.

Maar dat was niet voldoende voor Price. Hij wilde ook nog verklaren waarom hij de verklaring voor altruïsme gevonden had. Jezus. En inderdaad: vervolgens bekeerde hij zich radicaal tot het christendom. Radicaal in de zin dat hij, geheel indachtig de woorden van Jezus, een afkeer van hebzucht en bezitsdrang ontwikkelde. Hij nam daklozen in huis, deed afstand van alles en raakte aan de rand van de afgrond. Uiteindelijk beroofde hij zichzelf in 1975 van het leven, op een steenworp afstand van het theater waar de voorstelling over zijn levensloop nu werd opgevoerd.

Iemand zou eens moeten proberen het levenslot tot een wiskundige formule terug te brengen, zodat je genoeg hebt aan een zakcalculator om de fabelachtige logica van het bestaan te doorgronden.

Het Camden People's Theatre is een heel klein theater, ik telde vijftig stoelen, en de voorstelling zelf deed een beetje aan De Parade denken vanwege het zeer creatief gebruik van decor, klein podium en de 3 acteurs die verschillende rollen vervullen. Met als verschil dat de voorstelling in tegenstelling tot een gemiddelde show op het tentenfestival ruim anderhalf duurde, naar mijn mening een uur te lang. De Time Out vatte het mooi samen:

"Tegen het einde van het stuk schreeuwt Price uit: 'Ik heb een wiskundige vergelijking geschreven waaruit ik niet kon ontsnappen!' (...) Maar voor het grootste deel van de tijd is het juist het publiek dat zich opgesloten voelt in dit volgepakte en veeleisende stuk."

Tja, daar hadden ze wel een beetje gelijk in. Jezus, wat verlangde ik er naar te ontsnappen uit de zaal. Maar weggaan was geen optie want dan zou ik de voorstelling voor iedereen te verpesten. In die zin sloeg de titel Calculating Kindness onverwacht op je eigen gedrag tijdens de voorstelling. Wat gebeurt er als ik nu weg ga en kan ik dat maken, zat ik te rekenen.

Dat was trouwens wat mij betreft niet zozeer vanwege het acteerwerk of script als vanwege de temperatuur in de uitverkochte zaal. Ik voelde me als een croissant op de vroege zondagochtend, in de oven van een bakker. Het was zo snikheet dat ik om aan de benauwdheid te ontkomen de neiging kreeg me te ontkleden tot een niveau dat het personeel de politie zou bellen. Hoewel dat in Londen geloof ik minder snel wordt gedaan want aan het uitgaanspubliek te zien houden Britten nogal van schaarse kleding. Ik dacht ter afkoeling aan de letterlijk huiveringwekkende taferelen op straat tijdens de uitgaansavond waarop de kou driftig experimenteerde met het verschil tussen thermometerniveau en gevoelstemperatuur. Mannen in t-shirts en korte broek, vrouwen in outfits die doen denken aan de Costa Brava in augustus, terwijl mijn blik de straat afspeurde naar ijsmeesters omdat het voelde alsof er ieder moment een Elfstedentocht kon beginnen.

Het oproepen van verkoelende beelden hielp niet. Braaf als ik ben hield ik natuurlijk al mijn kleren aan en wachtte onhoorbaar puffend op de verlossing. En toen, bijna aan het einde van het stuk, viel me iets merkwaardigs op dat niets met de voorstelling te maken had.

Er werd listig, maar soms ook wel een beetje obligaat, gebruik gemaakt van geluid, om de beperkingen van het superkleine podium te overwinnen. Op het moment dat Price overleden is, staart zijn makker zwijgend het publiek in en klinkt in de verte het geluid van kraaien. Meteen denk je 'ah, de begrafenis'.

Die reflex hield me daarna nog bezig. Ik heb al te vaak begrafenissen bijgewoond maar ik kan me geen enkele kraai herinneren die tijdens zo'n gebeurtenis opdook. Toen ik het geluid hoorde zag ik weliswaar meteen het beeld voor me van kraaien die zweven rond een kerktoren, zoals ik dat ken uit mijn jeugd, maar bij die kerk werden geen mensen begraven.

Kraaien worden in de beeldvorming geassocieerd met de dood maar ik kon zo gauw geen beeld oproepen dat die relatie bevestigt. Althans niet bewust. Onbewust was dat natuurlijk al wel gebeurd doordat ik meteen wist dat kraaien met dood te maken hebben. Zoals je bij zwarte katten denkt aan ongelukken, terwijl ik nog nooit een ongeluk door een zwarte kat heb meegemaakt.

We worden in het leven geleid door associaties waar we amper controle over hebben als we ons er niet heel sterk van bewust zijn. Dat is volgens mij de bron van alle religie, maar dat terzijde. Je hebt natuurlijk de neiging dat toe te schrijven aan cultuur, aan wat je is aangeleerd. Maar zou het niet instinctief zijn, vroeg ik me daar in de verzengende hitte van het theater af, net zoals altruïsme. Of zoals we ontspannen raken bij het zien van groen.

Als dat zo is dan zit ergens in onze genen de informatie opgeslagen dat kraaien en dood bij elkaar horen. Dat lijkt me nou best een voorstelling op De Parade waard. Te zien op een warme zomeravond terwijl er een zacht briesje door de volgepakte tent waait.