
Ik had in mijn leven vaker moeten dansen, realiseerde ik me toen ik naar de openingsscène van Sirât keek. Opzwepende technobeats klonken door de zaal en op het scherm zag ik een soort hippies eindeloos dansen, duidelijk geholpen door drugs. Ik hou niet van drugs en alles wat daar bij komt kijken maar wel van dansen. Hoe vaak had ik zo gedanst? Urenlang. Misschien maar 10 keer? Het overkomt me niet vaak dat ik denk iets gemist te hebben in mijn leven. Gelukkig maar want het is een onrustbarend gevoel.
Voordat ik er over na kon denken, begon de film me aan te grijpen. Een man en zijn zoontje delen flyers uit met daarop een foto van een jonge vrouw, hun dochter en zus. Vijf maanden geleden hebben ze voor het laatst iets van haar gehoord. Daarom zijn ze van Spanje naar Marokko gekomen. Ze zou daar van festival naar festival trekken. Niemand van de menigte kent haar. Maar iemand weet dat er nog een ander festival is, diep, diep in de woestijn. De blikken voorspellen weinig goeds. Dat vermoed je ook wel want aan het begin van de film wordt uitgelegd waar Sirât voor staat:
Sirât is volgens de islamitische leer een smalle en gevaarlijke brug die iedereen op de Dag des Oordeels moet oversteken om het Paradijs binnen te gaan. De brug wordt beschreven als dunner dan een haar en scherper dan een zwaard. De gelovigen steken de brug snel over, terwijl zondaars naar de hel beneden vallen.
Je begrijpt, dit wordt geen gezellige dansfilm. Een vriendin had me tevoren gewaarschuwd: “Magisch. Bijna in trance was ik soms door combinatie van beeld en geluid. Heel benieuwd wat jij ervaart.”
Ervaart, dat is wel het juiste woord. Het is als ik dit schrijf 24 uur later en de film zindert nog steeds na. Vannacht droomde ik dat ik op een feest was, dat ik als sociaal onvaardige onderging met de gebruikelijke gemengde gevoelens van plezier en ongemak, tot ik er plots door allerlei spoken uit het verleden werd bezocht. De muziek die dreunde op dat feest was dezelfde als uit de film, een ijzersterke soundtrack van Kangding Ray. Het onbestemde gevoel hield na het wakker worden de hele dag aan, een soort spierpijn van de ziel.
De film bracht me inderdaad bijna in een soort trance, maar niet een van lekker dansen of relaxen. Meer een waarbij je van alles losraakt omdat er niets meer is.
De laatste jaren is de vraag ‘hoe gaat met je’ wat ongemakkelijk geworden, ook als er niets met je aan de hand is, zelfs als je gelukkig bent, want ja de wereld… Op de vraag volgt daarom als je wilt antwoorden even een wankel gevoel, dat soms maar een fractie van een seconde duurt. Een milde radeloosheid. Die je snel weglacht ‘met mij gaat het goed!’
Naar mijn ervaring pakt Sirât die fractie van een seconde, waarin je even niet weet waar je aan toe bent, en spint die uit tot een twee uur durende speelfilm die voelt als een trip.
Ik ga je niet vertellen waar de film over gaat maar ik kreeg associaties met De Weg van Cormac McCarthy, een post-apocalyptische roman die ik jaren geleden las en me altijd bij is gebleven. Dat gevoel niet te weten waar je aan toe bent terwijl een constante, onduidelijke dreiging heerst. Een beetje zoals we nu leven.
Sirât is genomineerd voor de Oscar voor beste internationale film. En het beste geluid. Eerder kreeg de film al de juryprijs in Cannes.
Iedere zondagavond verstuur ik In de Week. Abonneer je hier gratis