Spring naar inhoud

Over Francisco

Journalist

1

Het strand van Bloemendaal lag bezaaid met kwallen. Ik zou bijna zeggen dode kwallen maar eerlijk gezegd weet ik niet zeker of ze wel dood waren. Ik ben niet zo heldhaftig of dom - die twee worden nogal eens verwisseld - om ze aan te raken. ‘Kwalhalla’, zei m’n goede vriendin, die wel vaker totale situaties in een enkel woord weet te vangen, droogjes. En stelde toen de vraag die een lawine aan vragen losmaakte en zich uitstortte in een gapende leegte aan kennis: Hoe komen die hier? Gevolgd door: Waren ze al dood voordat ze aanspoelden? Doen ze het expres of is het een kwallenramp? Waar komen ze vandaan? Hoe leven ze?

Ik moest het antwoord op iedere vraag schuldig blijven. Ik ben dol dierenweetjes maar van kwallen? Helaas. Ja, ik had een keer door een school kwalletjes gezwommen, al wist ik niet eens of dat bij kwallen zo heet. Kudde? Troep? Wolk? Heel klein waren ze en ze staken als een soort schrikdraad.

Hoe komen ze op het strand? Zijn het aliens die een mislukte invasie plegen, is het een vorm van sex on the beach en liggen er louter mannetjes die zojuist hun enige functie en vaak ook ambitie in het leven vervuld hebben?

Sorry, ik weet niks van kwallen, bekende ik. Met enige schaamte want ik ben me er al bijna mijn hele leven van bewust dat er medewezens bestaan die kwallen heten maar ik heb me nooit afgevraagd hoe ze leven. In groepen, wist de vriendin door het bekijken van de documentaire Finding Nemo over een visje dat op zoek gaat naar z’n vader. Ze beschreef een scene die ik me nu ook herinnerde. Ik wilde nog iets vertellen over een Portugees Galjoen want dat is een kwal die dodelijk is en dat soort verhalen gaan er altijd wel in maar dat wist ze al. We liepen verder tussen de kwallen door en hadden het er niet meer over. Het heeft geen zin om door te praten over zaken waar je niets van weet, al denken nogal wat media daar anders over.

‘s Ochtends, liggend op de bank, googelde ik ‘kwallen strand’ en meteen verscheen de vraag: Hoe komen er zoveel kwallen op de stranden? Precies. Dat wilden dus meer mensen weten. Het antwoord is te vinden op een site die Kwallenradar heet. Zo’n naam die weer een keten aan ideeën losmaakt. Hadden sociale media maar een kwallenradar, bijvoorbeeld. Maar laat ik niet afdwalen, dat is meer iets voor kwallen. Het bleek inderdaad een ramp te zijn geweest. Althans voor de kwallen. De dieren zijn overgeleverd aan stromingen in de zee en bij een bepaald soort wind worden ze massaal op het strand gedumpt, waar ze dan meestal sterven, een soort omgekeerd verdrinken.

Ik googelde verder want er ging een zee aan informatie open en stuitte toen ineens op het grootste wonder. Er blijkt een kwallensoort te bestaan die vermoedelijk het eeuwig leven heeft omdat die aan het einde van zijn levenscyclus weer baby wordt en dan weer volwassen. Denk je eens in hoe geniaal dat is. Een soort reïncarnatie in jezelf. Met als resultaat een wezen dat al miljoenen jaren bestaat en steeds opnieuw begint. Dat er nooit een einde aan je leven komt, dat je geen hemel hoeft te hebben omdat je er al in leeft. Of in de hel natuurlijk, gezien de anderen. Ik dacht er over na, probeerde het me voor te stellen en werd spontaan overvallen door levensmoeheid. Dan toch liever die kwal op het strand.

Detoxen gaat meestal over je lichaam maar hoe zit dat met je geest? Met je manier van denken? Sinds de coronacrisis begon, merkte ik dat mijn hersens steeds luier werden, door overvloedig gebruik van de smartphone en een totaal gebrek aan andere impulsen. Dus ben ik mijn leven een beetje anders gaan organiseren om die geestelijke erosie tegen te gaan. Natuurlijk niet gestructureerd en weloverwogen volgens een strak plan maar impulsief, zoals ik altijd leef.

Ik begon door elke ochtend als ik wakker word de mini-kruiswoordpuzzel van de New York Times op te lossen. Dat klinkt ingewikkelder dan het is. Meestal doe ik er anderhalve minuut over, soms iets korter. Ik herinner me een geluksdag dat het me binnen 45 seconden lukte. Dat zeg ik niet om op te scheppen want ik las van anderen die het onder de 20 seconden lukt. Dat ga ik nooit voor elkaar krijgen en daar gaat het me ook niet om. Net zoals ik nooit hardloop tegen anderen, zo puzzel ik ook alleen maar solo.

Wat me tijdens het puzzelen opvalt, om niet te zeggen verontrust, is hoeveel ik weet van de Amerikaanse samenleving. Zonder het te willen. De namen van snacks, afkortingen van overheidsinstanties, slogans van bedrijven die niet eens buiten de VS actief zijn en tal van andere trivia heb ik in de loop der jaren kennelijk onbewust opgeslagen. Niet omdat ik dat graag wil maar omdat ik door de smartphone een groot deel van de dag zwem in de Amerikaanse cultuur. En als het niet al in puur Amerikaans is dan zie ik wel non-Amerikanen die het imiteren of het gewoon onderdeel van hun leven hebben gemaakt. Ik ken Nederlanders die Engels tegen me praten. Zelf doe ik dat ook wel eens. Sterker nog, ik merk dat ik zelfs Engels spreek als in mezelf praat.

Dat lijkt misschien cool - om het maar eens in goed Nederlands te zeggen - maar dat vind ik helemaal niet, alleen al omdat mijn weerzin tegen de VS jaar na jaar toeneemt. Ja, er is nu een betere president dan ze eerst hadden maar het blijft een racistisch kloteland dat verslaafd is aan geld en geweld. Om het maar even cru samen te vatten. Ik heb helemaal geen zin om mezelf daarmee te vergiftigen.

Dit is een wat lange inleiding voor mijn nieuwste detox-methode. De meeste Amerikaanse indoctrinatie komt in je hersens terecht via amusement want entertainment is de geweldloze vorm van het Amerikaanse imperialisme. Ze zijn er natuurlijk ook erg goed in maar als je eenmaal oplet, begint op te vallen hoe mager al dat entertainment is. Vrijwel ieder plot draait om geweld, het is uitzonderlijk als er niemand vermoord wordt. Als er geen sprake is van geweld dan gaat het meestal om een romance en die verlopen vrijwel altijd via hetzelfde lijntje: hetero-koppel vindt elkaar na het overwinnen van moeilijkheden. Zoals de literatuur altijd is terug te voeren tot de plots die je in de bijbel vindt, zo is Amerikaans entertainment altijd te herleiden tot Disney.

Daar ben ik wel een beetje klaar mee. Dus ik heb mijn Netflix-account opgezegd en probeer ook voor de rest mijn Amerikaanse entertainmentconsumptie terug te dringen. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Het is net zoiets als stoppen met vleeseten, roken, drinken of snacken. Pas als je het niet meer doet, valt op hoe vaak je het deed.

Dit soort gedragsverandering breng je het beste tot stand als je er routine van maakt, ontdekte ik toen ik in een poging mijn lichamelijk conditie te verbeteren besloot elke dag 5 kilometer hard te lopen. Dat is makkelijker uit te voeren dan het voornemen twee keer per week te rennen. Routine werkt beter dan motivatie. Net zoals ik alcoholconsumptie makkelijker terugdring door te zeggen dat ik helemaal niet meer drink dan door te denken ik wil minderen. Je ziet, ik ben nogal binair ingesteld.

De nieuwe anti-Amerikaanse detox-methode gaat aldus: ik wil de komende tijd elke dag een Franse film kijken. Daar kwam ik op omdat ik als nieuw abonnee van De Groene een gratis proefabonnement kreeg op CineMember. Laat ik dat eens benutten, dacht ik. Ze hebben 128 Franse films dus dat moet te doen zijn. Fransen staan er om bekend dat ze regelmatig pogingen ondernemen de onwenselijke aspecten van de Amerikaanse cultuur buiten de deur te houden. Daar wordt in Nederland vaak spottend over gedaan, alsof het bij voorbaat kansloos is. Als dat zo is, dan moet dat juist reden zijn het te doen, lijkt me.

Goed, geestelijk detoxen via films dus. Meteen merkte ik hoe amusement je leven beïnvloedt. Woensdag zag ik Compostelle, een documentaire over mensen die de wandelroute naar Santiago de Compostella afleggen. De film is naar mijn smaak niet echt goed gemaakt, op het amateuristische af, maar wel verrassend fascinerend. Het is een beetje alsof je door het dagboek van een onbekende bladert. De meeste geïnterviewden laten zich in nogal spirituele termen uit over hun ervaringen en daar heb ik persoonlijk niet zoveel mee maar niettemin begeesterde de film. Wat een goed idee om zo'n lange wandeling te maken. Precies wat we nodig hebben in deze tijd waarop we beginnen in te zien dat we ons leven in een mallemolen hebben veranderd. Stap voor stap je wereld veranderen was nog nooit zo letterlijk. Veel van de mensen blijken onderweg bijvoorbeeld geen notities te maken maar tekeningen van wat ze zien. Zou ik dat ook kunnen? Op de een of andere manier maakte de film een soort oergevoelens los. En ja, ik was al van plan om deze zomer het Pieterpad te gaan lopen.

Donderdag bekeek ik Petit Paysan, ofwel kleine boer. Dat leverde een ander soort openbaring op.

Toen Hubert Charuel in 2017 zijn debuutfilm die gaat over een dodelijk virus uitbracht, kon hij waarschijnlijk niet bevroeden hoe totaal herkenbaar die vier jaar later zou zijn in tijden van corona. Toch is de film in alle opzichten de tegenpool van een Amerikaanse spektakelfilm als Contagion die ook dergelijke herkenning oproept. Hier geen mensen die de wereld overvliegen, geen panische massa’s, geen opzwepende muziek, geen dwingend militarisme. Integendeel. Petit Paysan, in het Engels Bloody Milk, speelt zich vrijwel geheel af op een enkel boerenerf met alle rust van dien. En is daarmee veel realistischer. Het is een zogezegd intieme film. Er is gefilmd op de boerderij waar de regisseur zelf opgroeide en veel van de acteurs zijn mensen uit de omgeving. Zijn ouders worden gespeeld door zijn echte ouders.

Pierre Chavanges is een jonge boer met zo’n dertig koeien die het bedrijf van z’n ouders heeft overgenomen. Dat hij leeft voor zijn koeien wordt meteen al duidelijk gemaakt in de ijzersterke openingsscene waarin de dieren overal in zijn huis staan. Dat blijkt een droom maar wat volgt is een nachtmerrie,

We zien zijn dagelijks leven als melkboer in een kleine gemeenschap waar hij tegen zijn zin constant op de vingers wordt gekeken door zijn omgeving. Dat lijkt een typisch dorpsdrama, slow living noemen goeroes die het Nederlands slechts beheersen dat. Dan sluipt een gevreesde veeziekte het verhaal binnen. De ramp die op hem afkomt is zo enorm dat de boer geen andere verdediging kan bedenken dan ontkennen. Hoe herkenbaar. Chavanges gaat te rade op YouTube, inderdaad het soort ‘research’ waardoor nogal wat mensen een konijnenhol binnenrollen om er nooit meer uit te geraken en wappie worden. Wat er vervolgens gebeurt moet je zelf maar gaan zien.

Petit Paysan won in 2018 de César (Franse Oscar) voor beste debuutfilm. Hoofdrolspeler Swann Arlaud kreeg dezellfde prijs voor zijn vertolking van de boer. Sara Giraudeau ontving die voor de beste bijrol. Zeer terecht maar het meest schitteren de koeien. Je ziet ze zoals ze zijn: zachte, liefdevolle dieren en tegelijk, hoezeer de boer ook aan hen gehecht is, toch niet meer dan een product. Ze zijn dingen waar je een pak melk of stuk kaas van maakt. En dan te bedenken dat Petit Paysan het ideaal toont van hoe we vinden dat vee behandeld zou moeten worden. Hoe uitzonderlijk dat is wordt subtiel duidelijk gemaakt bij een bezoek aan een boer die met zijn tijd is meegegaan. Daar komen de koeien alleen nog in contact met robots. Zoals het er overal op de industrieboerderijen aan toe gaat. Drie keer raden waar jouw ontbijtyoghurt vandaan komt.

Petit Paysan zette me aan het denken over het leven, de pandemie, maar vooral ook over de noodzaak om van vegetariër zijn over te stappen naar vegan en zuivelproducten te gaan mijden. Dat is iets voor een volgende gedragsverandering. Al lijkt die conclusie totaal niet de bedoeling van de film te zijn.

1

Ik beken, ik kon geen genoeg krijgen van de beelden van de spectaculaire overval in Amsterdam-Noord. Misschien omdat het een geval leek van life imitates art, dat je zag dat al die misdaadfilms toch niet helemaal onzin zijn, dat fantasie best werkelijkheid kan worden. Wat voor mensen die graag fantaseren natuurlijk een extreem prettige gedachte is.

Ik moest meteen denken aan een soortgelijk crimineel spektakel van een jaar of dertig geleden waar een vriend van mij getuige van was. Een stel Italiaanse gangsters had bij een overval de vrouw van een bankdirecteur uit Spijkenisse gegijzeld. Op de vlucht voor de politie wilden ze in de Rotterdamse Graaf Florisstraat van auto wisselen. Daarvoor hadden ze garage naast de werkplaats van de vriend op het oog, daar stonden snelle bmw’s. De garagehouder was alert en sloot snel de deur waardoor de wissel niet door kan gaan. Daar stonden ze dan, midden op straat, keurig in het pak en met automatische vuurwapens in de aanslag.

“Ik heb nog nooit zulke ijskoude blikken gezien,” vertelde de vriend met een zeker ontzag. “Het leed geen twijfel dat ze iedereen die hen probeerde te stoppen uit de weg zouden ruimen.” Hij sloeg het tafereel gade, verscholen achter een machine. De gestrande boeven keken rond. Een overbuurvrouw was net in haar Volvo gestapt. Een gangster liep er op af, trok het portier open en gebaarde met zijn wapen dat de vrouw moest uitstappen. Dat deed ze niet. De gangster pakte de vrouw bij de arm en begon aan haar te trekken. De vrouw hield het stuur stevig vast en riep ‘nee, nee, dit is míj́n auto’. De vriend durfde amper te kijken wat er zou volgen.... 

De gangster wachtte even en liep toen tot zijn verbazing onverrichterzake weer terug naar de auto waar ze mee gekomen waren. Ze stapten in en stoven weg. In de Schipholtunnel wisten ze daarna op slimme wijze nog aan het achtervolgende leger agenten te ontsnappen. Jaren later werden ze in een vuurgevecht met de Franse politie gedood.

Dat verhaal van die vrouw ben ik nooit vergeten. Waarom reageerde zo? Ze weigerde gewoon toe te voldoen aan het bevel. Ze gaf niet toe aan de dreiging van geweld. Dat moet je maar durven.

Nu bij de overval in Amsterdam Noord speelde iets soortgelijks. Terwijl de overval aan de gang was en de boeven met kalasjnikovs schieten, reed een witte Canta de straat in. AT5 spoorde de bestuurster op en noteert:

Nadia Congiu woont haar hele leven in Amsterdam, en heeft al een boel meegemaakt. Maar dit had ze niet aan zien komen. "Dat verwacht je toch niet. Dat je op weg bent voor een ons filet en wat kattenvoer, en dat er dan een man staat met een automatisch geweer." Ze reed recht op een overvaller af, automatisch geweer in de hand, bivakmuts op. "Eerst dacht ik nog, dit is een filmset. Maar toen opeens begint ie met dat geweer te zwaaien, zo van: 'weg hier!'"

Op de beelden is te zien hoe de vrouw zich met het brommerautootje uit de levensgevaarlijke situatie manoeuvreert. Bij AT5 vertelt ze opvallend laconiek over haar koelbloedige reactie. “Ik ben vanmorgen nog naar de supermarkt gegaan, en toen ben ik wel gewoon aangekomen, en heb ik alsnog mijn onsje filet en wat kattenvoer gekocht."

Ze worden weggelaten in de meeste gangsterfilms, net als in de meeste geschiedenisboeken omdat ze niet passen in de fantasie van mannen: koelbloedige vrouwen.

Het overkomt me niet vaak dat tijdens het kijken van een film mijn mond letterlijk openvalt. Dat gebeurde wel meermaals bij het zien van Collective, een documentaire die iedere verbeelding tart. Het verontrustende is dat het gaat om een extreem politiek schandaal in Roemenië maar dat voor een Nederlandse kijker sommige zaken ongemakkelijk bekend voorkomen omdat ze bijvoorbeeld doen denken aan het toeslagenschandaal van de afgelopen maanden. Ik schrik er zelf van dat ik de voorgaande zin opschrijf maar het is toch echt zo.

In 2015 brak er tijdens een optreden van een band brand uit in de met publiek gevulde club Colectiv in de hoofdstad Boekarest. Dat zie je tot je eigen verbijstering gebeuren want een van de aanwezigen heeft het gefilmd. Het vuur grijpt razendsnel om zich heen, veel sneller dan je zou verwachten. De bezoekers proberen een veilig heenkomen te zoeken maar dat lukt niet want er zijn geen nooduitgangen. Paniek breekt uit, rook verstikt, vlammen verteren. En dat is letterlijk en figuurlijk nog maar het begin van het verhaal. Wat zich vervolgens voltrekt is nog vele malen schokkender.

27 mensen komen om bij de brand, 180 raken er gewond, veelal voor hun leven verminkt. Dan overlijden er vervolgens 37 mensen in ziekenhuizen. Hoe kan dat? De autoriteiten, waaronder een wijsneuzerige minister van Volksgezondheid, bezweren dat de medische zorg in het land tiptop in orde is. “We voldoen aan alle Europese standaarden.” De op de persconferentie aanwezige journalisten tikken het braaf op. Documentairemaker Alexander Nanau is er bij aanwezig en registreert maar de beelden komen in een heel andere documentaire dan hij aanvankelijk voor ogen had omdat het verhaal van de ramp een bizarre wending neemt. En dat blijft doen. Het schandaal dat leek te handelen over het ontbreken van nooduitgangen blijkt vele malen groter.

Het wordt duidelijk dat sommige mensen overlijden omdat de bureaucratie hun behandeling vertraagt. Maar is dat wel de bureaucratie? Journalisten van de krant Gazeta Sporturilor, ja inderdaad een sportkrant(!), worden benaderd door nabestaanden die verontrustende verklaringen afleggen. Er breekt een volksopstand uit en de sociaaldemocratische regering komt ten val. Er wordt snel een interim-regering benoemd, een activist voor patiëntenrechten wordt minister van Volksgezondheid. De hoge ambtenaren trachten indringend hem te sensibiliseren maar daar is hij ongevoelig voor. Hij zweert bij transparantie en laat de camera toe bij vergaderingen en meetings. Nanau registreert het, je zit als kijker op de eerste rij bij het politieke slagveld. Ondertussen geven de sportjournalisten niet op, ze graven en graven en stuiten op corrupte praktijken die iedere verbeelding tarten. Mogelijk aantal dodelijke slachtoffers: 12.000. Ja, dat lees je goed.

Collective, die over de hele wereld met prijzen en nominaties is overladen, gaat over Roemenië en de Roemeense praktijken. Het sterke van de film is dat daar niet heel veel uitleg over wordt gegeven. Er wordt geen tijd verdaan met expliceren of in context plaatsen. De premier bijvoorbeeld komt niet eens aan bod. Die benadering leidt er toe dat er geen afstandelijkheid ontstaat. Je zit er echt middenin, alsof je op bezoek bent in Roemenië. Zo ontdek je als kijker min of meer terloops dat de onderzoeksjournalisten eigenlijk sportverslaggevers zijn en dat de sociaaldemocraten daar de nazaten van het oude communistisch regime zijn en qua mediastrategie verdomd veel lijken op onze eigen populisten.

Over het verhaal wil ik verder niet vertellen omdat de documentaire ook de ervaring van een thriller biedt. Ik wist er amper iets van, op die afschuwelijke brand na en wat vage berichten over een politiek schandaal. Schandalen waarvan je als nieuwsconsument al snel denkt, tja Roemenië. Dat is als kijker de extra schok. Dat het zich allemaal afspeelt binnen de Europese Unie, dat Trump er bij wijze van spreken kinderspel bij is en dat we dat amper weten. Dat ligt niet aan Roemenië.

Ik heb het al eens eerder geschreven: door de lockdown leer ik mezelf beter kennen. Misschien wel omdat ik meer tijd met mezelf doorbreng. Nee, dat bedoel ik niet als grapje. In de pre-coronatijd zag ik voortdurend andere mensen, sprak met ze, dacht hardop met ze, maakte lol of beschouwde de wereld met hen. Zij waren plots verdwenen, alsof je tijdens een feestje even naar de wc gaat en bij terugkeer het hele pand verlaten blijkt. Er klinkt wel muziek, de slingers bewegen nog maar er is niemand meer. Om Sartre te parafraseren: het feest, dat zijn de anderen.

Ik dwaal af. Het zal eens niet. Vanmiddag tijdens het hardlopen, ik loop sinds 1 januari elke dag 5 km en dat is heel fijn om te doen, fijner dan 1 of 3 keer per week maar daarover misschien later, realiseerde ik me weer eens hoe onrustig ik word van herrie. Optrekkende vrachtwagens, voorbijscheurende scooters, sirenes - er klinken altijd sirenes in deze stad - en meer van dat soort dingen die op een ongezond niveau geluid produceren. Ze veroorzaken een onrust bij me. Het soort onrust dat je hebt als je bij een halte wacht en de bus verschijnt niet op tijd. Onzekerheid over het oncontroleerbare.

Dat was me voor de lockdown niet eerder opgevallen, wat al die herrie met me doet. Nadat in maart de wereld plots letterlijk en figuurlijk stil viel, merkte ik dat ik een stuk relaxter werd. Alsof ik een pilletje geslikt had. Toen een paar weken later het verkeer en de andere herrie weer op gang kwam bemerkte ik de toename van onrust. Het is niet dramatisch, ik krijg geen paniekaanvallen en het duurt maar heel even. Ik ben ook geen fonofoob, noch heb ik last van misofonie. Maar toch, het is er. En ik heb er geen controle over.

Hoe het komt, weet ik niet. Ook niet of ik dat al mijn hele leven heb. Misschien is het recent. Ik heb ook nog maar sinds een paar jaar last van hooikoorts. Dat schijnt ook weer te kunnen verdwijnen.

Tijdens het lopen bedacht ik een andere verklaring. Ik leerde ooit waarom we rustig worden van het geluid van fluitende vogels. Dat is onderdeel van onze prehistorische geschiedenis. In de jungle, op de steppe of in welk gebied dan ook stelt vogelgezang gerust. Het is een teken van veiligheid, er is dan niets aan de hand. Als de vogels daarentegen plots stoppen met zingen dan dreigt er mogelijk gevaar, een roofvogel, of erger. Plotselinge stilte is als brandlucht voor je oren, je hele lichaam slaat er van aan. Dat komt dus door onze voorouders.

Misschien is het met herrie wel net zo dacht ik. Het harde geluid overstemt al het andere en daardoor kun je niet meer waarnemen wat er gebeurt. Je lichaam schiet in alarmstand omdat onduidelijk is of er gevaar dreigt. Wellicht dat mannen, althans bepaalde types mannen, daarom vaak dol zijn op herrie. Straaljagers, raceauto's, kettingzagen, honderd soorten metalmuziek, het voorziet in het verlangen naar gevaar. Een verlangen dat ik niet ken. Ik hou ook niet van bergbeklimmen, parachutespringen en al die andere dingen die het einde van je leven kunnen bespoedigen. Ik zeg wel eens dat ik geen tattoo's heb omdat ik van mezelf voldoende littekens heb, zo is het ook met gevaar, ik hoef het nooit op te zoeken, het weet me vaak genoeg uit zichzelf te vinden.

Hoe het ook zij, het is een besef dat nooit eerder doordrong, dat dergelijk indringend geluid zo van invloed is op m'n gemoedsrust, dat ik er even van slag door raak.

Misschien moet ik eens proberen hard te lopen met noise canceling oordopjes. En daar dan vogelgezang op afspelen.

Ik liep het virus op zonder dat ik er erg in had. Of nee, dat is niet helemaal waar. Op het moment van besmetting ging er wel degelijk een alarmbelletje af. Ik kon alleen de gevolgen nog niet overzien.

Het gebeurde tijdens een zoommeeting. Of liever gezegd, het momentje dat eraan voorafgaat. Ik logde in en er was nog maar een iemand anders. We spraken, terwijl we wachtten op de andere deelnemers die in het scherm moesten verschijnen, over koetjes, kalfjes, virusjes, avondklokjes, hoe we geraakt zijn maar niet getroffen en hij merkte terloops op ‘ik kan er mee leven dat bij Albert Heijn de waxinelichtjes op zijn’. Ik liet niets merken maar zonder dat ik er iets aan kon doen werd ergens diep in het domein van mijn driften opgeroepen tot mobilisatie.

Na de meeting toog ik naar de Albert Heijn. Het zal toch niet? Maar inderdaad: geen kaars meer te krijgen. Een leeg schap, op een enkele soort geurkaars na die vermoedelijk niet alleen de muggen maar ook iedere andere vorm van gezelschap verdrijft.

De incubatietijd van het virus bleek al voorbij. Ik kreeg een spontane aanval van kaarsenkoorts. Liep door naar een ander filiaal. Zelfde verhaal. Alle kaarsen op. Nergens een lichtpuntje te bekennen.

Het gekke was, ik had gewoon kaarsen thuis. Niet veel, maar ook niet te weinig. Genoeg om drie avonden stroomuitval mee door te komen. Maar ik had buiten de fratsen van het virus gerekend, het ontvlamde niet alleen de driften maar tastte ook de ratio aan. Die avond stak ik zonder dat ik het kon verklaren mijn hele voorraad kaarsen aan. Door het hele huis. Tot op de wc aan toe.

Het was een feeëriek beeld. Het huis veranderde in een sprookjeswereld van flakkerende vlammetjes die leken te leven. Als glimwormpjes in een zomernacht. Ieder moment konden er muzen in witte gewaden uit het niets tevoorschijn komen en dansen op esoterische muziek van een Spotify-playlist, die ik natuurlijk eerst nog moest zien te vinden.

Een raar soort spanning maakte zich van me meester. Het soort stress van onzekerheid dat ik ken van prestaties die je moet leveren terwijl je niet zeker weet of het gaat lukken. De zenuwen van de startlijn, of van binnenkomen op een feestje waarvan je verteld is dat het geweldig zou moeten zijn. Hoe lang geleden was het dat ik dat voelde?

De volgende dag ging ik langs de Kruidvat, Etos, Jumbo, Aldi, Lidl en nog wat andere zaken. ‘Heeft u kaarsen’ vroeg ik aan een winkelmedewerker. In haar ogen zag ik medelijden aanzwellen terwijl ze bedeesd haar hoofd schudde. “Niet meer.”

Overal had het virus toegeslagen, nergens kaarsen te krijgen. Kaarsen waren het nieuwe wc-papier. Ik vroeg me even af of ik van die 378 rollen in de kelder een soort kaarsen zou kunnen maken door ze in lampenolie te drenken maar liet dat idee al snel varen. Ik moest ook aan m’n veiligheid en die van de buren denken.

Thuis probeerde ik het online. Ikea, helaas. Bij De Bijenkorf zag ik een Hay-kaars van 49 euro per stuk. Ik twijfelde en dacht aan de keer dat ik in Le Bon Marché op de linkeroever met een fles mineraalwater van 75 euro in m’n handen stond. De prijs is dan als een drug, zoals dat vaker het geval is bij luxe zaken. Nee, niet doen.

Ik brand eigenlijk niet heel vaak kaarsen maar met het uur steeg de behoefte. Ineens was er de onweerstaanbare drang om te dineren bij kaarslicht, om waxinelichtjes te zien flakkeren bij het ontbijt, zelfs een kaarsje te branden voor de overledenen. Hoe zou ik al die lange avonden nog doorkomen zonder kaarsen? Maar vooral, waarom had ik naar kaarsen zo’n mateloos verlangen?

Een crisis is altijd anders dan je denkt. Ik had nooit kunnen bevroeden dat er een wereldwijde rampspoed zou uitbarsten die maanden, misschien wel jaren duurt maar die mij persoonlijk amper raakt. Hij gaat zelfs mijn voorstellingsvermogen te boven. Ik beken dat als ik naar een persconferentie kijk waar weer nieuwe maatregelen aangekondigd worden, ik me nog steeds afvraag of ik niet naar een bizarre film zit te kijken. Hoe kan dit allemaal echt zijn?

Ondertussen doe ik gewoon iedere dag mijn werk, wandel, kook en leef ik sociaal gezien in een heel klein dorpje. Net als de anderen ben ik een kluizenaar met vrienden. We leven in sociale schuilkelders, de oren gespitst naar de langdurige stilte. En net als bij kluizenaars trekt de wereld en tijd aan me voorbij als een schaduw. Dit is ook de zombiecrisis.

Vandaar de kaarsen. Ze branden van verlangen. Van leven.