Spring naar inhoud

Ik heb het al eens eerder geschreven: door de lockdown leer ik mezelf beter kennen. Misschien wel omdat ik meer tijd met mezelf doorbreng. Nee, dat bedoel ik niet als grapje. In de pre-coronatijd zag ik voortdurend andere mensen, sprak met ze, dacht hardop met ze, maakte lol of beschouwde de wereld met hen. Zij waren plots verdwenen, alsof je tijdens een feestje even naar de wc gaat en bij terugkeer het hele pand verlaten blijkt. Er klinkt wel muziek, de slingers bewegen nog maar er is niemand meer. Om Sartre te parafraseren: het feest, dat zijn de anderen.

Ik dwaal af. Het zal eens niet. Vanmiddag tijdens het hardlopen, ik loop sinds 1 januari elke dag 5 km en dat is heel fijn om te doen, fijner dan 1 of 3 keer per week maar daarover misschien later, realiseerde ik me weer eens hoe onrustig ik word van herrie. Optrekkende vrachtwagens, voorbijscheurende scooters, sirenes - er klinken altijd sirenes in deze stad - en meer van dat soort dingen die op een ongezond niveau geluid produceren. Ze veroorzaken een onrust bij me. Het soort onrust dat je hebt als je bij een halte wacht en de bus verschijnt niet op tijd. Onzekerheid over het oncontroleerbare.

Dat was me voor de lockdown niet eerder opgevallen, wat al die herrie met me doet. Nadat in maart de wereld plots letterlijk en figuurlijk stil viel, merkte ik dat ik een stuk relaxter werd. Alsof ik een pilletje geslikt had. Toen een paar weken later het verkeer en de andere herrie weer op gang kwam bemerkte ik de toename van onrust. Het is niet dramatisch, ik krijg geen paniekaanvallen en het duurt maar heel even. Ik ben ook geen fonofoob, noch heb ik last van misofonie. Maar toch, het is er. En ik heb er geen controle over.

Hoe het komt, weet ik niet. Ook niet of ik dat al mijn hele leven heb. Misschien is het recent. Ik heb ook nog maar sinds een paar jaar last van hooikoorts. Dat schijnt ook weer te kunnen verdwijnen.

Tijdens het lopen bedacht ik een andere verklaring. Ik leerde ooit waarom we rustig worden van het geluid van fluitende vogels. Dat is onderdeel van onze prehistorische geschiedenis. In de jungle, op de steppe of in welk gebied dan ook stelt vogelgezang gerust. Het is een teken van veiligheid, er is dan niets aan de hand. Als de vogels daarentegen plots stoppen met zingen dan dreigt er mogelijk gevaar, een roofvogel, of erger. Plotselinge stilte is als brandlucht voor je oren, je hele lichaam slaat er van aan. Dat komt dus door onze voorouders.

Misschien is het met herrie wel net zo dacht ik. Het harde geluid overstemt al het andere en daardoor kun je niet meer waarnemen wat er gebeurt. Je lichaam schiet in alarmstand omdat onduidelijk is of er gevaar dreigt. Wellicht dat mannen, althans bepaalde types mannen, daarom vaak dol zijn op herrie. Straaljagers, raceauto's, kettingzagen, honderd soorten metalmuziek, het voorziet in het verlangen naar gevaar. Een verlangen dat ik niet ken. Ik hou ook niet van bergbeklimmen, parachutespringen en al die andere dingen die het einde van je leven kunnen bespoedigen. Ik zeg wel eens dat ik geen tattoo's heb omdat ik van mezelf voldoende littekens heb, zo is het ook met gevaar, ik hoef het nooit op te zoeken, het weet me vaak genoeg uit zichzelf te vinden.

Hoe het ook zij, het is een besef dat nooit eerder doordrong, dat dergelijk indringend geluid zo van invloed is op m'n gemoedsrust, dat ik er even van slag door raak.

Misschien moet ik eens proberen hard te lopen met noise canceling oordopjes. En daar dan vogelgezang op afspelen.

Ik liep het virus op zonder dat ik er erg in had. Of nee, dat is niet helemaal waar. Op het moment van besmetting ging er wel degelijk een alarmbelletje af. Ik kon alleen de gevolgen nog niet overzien.

Het gebeurde tijdens een zoommeeting. Of liever gezegd, het momentje dat eraan voorafgaat. Ik logde in en er was nog maar een iemand anders. We spraken, terwijl we wachtten op de andere deelnemers die in het scherm moesten verschijnen, over koetjes, kalfjes, virusjes, avondklokjes, hoe we geraakt zijn maar niet getroffen en hij merkte terloops op ‘ik kan er mee leven dat bij Albert Heijn de waxinelichtjes op zijn’. Ik liet niets merken maar zonder dat ik er iets aan kon doen werd ergens diep in het domein van mijn driften opgeroepen tot mobilisatie.

Na de meeting toog ik naar de Albert Heijn. Het zal toch niet? Maar inderdaad: geen kaars meer te krijgen. Een leeg schap, op een enkele soort geurkaars na die vermoedelijk niet alleen de muggen maar ook iedere andere vorm van gezelschap verdrijft.

De incubatietijd van het virus bleek al voorbij. Ik kreeg een spontane aanval van kaarsenkoorts. Liep door naar een ander filiaal. Zelfde verhaal. Alle kaarsen op. Nergens een lichtpuntje te bekennen.

Het gekke was, ik had gewoon kaarsen thuis. Niet veel, maar ook niet te weinig. Genoeg om drie avonden stroomuitval mee door te komen. Maar ik had buiten de fratsen van het virus gerekend, het ontvlamde niet alleen de driften maar tastte ook de ratio aan. Die avond stak ik zonder dat ik het kon verklaren mijn hele voorraad kaarsen aan. Door het hele huis. Tot op de wc aan toe.

Het was een feeëriek beeld. Het huis veranderde in een sprookjeswereld van flakkerende vlammetjes die leken te leven. Als glimwormpjes in een zomernacht. Ieder moment konden er muzen in witte gewaden uit het niets tevoorschijn komen en dansen op esoterische muziek van een Spotify-playlist, die ik natuurlijk eerst nog moest zien te vinden.

Een raar soort spanning maakte zich van me meester. Het soort stress van onzekerheid dat ik ken van prestaties die je moet leveren terwijl je niet zeker weet of het gaat lukken. De zenuwen van de startlijn, of van binnenkomen op een feestje waarvan je verteld is dat het geweldig zou moeten zijn. Hoe lang geleden was het dat ik dat voelde?

De volgende dag ging ik langs de Kruidvat, Etos, Jumbo, Aldi, Lidl en nog wat andere zaken. ‘Heeft u kaarsen’ vroeg ik aan een winkelmedewerker. In haar ogen zag ik medelijden aanzwellen terwijl ze bedeesd haar hoofd schudde. “Niet meer.”

Overal had het virus toegeslagen, nergens kaarsen te krijgen. Kaarsen waren het nieuwe wc-papier. Ik vroeg me even af of ik van die 378 rollen in de kelder een soort kaarsen zou kunnen maken door ze in lampenolie te drenken maar liet dat idee al snel varen. Ik moest ook aan m’n veiligheid en die van de buren denken.

Thuis probeerde ik het online. Ikea, helaas. Bij De Bijenkorf zag ik een Hay-kaars van 49 euro per stuk. Ik twijfelde en dacht aan de keer dat ik in Le Bon Marché op de linkeroever met een fles mineraalwater van 75 euro in m’n handen stond. De prijs is dan als een drug, zoals dat vaker het geval is bij luxe zaken. Nee, niet doen.

Ik brand eigenlijk niet heel vaak kaarsen maar met het uur steeg de behoefte. Ineens was er de onweerstaanbare drang om te dineren bij kaarslicht, om waxinelichtjes te zien flakkeren bij het ontbijt, zelfs een kaarsje te branden voor de overledenen. Hoe zou ik al die lange avonden nog doorkomen zonder kaarsen? Maar vooral, waarom had ik naar kaarsen zo’n mateloos verlangen?

Een crisis is altijd anders dan je denkt. Ik had nooit kunnen bevroeden dat er een wereldwijde rampspoed zou uitbarsten die maanden, misschien wel jaren duurt maar die mij persoonlijk amper raakt. Hij gaat zelfs mijn voorstellingsvermogen te boven. Ik beken dat als ik naar een persconferentie kijk waar weer nieuwe maatregelen aangekondigd worden, ik me nog steeds afvraag of ik niet naar een bizarre film zit te kijken. Hoe kan dit allemaal echt zijn?

Ondertussen doe ik gewoon iedere dag mijn werk, wandel, kook en leef ik sociaal gezien in een heel klein dorpje. Net als de anderen ben ik een kluizenaar met vrienden. We leven in sociale schuilkelders, de oren gespitst naar de langdurige stilte. En net als bij kluizenaars trekt de wereld en tijd aan me voorbij als een schaduw. Dit is ook de zombiecrisis.

Vandaar de kaarsen. Ze branden van verlangen. Van leven.

De kracht van Twitter heeft zich weer eens getoond. Zoals ik in m’n vorige post schreef zag ik in een film een portretfoto die ik herkende, in de zin van ‘hé, die heb ik wel eens eerder gezien’, zonder verder een idee te hebben van hoe of wat. Omdat het een thriller betrof die vol zit met verborgen boodschappen en geintjes - easter eggs - wilde ik natuurlijk weten wat die foto dan voorstelde. De thriller gaat over een speurtocht en het voelde of ik er zo zelf aan mee kon doen.

Waar kende ik die foto van? Ik groef in mijn geheugen, tevergeefs. Ik googelde me een slag in de rondte maar ook dat leverde niets op. Was het wel een easter egg of vergiste ik me? Dat laatste leek me sterk. In een film die zo gevuld is met subtiele symboliek belandt een curieuze portretfoto niet toevallig boven het bed van de hoofdrolspelers.

Ik vroeg na enige aarzeling om hulp via Twitter, het medium dat ik in 2007 leerde kennen als een instrument om mensen te enthousiasmeren en vrienden te maken maar dat binnen een paar jaar veranderde in een monster. Onder die laag van haat, venijn en de vrijwel onbedwingbare neiging jezelf te profileren ten koste van anderen, schuilen toch nog steeds de restanten van die aardige kanten.

Twitteraars zagen de foto, gingen op zoek en vonden binnen de kortste keren wat mijzelf niet lukte. Via Bing nog wel. 

De man op de foto blijkt Mauro de Mauro, een Italiaanse journalist met een even gruwelijke als fascinerende geschiedenis die zo uit een roman van WF Hermans lijkt weggelopen. Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij een overtuigd fascist. Hij maakte jacht op verzetsstrijders, werd beschuldigd van betrokkenheid bij oorlogsmisdaden, werd na de bevrijding gearresteerd, ontsnapte en werd uiteindelijk van rechtsvervolging ontslagen. Hij kwam tot inkeer, verhuisde naar Sicilië en werd journalist voor linkse kranten. In die functie opende hij de jacht op de mafia en de banden tussen de georganiseerde misdaad en de politiek. Zijn werk werd bekroond met een vooraanstaande journalistieke prijs.

Hij onderzocht ook de mysterieuze dood van een topman van de staatsoliemaatschappij ENI, een oud-verzetsstrijder die de macht van Amerikaanse oliegiganten wilde breken. Mauro de Mauro vermoedde, net als veel anderen, een complot. Mogelijke betrokkenen: de mafia, de inlichtingendienst CIA en de extreemrechtse Franse paramilitaire organisatie OAS. 

De befaamde Italiaanse regisseur Francesco Rosi besloot er een film over te maken en Mauro de Mauro werkte aan het script. Terwijl hij daarmee bezig was, werd hij in september 1970 ontvoerd en is er ondanks een intensieve speurtocht door duizenden agenten, nooit meer iets van hem vernomen.

De VPRO zond de film 'De Zaak Mattei' in 1978 uit. Hier kun je lezen wat de Leeuwarder Courant er destijds over schreef.

Ik kan slechts gissen waarom het portret van Mauro de Mauro in The Burnt Orange Heresy te zien is. De thriller gaat onder meer over de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog, verdwijningen en leugens. Wat misschien ook meespeelt is dat de regisseur de thriller aanvankelijk in begin jaren ‘70 wilde laten afspelen. The Burnt Orange Heresy is gebaseerd op het gelijknamige boek uit 1971 van Charles Willeford, een gerenommeerd misdaadauteur waar onder anderen Quentin Tarantino zich door heeft laten inspireren. Precies de tijd dat Mauro de Mauro verdween. Er was echter te weinig geld beschikbaar om de hele film naar dat tijdperk te stylen. Het resultaat is dat de thriller in iedere tijd had kunnen spelen, al wordt er wel in het tempo van de jaren '70 in gerookt. Bij dat laatste meen ik altijd de gulle sponsorhand van de tabaksindustrie te zien. Film is een belangrijk middel om nieuwe verslaafden te kweken.

Een andere vraag die blijft hangen kan ik alleen zelf oplossen. Waar ken ik het portret van? Wellicht heb ik het in Italië gezien. Ik haalde de afgelopen dagen talloze vakanties terug uit mijn herinneringen. Bijvoorbeeld die aan Sicilië. Het verraste me destijds hoezeer je de aanwezigheid van de maffia kunt voelen op dat eiland. Alsof er een deken over het land ligt.

Helaas, het portret dook niet op bij deze mijmeringen maar het was prettig terug te denken aan al die ervaringen, die anders onaangeroerd in de magazijnen van je hersens opgeslagen blijven liggen. Zo heeft The Burnt Orange Heresy al meer met me gedaan dan ik ooit tevoren kon bevroeden. En ben ik blij dat ik nog steeds op Twitter zit.

Vorige week verscheen er een tekening van een varken in de media. Zo op het eerste gezicht een niet zo’n heel goede of interessante afbeelding. Een groot lijf, dunne pootjes en een te kleine kop. Een beetje zoals een varken zou uitvallen als ik er zelf een zou proberen te tekenen.

Niettemin was het een regelrechte sensatie want het betreft een tekening die recent is ontdekt in een grot op Sulawesi en daar 45.500 jaar geleden gemaakt werd door een van onze voorouders, iemand die net zo slim en vaardig was als wij nu zijn.

Dat verhaal verandert het beeld ineens. Je ziet geen matige tekening van een varken meer maar een beeld uit de prehistorie. Je beleeft een instant tijdreis. De twee handafdrukken ernaast, alsof de maker of maakster het werk wilde signeren. De geschiedenis geeft de tekening een totaal andere lading. Het wordt een beleving.

Wat voor de tekening op het Indonesische eiland geldt, gaat op voor alle kunst. Het verhaal vormt de extra, onzichtbare laag van een kunstwerk. Natuurlijk, een kunstwerk kan je aangrijpen zonder dat je er iets van weet, maar hoe meer je er over weet, hoe meer lading het krijgt. Kun je kunst dan ook waardevoller maken door er een verhaal bij te verzinnen?

Het is een vraagstuk dat aan de orde komt in The Burnt Orange Heresy. Zo lastig als de titel te onthouden valt, zo makkelijk sleept deze thriller je een web van kunst, waarheid en leugens in. Hoe langer ik over de film nadacht, hoe meer ik er in verstrikt raakte.

De twee aantrekkelijke hoofdrolspelers en het aanlokkelijke Italiaanse decor, dat doet smachten naar de pre corona-tijd waarin vakantie een vooruitzicht was en niet slechts een herinnering, zorgen er voor dat het kijken bepaald geen straf is. Voeg daarbij dat Mick Jagger voor het eerst in 20 jaar weer als acteur te zien is en Donald Sutherland (85) de sterren van de hemel speelt.

De film is vaardig gemaakt. Het camerawerk voegt aan vrijwel iedere scene spanning toe. De directe chemie tussen kunstcriticus James Figueras, gespeeld door Claes Bang die eerder schitterde als museumdirecteur in The Square, en de intrigerende Berenice Hollis (Elizabeth Debicki), een Amerikaanse toeriste op zoek naar waarheid in een wereld die aan elkaar hangt van make believe, is als kwik: sterke aantrekkingskracht gecombineerd met giftigheid. Een lust voor het oog en de zinnen.

Regisseur Giuseppe Capotondi verklaarde in een commentaar dat hij de twee hoofdrolspelers uitkoos omdat ze hem doen denken aan de klassieke filmsterren Cary Grant en Kim Novak uit Hitchcock films, waar hij zich duidelijk ook op andere punten door heeft laten inspireren.

The Burnt Orange Heresy is een - sexy - thriller dus het heeft geen zin om over het plot te praten. Alles wat je er tevoren over weet doet af aan de beleving. De dialogen zijn intelligent, bijvoorbeeld over de vraag wat kunst is, van de prehistorische wandschilderingen in de grotten van Lascaux, tot het werk van Mark Rothko, en waarom het gemaakt wordt.

In deze tijd, waarin we van verlangen bonzen op de wanden van onze minibubbels, zijn dat soort gesprekken als ansichtkaarten van verre bestemmingen. Je hebt de prettige onbereikbaarheid van het genot in handen. Dat gevoel geeft de film, een onvervulbare hunkering. Het is een van de thema’s van de film: grip krijgen op dat waar je niet aan kunt komen.

De film is daarnaast prettig vanwege de vele verwijzingen en subtiel verstopte citaten. Check na het kijken de trivia sectie bij imdb.

Een zo’n vermoedelijk easter egg bleef me fascineren en ik weet nog steeds het antwoord niet. Boven het bed van Figueras is na een overtuigende seksscene een portretfoto te zien (zie hieronder). Ik heb het idee dat ik die wel eens eerder gezien heb, dat het een beroemde foto is, maar weet niet van wie. Google leidde me alleen naar dwaalsporen. Mocht je het weten, vertel het me dan svp. Nog een reden dus om de film te gaan zien.

Herken je dit beeld?

Ik bekeek de film via Vitamine Cineville. Klik hier voor andere opties.

Barn (Beware of Children) is een Noorse film over de tienerzoon van een extreemrechtse politicus die plots de dood vindt op het schoolplein. Enige getuige: de tienerdochter van een linkse politicus. Dat klinkt als een Scandinavische politieke thriller maar de film ontpopt zich tot iets heel anders: de loep van regisseur Dag Johan Haugerud speurt niet naar de sporen van een misdrijf maar naar hoe een samenleving, verpersoonlijkt door de ouders en leerkrachten, reageert op het drama.

De opening van Barn is ijzersterk en schept veel verwachtingen die helaas niet helemaal worden waargemaakt. Het verhaal wordt niet makkelijk verteld, er is geen duidelijke hoofdrolspeler. De hoofdrol is weggelegd voor de interactie tussen de acteurs. Het camerawerk geeft je ondertussen het gevoel ter plekke te zijn, alsof je op de rand van het bed zit terwijl geliefden na een vrijpartij hun relatieproblemen bespreken. Het verhaal is hier en daar voorspelbaar en het gebrek aan smaak van de karakters wel erg nadrukkelijk doorgevoerd, tot en met de afstotelijke hoeslakens die me in staat lijken iedere hartstocht ogenblikkelijk te laten verdampen.

Ik weet te weinig van het land waar de extreemrechtse massamoordenaar Breivik heeft toegeslagen om de context goed te kunnen beoordelen maar er vielen me een paar dingen op die kenmerkend zijn voor de Noordwest-Europese samenlevingen, waar Nederland ook enigszins deel van uit maakt. Zoals de verstikkende werking van de Wet van Jante, regels die de groepsdwang in calvinistische maatschappijen samenvatten. De wet wordt in de film expliciet benoemd. Rutte is er hier in ons land de verpersoonlijking van: Zo gewoon mogelijk doen. Op de fiets naar de koning gaan. Vooral zeggen dat je eigenlijk weinig voorstelt. Scandinaviërs en ook Nederlanders - althans die van boven de rivieren - zijn er dol op. Je schittert pas echt als je doet alsof het niet zo is. Een levenshouding die lekker gewoon lijkt maar een recept is voor innerlijke verscheurdheid en maatschappelijke ellende.

In Barn is, op de kinderen na, niemand eerlijk. De Engelstalige titel slaat daar wellicht op: Pas op voor kinderen. Iedereen is luidkeels principieel en vaak hard in het oordeel over anderen maar maakt er ondertussen stiekem zelf een zooitje van. Wie daarbij meteen aan hypocrisie denkt, moet de film bekijken want de maker brengt het meer als een logisch gevolg van de groepsdwang tussen mensen, die er overigens van overtuigd zijn dat ze een heel vrij en bewust leven leiden. Hypocrisie roepen is onderdeel van de cultuur die hij juist bloot wil leggen. Niemand deugt en dat is logisch voor een samenleving die geobsedeerd is door deugen. De enige twee uitzonderingen zijn migranten, dat zal geen toeval zijn.

Even dacht ik dat de film zich tot een Houellebecq- of Sullivan-achtige conservatieve zedenschets zou ontpoppen maar rancune ontbreekt en de spot is bijna liefdevol. De extreemrechtse politicus is net zo erg als je denkt maar ook weer innemend, een beetje zoals Joost Eerdmans kan zijn: een pseudo-Wilders en tegelijk DJ Jopie. De linkse mensen lijken weggelopen uit een partijvergadering van de PvdA waar ze elkaar allemaal kameraadschappelijk een mes in de rug steken.

Ik schrijf dit een dag na het zien van de film en weet nog steeds niet goed wat ik er van moet denken. Het voelt alsof ik per ongeluk een paar dagen doelloos gelogeerd heb in een Noors stadje. Ik zal de film ook niet direct aanraden maar heb tegelijk het gevoel dat ik hem langer bij me ga dragen dan ik verwacht. Het opwekken van dergelijke ambivalentie lijkt precies het doel van de regisseur.

Ik bekeek de film met m’n Cineville-pas op Vitamine. Hier een overzicht van andere mogelijkheden.

Screenshot The Party

Laat ik maar met de deur in huis vallen want dat doet de regisseur ook. Het enige echte goede aan The Party is dat hij maar een uurtje duurt. De film van Sally Potter over een vriendenfeestje dat uit de hand loopt werd in 2017 op lovende recensies onthaald. Het is me een raadsel waarom. De in zwartwit geschoten film wordt bevolkt door steracteurs maar is eendimensionaal, voorspelbaar en gevuld met cliché’s.

De openingsscene is veelbelovend, een getergde Kristin Scott Thomas opent haar voordeur en richt een vuurwapen op de kijker. Had ze maar meteen de trekker overgehaald, denk ik achteraf, dan was me een hoop kijkersleed bespaard gebleven. Direct daarna volgt de eerste waarschuwing voor wat gaat komen, al realiseerde ik me dat pas later. Terwijl de titels op het zwarte scherm verschijnen klinkt Jerusalem, het patriottische lied naar de tekst van William Blake dat Engeland verheerlijkt als een voorbestemd aards paradijs. Het is zelfs een tijdje het lijflied van Labour geweest. In The Party is het geen bombastisch strijdlied meer maar gereduceerd tot een ijle versie. Daar blijkt de film ook over te gaan, over de teloorgang van linkse idealen.

De kritiek op het linkse establishment wordt op zo’n revanchistische wijze uiteengezet dat ik de indruk kreeg dat Houellebecq het scenario geschreven had. Ook om de manier waarop de film draait om het totale gebrek aan eerlijkheid onder de ooit idealistische personages. Dat wordt zo rancuneus verwoord dat je je afvraagt waarom de auteur eigenlijk zo aan hecht aan eerlijkheid. Pleidooien voor eerlijkheid blijken in de praktijk nogal eens als waarachtigheid vermomde ordinaire afrekeningen. In The Party is het niet anders, alleen gaat dat ook voor de film zelf op en dat heeft de regisseur dan weer vast niet zo bedoeld.

The Party speelt zich af in een woning. Dat klinkt als een theaterstuk en de dialogen doen daar ook aan denken. De gesprekken tussen een net benoemd politica en haar benevelde echtgenoot, een cynische hartsvriendin, een feministische hoogleraar en haar in tuinbroek gehulde zwangere levenspartner, een bankier in een duur pak en een zweverige life coach in houthakkersvest, zijn vooral bedoeld om de toeschouwer uit te leggen hoe de wereld echt in elkaar zit. Dat gebeurt op ruziënde, verwijtende toon. Geen van de spelers vertolkt een sympathiek personage, behalve Bruno Ganz. Die ster van Der Untergang mag op een gegeven moment zeggen “I am not a nazi”. Lachen. Wink, wink, nudge, nudge. The Party is ook bedoeld als komedie en ik wil het in alle eerlijkheid niet ontkennen: ik heb een of twee keer gegrinnikt.

Hier een overzicht van waar je The Party kunt zien.