Wachten

“Mensen die met het openbaar vervoer reizen zijn vaker ziek dan zij die met een auto gaan,” zei laatst een collega tegen me en snoot haar neus nog eens stevig in een zakdoek. “Dat is althans mijn stellige overtuiging. Je zit er tussen allemaal bronnen van besmetting in een kleine ruimte.”
De trein als een openbaar toilet op wielen, zo had ik het nog niet bekeken. Maar na een experiment dit weekeinde realiseer ik me al snotterend dat ze vermoedelijk gelijk heeft. De trein als gevaar voor de volksgezondheid.
Zondagochtend liep ik met de witte wijn nog dansend in mijn hoofd om een uur of vier uit Club 11 naar het er naast gelegen Amsterdam Centraal om de nachttrein terug naar Rotterdam te nemen. Het was een lange dag geweest met eerst een debat, toen een borrel, daarna een diner en tot slot een feest. Slim van me om met de trein te gaan, dacht ik nog in al mijn naïviteit terwijl ik mijn stappen precies langs de rand van de stoep probeerde te plaatsen, als een soort visuele houvast.
Het station bleek omgetoverd in een soort Checkpoint Charlie want veiligheid lijkt in deze tijd op de een of andere manier altijd synoniem te zijn met akeligheid. Donker geklede mannen bewaakten de ingang. Binnen zaten in de hal mensen op de grond. Dat vond ik al vreemd.
Boven, op het perron waar de nacht voelde als een koude staalplaat, bleek er alleen een trein naar Utrecht te vertrekken. Op een bord stond iets ingewikkelds met allerlei plaatsnamen dat ik niet helemaal kon decoderen. Dus liep ik terug naar de ingang en vroeg aan de kaartjescontroleur ‘Begrijp ik goed dat er geen trein naar Rotterdam rijdt?’
‘Hoe komt u daar nou bij?’
‘Ik zie een bord met mededelingen en er staat alleen een trein naar Utrecht’
‘O nee, hoor. Als de trein naar Utrecht weg is komt de trein naar Rotterdam. Op hetzelfde perron.’
Ik liep terug naar boven en nestelde me op een bank tussen mensen die keken alsof ze op deportatie wachtten. Een stel met wat koffers liep nerveus heen en weer. “Je zult maar een vliegtuig moeten halen en afhaneklijk zijn van de NS,” dacht ik.
De trein naar Utrecht vertrok en het bord begon te ratelen tot de bestemming Rotterdam verscheen.
Even was er opluchting, tot ik de rode lettertjes ontwaardde. Vertraging ±30 minuten.
De iPod Shuffle die als een muzikaal amulet om ’n nek hing, beschermde me met geruststellende klanken tegen oprukkende wanhoop.
“Waar, waar is hij gebleven. Waar is mijn woede?” zong Francoiz Breut in haar liedje Ma colère.
Het stel met de koffers verliet al op hun horloges kijkend het perron.
De woede kwam later op. Nadat de omroeper alle wachtenden van perron 2 naar perron 15 had laten verhuizen waar na een kwartier wachten de aankondiging van de trein naar Rotterdam zonder enige mededeling van de borden verdween.
Plots verscheen er op een ander perron, aan de overzijde van het spoor een aankondiging van een trein naar Den Haag Holland Spoor. De wachtende meute kwam in beweging en gulpte richting roltrap. Ik zag een bekende, groette en struikelde meteen waarop ik hem in het gedrang weer kwijtraakte. Het was inmiddels half zes in de ochtend.
“Hoe kom ik in Rotterdam?” vroeg ik aan de conducteur die op het perron stond te wachten.
“Rotterdam?” herhaalde hij verbaasd alsof ik gevraagd had om een enkele reis Kirchizië. “Overstappen in Leiden.”
In de trein viel ik in slaap en werd wakker op Holland Spoor.
Pas daar werd het me duidelijk. Er reden wegens werkzaamheden helemaal geen treinen naar Rotterdam. Vanaf Delft werden bussen ingezet.
Aan de hemel viel het prille ochtendgloren waar te nemen. Het was koud, verdomd koud. Kleumend hingen de wachtenden tegen de muren. Ik drukte mijn neus tegen de deur van de verwarmde wachtruimte. Afgesloten.
Verderop stond een deur op een kier waarachter een rokende NS-er met wat collega’s overleg voerde.
“Mag ik u vragen waarom we geen gebruik mogen maken van de verwarmde wachtruimte?” vroeg ik zo beheerst mogelijk.
“O, is die op slot?” Hij keek op zijn horloge. Het was zeven uur. Zondagochtend.
“Ja.”
“Die is niet van ons. Die is van NS-stations. Daar gaan wij niet over.”
Ik dacht aan dat reclamefilmpje over de bureaucratische loketbediende en de verloren opblaaskrokodil. Dat was vast verzonnen door een treinreiziger.
Mijn vrolijke, feestelijke stemming was inmiddels volledig verdampt, het gevoel van een aangename dag compleet verdwenen. Ik dacht aan een comfortable auto, aan Spa Rood en dat het best te doen is om dat een hele dag en avond te drinken. Ik stelde me Amsterdamse hotelkamers voor met zachte lakens.
En ik vervloekte zachtjes alles wat met NS te maken heeft. Het concept ‘reizigers’ lijkt voor dat bedrijf niet te bestaan. Anders had het wel bedacht om passagiers voor Rotterdam over Utrecht en Gouda te vervoeren. Dan had ik nu in bed gelegen, zoals de bedoeling was. In plaats daarvan richt het bedrijf zich als een zwakbegaafde volledig op het uitvoeren van de geplande dienstregeling. Wat het vervolgens niet blijkt te kunnen.
De trein arriveerde, stopte in Delft en daar wachtten de bussen. Met de nadruk op wachtten. Ze vertrokken na een kwartier. Waarop ze nog wachtten was niet duidelijk. Misschien deden ze het uit gewoonte. Werken bij de NS bestaat immers voornamelijk uit wachten. Wachten op vertrek, wachten op het sein, op de wissel. Wachten, zou je kunnen zeggen, is de natuurlijke staat van het bedrijf en de mensen die er werken.
Om half negen kroop ik onder mijn dekbed. Klappertandend.
Wachtend op de verkoudheid die zou opkomen.
Hatsjoe.