Categoriearchief: Kunst

Lente zoals ik die nooit eerder gezien heb

In de Belgische media las ik verhalen over een net geopende tentoonstelling in het Brusselse Bozar van de Britse schilder David Hockney, een naam die me eerlijk gezegd bekender voorkwam dan zijn werk. Ik googelde wat plaatjes. Het sprak me niet aan. Maar de recensies waren laaiend, op de kaartjes was een niet eerder vertoonde stormloop gaande en ik laat me altijd graag van het tegendeel van mijn mening overtuigen. Nou ja, dat laatste dan bij wijze van spreken hè.

Dus zondag toog ik naar Brussel, een andere wereld die eigenlijk onder handbereik ligt. Vijf kwartier rijden, dat is niks. Er zijn dagen dat ik die tijd op Instastories doorbreng en me er achteraf niets van kan herinneren. De zon scheen alsof de lente er aan kwam, de verkeersdrukte viel mee en de Vlaamse radiopresentatrices klonken als vanouds met hun stembanden van velours.

Van Brussel begrijp ik nooit hoe de stad in elkaar zit en dat beperkt zich niet tot het stratenplan. Het is een stad die graag meerdere opties biedt, niet alleen met de straatnaambordjes in Frans en Nederlands, het wordt doorgevoerd in alle aspecten. Bozar bijvoorbeeld blijkt drie potentiële ingangen te hebben. Of nee, laat me corrigeren: minstens drie, want bij de derde had ik prijs en daarna heb ik niet verder gezocht. Aan de deur een Coronacheck en vervolgens binnen toch een mondkapje op moeten. Ik heb er maar niet meer over nagedacht.

De tentoonstelling van Hockney bestaat uit twee delen, een overzichtstentoonstelling uit de Tate Collectie met werk van 1954 tot 2017 en het nieuwe: De komst van de lente.

Je ziet eerst aan de werken in het overzicht hoe Hockney, een van de beroemdste levende schilders, ooit heel traditioneel begon en steeds meer ging experimenteren. Hij verkende de wereld, vertrok naar Los Angeles en ontdekte al doende ook zichzelf, een ontluikende homo in de jaren zestig. Je ziet dat het iemand is die niet bang is, niet voor het experiment, noch voor zichzelf.

Vaak is het geen goed teken als een kunstenaar regelmatig van stijl wisselt maar bij Hockney is het een verademing. Hij tracht de vinger te leggen op dit: de wereld is zoals wij die zien. Onze blik, wat we kunnen zien, is bepalend, los van wat er werkelijk is.

Hoe ziet bijvoorbeeld water in een zwembad er op een schilderij uit als water eigenlijk alleen maar doorzichtig is, legt de begeleidende tekst uit bij een schilderij van een typisch Amerikaanse swimming pool. Ook al zo’n feestje, de informatie is nu eens niet van dat kunstgebabbel waar Nederlandse musea aan verslaafd lijken, van die teksten die je drie keer moet lezen om tot de ontdekking te komen dat er eigenlijk vooral niets gezegd wordt.

In de lente van 2020, tijdens de lockdown, trok de toen 83-jarige kunstenaar zich terug op een landgoed in Normandië. Hij begon het seizoen te schilderen. Op z’n iPad, met een speciaal voor hem customized app. Het resultaat is fenomenaal, doet denken aan de waterlelies van Monet, de natuur van Van Gogh. Hier probeert een schilder met alles wat in hem zit grip te krijgen op de magie van de natuurlijke wereld.

Nooit gedacht dat iemand me nog eens zou verrassen met het schilderen van kersenbloesem. Zeker niet na de recente teleurstellende ervaring met Damien Hirst die kersenbloesem tentoonstelt in Parijs. Hockney lukt het wonderwel. Mijn mond viel open. Zelf zegt hij dat de iPad hem in staat stelt beter te schilderen dan met verf, omdat hij de kleuren in een handomdraai kan aanpassen. Bij verf duurt dat langer en dan ben je meestal te laat want natuurlijk licht verandert voortdurend en snel. Dat kun je zien want een van de werken is een registratie van een schilderij in wording. Je ziet de bloesem opkomen en het licht veranderen.

Er mag in de tentoonstelling niet gefotografeerd worden. Voor iemand als ik, bij wie de iPhone fungeert als derde oog, klinkt dat teleurstellend maar het bleek een bevrijding. Op de een of andere manier kwamen de schilderijen, eigenlijk zijn het prints, daardoor meer tot leven. Ik keek bewuster. Het beeld brandde zich op mijn eigen netvlies in plaats van op de chip in de iPhone. Het onderwerp, natuur in de lente, deed de rest. Ik werd zen.

Hockney is stokoud maar zijn stijl oogt als die van een 20-jarige. De gretige levenslust spat er van af. Dat is besmettelijk. Het overkomt me niet vaak maar ik verliet de tentoonstellingsruimte energieker dan toen ik naar binnen ging. Knappe kunstenaar die dat voor elkaar krijgt.

Traag kijken

Richard Dadd – The Fairy Feller’s Master-Stroke

Kikkers hoor je eerder dan je ze ziet. Misschien dat ze zo hard kwaken omdat ze juist zo’n goede camouflage hebben, een geintje van de evolutie. Je wordt onzichtbaar gemaakt waardoor niet alleen de roofdieren maar ook je potentiële partners je niet meer kunnen vinden. Dus krijg je een luid stemgeluid waarmee je de hele buurt bij elkaar kunt roepen. Een audio-versie van Tinder.

Sta bij een vijver met kikkers en er gebeurt iets wonderbaarlijks. Eerst zie je helemaal niks. Geen kikker te zien. Dan zie je er een. Daar. Gevonden. Dan nog een. En nog een. Na een minuut of wat zie je dat het water vol zit met kikkers. Ze zaten er al die tijd zonder dat je ze zag. Dat is een raar fenomeen. Onwillekeurig gaan we er vanuit dat als je kijkt, je ook ziet. Maar dat is maar ten dele waar. Hoe langer je ergens naar kijkt hoe meer je opmerkt. Met als tweede verrassing dat je je niet meer kunt voorstellen dat je het eerst niet zag. Je kunt wat je ziet niet meer ontzien.

Ik moest er aan denken toen ik door het duister over de snelweg raasde en luisterde naar een podcast van Tate, het Britse museum, over traag kijken. Dichter Bumi Thomas vertelt er over met een asmr-achtige stem. Heel langzaam ook. Er komen mensen aan het woord die zelf traag kijken. Een vrouw die al 15 jaar lang naar Tate gaat om een en hetzelfde schilderij te bekijken. Het is dan ook een zeer complex schilderij. Ze vertelt dat ze pas recent ontdekte dat op het schilderij een krekel te zien is die trompet speelt. Je kunt wel bedenken wat ik bij thuiskomst deed. Ik googelde het schilderij The Fairy Feller’s Master-Stroke door Richard Dadd uit 1855 en ging op zoek naar de krekel.

Zo werkt het dus niet.

Als je het schilderij bekijkt, kun je je nog voorstellen dat daar steeds nieuwe dingen in te ontdekken vallen. Het schilderij heeft ook nog een verborgen lading. Het is geschilderd door een moordenaar tijdens zijn detentie. Je kijkt misschien naar de demonen in zijn hoofd.

Maar hoe zit het met traag kijken naar andere kunstwerken? Aan het woord komt een gids die mensen door Tate leidt en hen leert traag te kijken. Dat is geen overbodige luxe. De gemiddelde museumbezoeker besteedt gemiddeld 27 seconden aan het bekijken naar een kunstwerk. Ik hoorde het en dacht voor het eerst ‘verdomd, ik ben gemiddeld’. Ik loop langs kunstwerken en werp snelle blikken. Dat doe ik ook om mezelf te beschermen. Kunst diep op je in laten werken is vermoeiend. Na tien werken ben ik uitgeput. Alsof ik drie romans achter elkaar heb uitgelezen. Maar 27 seconden. Dat is geen goede selectiemethode realiseer ik me nu.

De gids beschrijft de manier om echt langzaam te kijken. Je gaat voor een werk staan en sluit twee minuten lang je ogen. Daarmee zuiver je je gedachten van alles wat je bij aankomst in je op hebt genomen. Dan open ze je en ga je lang kijken. Je begint bijvoorbeeld bij het bestuderen van de vorm, dan de verhoudingen.

Ik probeerde me voor te stellen dat ik dat zou doen. In een museum. Hoe is het als je met je ogen dicht gaat staan voor een schilderij? Dat kan alleen in een stil museum. Anders roep je misschien wel irritatie of zelf agressie op. Opzij, opzij, opzij. De andere bezoekers willen hun 27 seconden wel nuttig besteden.

In het Stedelijk Museum Schiedam is nu een Rothko kapel ingericht waar een schilderij hangt van de Amerikaanse schilder, Grey, Orange on Maroon, No. 8 uit 1960. Als je naar binnengaat kun je je mobiele telefoon inleveren want niets mag je afleiden.

Het lijkt me een ideale plek om traag te kijken. Ook omdat er op schilderijen van Rothko op het eerste gezicht niet veel te zien is. Een beetje als staren in een vijver en dan geleidelijk de wonderen ontdekken. Maar traag is relatief. Voor wie 27 seconden kijkt is het al een stuk langer maar 5 minuten is nog te kort.

Op de museumsite staat:

“Kijken mag zo lang je wilt, tenzij er veel bezoekers wachten. Dan geldt een maximum van 5 minuten per persoon. Mensen die het schilderij gegarandeerd een uur voor zichzelf willen hebben, kunnen vóór openingstijd een uur alleen boeken. Klik daarvoor hier.

Durf ik dat? Een uur alleen zijn met een schilderij?

De podcast The Art of Slow Looking vind je hier.

PS: Ik kreeg via Twitter de tip dat Queen een nummer heeft gewijd aan het schilderij van Dadd.

https://twitter.com/arneut/status/1133425550771576832

Besmettelijke levenslust

Zijn we de afgelopen decennia truttiger en bekrompener geworden? Die vraag bekroop me toen ik in het Fotomuseum de tentoonstelling Lust for Life met werk van Ed van der Elsken zag. Met ‘we’ bedoel ik natuurlijk niet mezelf of jullie maar de anderen, de ‘we’ die je kent uit zinnetjes als ‘wat denken we te gaan doen’, de passief agressieve ‘we’, om het kort samen te vatten gewoon iedereen die anders is dan ik.

Dus zijn we de afgelopen decennia truttiger en bekrompener geworden? Op de foto’s van Van der Elsken zie je mensen die vrijheid uitstralen, met hun lach, hun kleding. Ze leven intens. Zelfs de hongerigen, zelfs de verschoppelingen. Het is een soort mens dat je niet meer ziet als je over straat loopt, behept met een mentaliteit die je associeert met hippies: vrijheid, blijheid. Soms ook letterlijk. 

Zandvoort, 1976

Tussen de foto’s hangt een beeld van de Amsterdamse vrijstaat Ruigoord uit de jaren ‘70. Vrolijke levensgenieters. Ik kijk er naar en merk dat ik onwillekeurig reageer met de weerzin die meestal wordt opgewekt door afgunst. Je zult maar zo moeten leven. Hoe lang heeft dat geduurd? Zouden ze er met tevredenheid op terugkijken? Hadden ze hun tijd niet beter kunnen gebruiken? Het is een reactie die nergens op slaat, die ik niet heb bij andere beelden. 

De Ruigoord-foto laat mensen zien die ervoor kozen zich aan alles te onttrekken, een keuze die ik nooit zou durven maken. Ik weer dat af met kritiek. Ik wijs hen af omdat ik misschien wel zo had willen zijn. Anders gezegd: de Houellebecq in me komt naar boven. De afkeer van de vrijheid van anderen. Ik wist niet dat ik m in me had. Nou ja, vermoedde misschien wel. In me zit immers alles. Van tedere geliefde tot kille moordenaar. De een koester je, de ander onderdruk je als hij bijvoorbeeld uit het niets tevoorschijn komt bij de confrontatie met kassavoordringers of wegpiraten. Dood moeten ze. Dat is niet goed. Je stopt de moordenaar terug in je hok, je innerlijke kerker.

Houellebecq is de geest van deze tijd, hoezeer ik z’n werk ook verafschuw. Niet Henry Miller of Anais Nin, niet Erica Jong of Jan Cremer. Niet Jean-Paul Sartre of Simone de Beauvoir. Houellebecq, de vleesgeworden grijsheid. Aan de andere kant is het begrip tijdgeest natuurlijk een verzinsel. Er is niet zoiets als een tijdgeest.  Het is een poëtische manier om de schuld bij anderen te leggen, een schaamlap voor je eigen onvermogen. 

Chili, 1971

Terug naar de jaren 60-70, Vrijheid, blijheid. Dat stralen de foto’s uit. Als het er niet op te zien is dan is het gemis ervan een aanklacht. Je ziet mannen in zwarte pakken, het zijn dictators.  

Ik leerde het werk van Van der Elsken kennen toen ik 18 was en zelf fotograaf wilde worden. Zijn boek Eye Love You was toen net verschenen. Ik herinner me dat het me opviel dat zijn werk niet zo politiek was als dat van andere sociale fotografen, zoals ze destijds genoemd werden. 

Nu zie ik dat ook Van der Elsken politiek was, maar op een andere manier, oppervlakkiger en tegelijk dieper. Menselijker. Het maakt dat zijn werk nog steeds actueel voelt. De titel van de tentoonstelling doet zijn werk eer aan. Wie de foto’s ziet raakt vervuld van levenslust.

Vlaanderen, 1968

Eenmaal weer buiten kijk ik om me heen. Nergens kleurige kleding, noch lachende mensen. Nergens vrolijkheid. Nergens vrijende stelletjes. Nergens de liefde die er in zoveel foto’s vanaf spat. Allemaal keurige burgermensen, opgejaagd door verveling, gekleed in de grauwe, donkere kleuren die al jaren in de mode zijn. Het komt door mij, niet door de mensen denk ik gauw. Het kan niet waar zijn. De cultuurpessismist in me is waarschijnlijk naar boven gekomen, zo iemand die het verleden prachtig en de toekomst lelijk vindt. Snel terug in de kerker gooien.

Ik sla aan het rationaliseren, een effectief middel tegen ongewenste gedachten. Van der Elsken was een mensenfotograaf, hij wond zijn onderwerpen om z’n vinger met z’n sympathieke verschijning. Hij besmette ze met zijn joie de vivre. Dat is wat je op de foto’s ziet, denk ik. Op iedere foto zie je Ed van der Elsken, in de gedaante van iemand anders.

We zijn nu gelukkiger dan toen, houd ik mezelf voor, als een leerling van Hans Gosling, de optimistische statisticus die te jong is overleden. We leven gezonder. We hebben meer keus. We mogen meer. We zijn rijker. We zijn gelukkiger. Je ziet het alleen niet als je je laat beïnvloeden door de algemene beeldvorming.

Bangladesh 1974

Het is een geruststellende gedachte. De mensheid is heus niet veranderd. We zijn nog steeds even vrolijk en fleurig als toen. We zijn nu zelfs vrijer. In alle opzichten. Van der Elsken trok de wijde wereld in toen dat nog zeldzaam was. Hij ging naar India en toonde ons in bladen als Avenue de onbekende wereld. Dat is niet meer bijzonder. Die bladen hebben hun functie verloren en zijn verdwenen. Nu reageer je als iemand zegt naar India af te reizen met ‘voor hoeveel dagen’? Alles wat Van der Elsken toont is gewoner geworden, daarom herkennen we het juist niet meer, denk ik bij mezelf als ik over de Erasmusbrug richting het centrum van de stad loop. 

Dan zie ik de file langzaam rijdende auto’s op de brug. Ze zijn bijna allemaal grijs of zwart of anderszins donker gekleurd. Ineens realiseer ik me dat ze op de foto’s van Van der Elsken veertig jaar terug nog fel en vrolijk gekleurd waren. Daar kiezen we nu niet meer voor. Onpraktisch. Oneconomisch. Dat zal het zijn, maar je maakt mij niet wijs dat grijs de kleur van geluk is.

Lust for life. Ed van der Elsken in kleur. Ga ‘m zien.

Wat ik zag, hoorde, las en herinnerde van 2018

Ik ben niet zo van de beste dit of de beste dat, behalve dan de beste wensen, maar dit zijn de films, boeken, theater, kunst en muziek waar ik zo van genoot en door geraakt werd in 2018 dat ik ze niet snel zal vergeten. Van iedere categorie een.

Speelfilm: Den Skyldige

Een van de indrukwekkendste films die ik de afgelopen 10 jaar zag. Aangrijpend. Het overkomt me niet vaak dat ik in de bioscoop een traan moet laten maar Gustav Möller weet het met deze verpletterende debuutfilm voor elkaar te krijgen. Een agent in een Deense alarmcentrale krijgt een telefoontje over een ontvoering en wat er dan gebeurt… Een thriller, drama en zonder dat het benoemd wordt ook een scherpe politieke kritiek.

Documentaire: Fahrenheit 11/9

Michael Moore op z’n best schetst op de hem eigen wijze een even komisch als verontrustend beeld van de politieke situatie in de Verenigde Staten. Democratie of dictatuur, dat is de keuze waar het land voor staat.

Roman: Geschiedenis van geweld

Ik moest er twee keer in beginnen, in deze roman van Edouard Louis. De eerste keer kreeg het verhaal over een man die een onbekende van straat in huis haalt geen vat op me. De tweede keer liet het me niet meer los. Het is een verhaal dat onder je huid kruipt, je bent met hen in de kamer, bekropen door eenzaamheid en angst, de leidende gevoelens van deze tijd.

Non-fictie: Uit de puinhopen

Niet eerder las ik zo’n heldere beschrijving van de wereld waarin we ons bevinden en hoe we daar verandering in kunnen brengen. Het is een messcherpe analyse van maatschappelijke misstanden en de dominantie van het neoliberale denken, een systeem dat volgens bioloog en journalist George Monbiot veel beter is toegesneden op chimpansees dan mensen. Het alternatief dat hij schetst, doet veel meer denken aan bonobo’s, je weet wel de apen die alles oplossen met liefde en seks.

Muziek: La même

Een duet van m’n twee favoriete Franse zangers, Maître Gims en Vianney, de een met een stem diep als een scheepshoorn, de ander die fragiel klinkt alsof hij door een plastic koffiebekertje zingt. Over het niet in hokjes gestopt willen worden. ‘Het is mij hetzelfde’. Voor op repeat.

Theater: Para

Het stuk dateert uit 2017 maar ik zag het dit jaar voor het eerst. Bruno Vanden Broecke die eerder al zalen platspeelde met de solovoorstelling Missie over een pater in Congo, is in Para een Belgische militair die terugkeert van een vredesmissie in Somalië. Hij kegelt ons zelfbeeld in een langzaam ontrollende strike helemaal omver. Meeleven met de militair en compleet geschokt raken door wat er wordt aangericht. Ik verliet de zaal in totale verwarring.

Kunst: The London Mastaba

Een puntloze piramide opgebouwd uit ruim 7500 olievaten die deze zomer dreef in de vijver van Hyde Park. Dit gigantische kunstwerk van Christo en Jeanne-Claude omvat de geschiedenis en – hopelijk – toekomst van de klimaatcrisis. Het doet onwillekeurig denken aan het Egyptische rijk, groots maar toch ten ondergegaan, uit de woestijn waar de olie vandaan gehaald wordt die een ongekende rijkdom heeft gebracht maar ook de totale verwoesting. Drijvend, niet in staat zelf koers te houden. Nadat de mastaba werd afgebroken, werd alles recycled en kreeg het park een ecologische opknapbeurt. Laat ook dat een voorbeeld zijn.

Iedereen een mooie Kerst en een goed 2019 gewenst, dank voor je aandacht en interesse.

Paniek in Purmerend

We wilden naar Yentl & De Boer, een kleinkunstduo dat ik niet kende maar waarvan de toernee overal was uitverkocht, behalve in Purmerend. Dat had een teken moeten zijn dat Purmerend anders is dan andere plaatsen maar omdat ik nergens op bedacht was, viel het me niet op. Ik dacht zelfs dat ik nog nooit eerder in Purmerend was geweest. Pas ‘s nachts toen ik weer veilig thuis was uit de gemeente die een wormgat blijkt te zijn naar een andere wereld, realiseerde ik me dat ik er lang geleden wel eens geweest was. Die ervaring had ik compleet verdrongen maar flarden kwamen weer boven.

Een debatavond in de plaatselijke bibliotheek op een zomeravond die zo warm was dat de zwaluwen rondvlogen met zuurstofmaskertjes op. Ik zie ons nog zitten, een panel van vijf deskundigen om vanachter een tafel te discussiëren over de digitale revolutie. Voor ons een lege zaal met slechts drie belangstellenden, waarvan twee bibliotheekmedewerkers. ‘We hebben nog wel persberichten verstuurd’, zei de een. ‘En affiches opgehangen’, vulde de ander aan terwijl hij wees naar een A4tje dat op de deur bevestigd was. ‘Maar we wisten niet dat er ook voetbal was.’ 1994, in de VS was het WK aan de gang.

Nietsvermoedend reden we Purmerend binnen. Aan de rand van het centrum een grote parkeergarage. Die maar meteen nemen want het was koopavond dus wie weet stond het verkeer verder helemaal vast. We liepen twee straten door naar het theater. Het was tien voor half acht, de voorstelling begon om kwart over, we konden nog wat eten. Tenminste dat dachten we.

Heeft u de kaart voor ons, vroegen we aan de ober van het theaterrestaurant. Nee, de keuken is al dicht want er is een voorstelling.

We keken om ons heen. Aan tafeltjes werkten mensen salades en frites naar binnen.

Ja, dat weten we, we komen voor de voorstelling daarom willen we nog snel even wat eten.

Sorry.

Een klein hapje? probeerden we nog.

Nee, echt niet.

Ik moest lachen, wat een idioterie. Kom we gaan ergens anders heen. Als ze geen geld willen verdienen dan niet en buiten op het plein had ik een terras gezien.

We gingen zitten. Kunnen we wat te eten bestellen?

Nee, dat gaat niet, de keuken heeft het te druk. Die hebben daar echt geen tijd voor.

Het terras was half gevuld.

We komen van ver en gaan zo naar het theater. Heeft u dan niet iets? Kaassticks? Bitterballen?

Nee.

We pakten de kaart. Hier, sneetjes brood met smeersels, mogen we dat dan?

Alleen als de bediening het kan maken. Want de keuken heeft daar echt geen tijd voor.

Even later zette een serveerster een schaaltje op tafel. Hier heeft u alvast wat nootjes. Het duurde even maar toen kwam er een mandje stokbrood. Nog warm. Met een schaaltje aioli en een met pesto. En een bakje chips.

De theaterzaal was toch uitverkocht. Ik keek om me heen. Lang geleden beschreef de dichter Levi Weemoedt in Bedroefd maar Dankbaar op de hem bekende hilarische wijze wat hij meemaakte toen hij samen met Hans Dorrestijn een theatertoer door Nederland maakte. Specifieke anekdotes schoten me niet meer te binnen maar wel de sfeer van die verhalen. Die sfeer hing hier veertig jaar later nog.

Na afloop van de voorstelling liepen we naar de parkeergarage. Het was kwart voor tien, we konden in Amsterdam nog wel ergens wat gaan eten.

Steek uw kaart in de gleuf, stond er op een paal bij de ingang. Alleen, er was geen gleuf.

De deur zat op slot. We zagen nu dat de rolluiken ook naar beneden waren. Vrijdag open tot 21:30 stond er op de ruit. Verdorie, dat wordt een boete betalen. We belden het nummer dat stond vermeld. Er werd niet opgenomen.

Tegenover de parkeergarage een pompstation. Misschien wisten zij hoe we de beheerder moesten bereiken. Helaas, ook het pompstation was dicht.

De parkeergarage bleek niet onder te doen voor een vesting uit de 80-jarige oorlog. Nergens een bel of opening. We googelden. Niets te vinden. Dus belden we de politie.

Een aardige begripvolle stem. Gelukkig. Die ging het uitzoeken.

De batterij van de telefoon was bijna leeg. Hoeveel energie verbruikt het afspelen van een wachttoon?

Ik heb het nagevraagd maar ze komen niet voor laatkomers.

Wat bedoelt u?

Ze doen niet open voor mensen die te laat hun auto ophalen.

Maar er is toch wel een beveiligingsbedrijf?

Ja, maar die komen dus niet.

Wat moeten we dan nu?

Ik zou het niet weten.

Een hotel? Met de trein naar huis en morgenochtend weer terug? Elke optie was vreselijk.

Het glas van de toegangsdeur bevatte draadstaal. Daar kom je niet zo doorheen. De deur was beschermd met een antikraakstrip. Ze hadden zeker ervaring met mensen die ze buiten trachtten te houden. Op de eerste verdieping zag ik een opening. Maar hoe daar bij te komen?

Plots stopte met brullende motor een auto voor de deur. De bestuurder hield een pasje bij de paal. De deur rolde naar boven en hij scheurde met gierende banden naar binnen. Een abonnementshouder. Snel renden we er achteraan. Achter ons zakte de deur dreigend naar beneden. Konden we er nog uit komen?

Binnen stond de betaalautomaat. We rekenden af, starten de auto en reden naar de uitgang. Zou de deur opengaan? Hadden we een sleepkabel om die open trekken als dat niet het geval was? Of zouden we gewoon op het brandalarm moeten drukken?

Voer uw kaart in.

Wachten.

U kunt nu uitrijden.

De deur ging omhoog. We gaven gas en reden weg, volgens de lokale traditie met piepende banden. Weg, weg, snel Purmerend achter ons latend voor er nog een verrassing kwam. De ramen gingen neer, de muziek aan. Vrijheid!

Purmerend. Het zou de titel kunnen zijn van een Scandinavische horrorfilm.

Leonard Cohen: The way to say goodbye

(Beluister hier het interview met Radio Rijnmond)
Vanochtend om even voor zessen werd ik wakker met in mijn hoofd de vraag of ‘Hey, that’s no way to say goodbye’ een goed nummer zou zijn om te draaien op mijn begrafenis. Niet dat ik plannen heb om dood te gaan, in het geheel niet. Maar ik bleef even in de vraag hangen. In gedachten zag ik mijn kist staan en de rouwenden. Ik heb ooit gelezen dat je in dromen nooit gezichten ziet. Ik zag ze nu ook niet. Ik hoorde ‘I loved you in the morning, our kisses deep and warm’. Nee, dat kan ik de mensen niet aan doen, dacht ik.

Vervolgens werd ik echt wakker en pakte zoals gewoonlijk mijn telefoon. Mail van een vriendin uit de VS met maar 1 zin. “Leonard Cohen overleden.” Mijn god.

De afgelopen weken had ik zijn laatste album, dat hij naar verluid zittend op een stoel heeft opgenomen, op repeat. “You want it darker. We kill the flame.” Het klinkt weer profetisch, zoals zo vaak bij Leonard Cohen. “I’m ready, my Lord.”

Leonard Cohen in het Concertgebouw, 1979

Leonard Cohen in het Concertgebouw, 1979

Er schijnt zoiets te bestaan als de soundtrack van je leven. Bij mij zou die dan helemaal gevuld zijn met nummers van deze zingende dichter. Ik heb hem drie keer zien optreden. De eerste keer in 1979 in het Concertgebouw, de ‘Field Commander Cohen’ tour die later nog op cd is uitgebracht. De tweede keer in de jaren tachtig in De Doelen, toen het echt niet goed met hem ging en de laatste keer in 2008 in het Amsterdamse Westerpark. Dat was magistraal. Hij moest toen weer gaan toeren omdat zijn manager z’n hele fortuin had gestolen. Dat overkwam hem vaker. De rechten op de wereldhit Suzanne raakte hij in de jaren zestig kwijt aan een gewiekste agent voordat hij er iets aan verdiend had. Bureaucratisch zwak begaafd, zo herkenbaar.

Over z’n muziek wordt nu veel geschreven door mensen die veel verstand van muziek hebben. Daar reken ik mezelf niet toe. Hetzelfde geldt voor zijn poëzie. Dus ik ga er niets over zeggen. Maar laat me je een van mijn favoriete gedichten tonen.

I wonder how many people in this city
live in furnished rooms.
Late at night when I look out at the buildings
I swear I see a face in every window
looking back at me
and when I turn away
I wonder how many go back to their desks
and write this down.

Heel vaak als ik in een stad ben en uit het raam kijk, denk ik hier aan. Dat is zo tekenend voor Cohen. Hij zingt geen liedjes, hij tatoeert je hersens. Althans de mijne.

Ik ben vervolgens nog nooit naar m’n bureau gelopen om het op te schrijven. Want dat had hij al voor me gedaan.

Thank you very much, mr Leonard Cohen.