Oriana Fallaci is overleden. “Fallaci viel de afgelopen jaren op door haar kritiek op de radicale islam,” meldt het bericht.
Fallaci was de Brigitte Bardot van het geschreven woord, een vrouw waar je diepe bewondering voor koestert en die dan langzaam afglijdt naar een positie buiten je belevingswereld. Zoals Bardot in extreem-rechtse kringen belandde, zo takelde Fallaci af tot een anti-islamhysterica.
In de jaren zeventig en tachtig bereikte ze een cultstatus omdat ze spijkerharde interviews afnam met de meest gevreesde mannen op aarde. Ze vroeg bijvoorbeeld een Latijnsamerikaanse dictator of hij bloed aan zijn handen had. In die tijd was dat ongehoord.
Haar boek Een Man over haar tumulueuze relatie met de Griekse verzetsheld en politiek gevangene Alekos Panagoulis, is een van de meest indrukwekkende verhalen die ik ooit gelezen heb.
Ze verdween uit beeld en kwam na 11 september terug op het podium als islam-haatster.
Misschien valt dat wel te verklaren door een van de meest leerzame scenes die ik van haar ken. In ‘Niets En Zo Zij Het’, een verzameling prachtige reportages over de Vietnam-oorlog vertelt ze hoe ze in de cockpit van een Amerikaanse jachtbommenwerper kruipt en meevliegt op een missie.
Ze is overtuigd van de foutheid van de oorlog en groot voorstander van vrede.
Dan komen ze boven een dorp en opent de Vietcong het vuur op haar vliegtuig.
Ze schrikt, wordt doodsbang en raakt plots vervuld van bloeddorst.
Ze wil dat het hele dorp platgebombardeerd wordt. Maak ze af, allemaal, schreeuwt ze tegen de piloot in blinde haat.
En ze schrijft het zo op, dat je het helemaal begrijpt.
Zo werkt oorlog.
Na 11 september gebeurde dat kennelijk opnieuw.
(Ik heb het boek uitgeleend en nooit teruggekregen maar in mijn herinnering gaat het zo)