Maanden geleden, tijdens een ontspannen gesprek in een restaurant, zei mijn tafelgenoot ineens ‘ik ben benaderd om kandidaat kamerlid te worden, zal ik dat doen?’
Kamerlid zijn. Dat is een weinig begerenswaardige functie. Het betekent in het geval van een serieuze partij hard werken en lange dagen maken. Je kunt wat uitrichten maar altijd minder dan je zou willen. En de rest van Nederland denkt dat je altijd vrij hebt of de kantjes er vanaf loopt omdat ze op de televisie steeds die onbezette zetels zien.
Wat is er eigenlijk na het kamerlidmaatschap? Slechts een paar procent van de kamerleden schopt het tot minister of staatssecretaris. De rest? Geen idee. Meestal hoor je niks meer van ze.
Ik zou het niet doen, antwoordde ik. Je bent nu vrij om te vinden wat je vindt, je kunt je leven zo inrichten als je wilt. En je verdient waarschijnlijk meer geld dan een kamerlid. Waarom zou je daar een einde aan maken?
Na de zomer sprak ik haar weer. Ze had mijn advies in de wind geslagen en stond op de lijst. Waarom? ‘Er moet iets veranderen in dit land en dat is de plek om er wat aan te doen’.
Tja, zo simpel is het eigenlijk.
Ik loop straks naar het stembureau en druk dan op haar naam.