Trots op onbenul

hirstshark.jpgBert Wagendorp is columnist bij de Volkskrant en naar ik heb begrepen kan hij heel goed over sport schrijven. Ik kan dat zelf niet inschatten want ik heb geen verstand van sport. Ik heb wel een beetje kennis van hedendaagse kunst. Daar schrijft Wagendorp vandaag over. Hij heeft het over Damien Hirst, niet omdat hij geïnteresseerd is in het werk van Damien Hirst of omdat hij er iets interessants over te melden heeft maar omdat iedereen het er over heeft. Dat mag. Columnisten hebben het vaker over zaken waar iedereen het over heeft. Of andersom, dat is de magie van het columnistendom.
En de tentoonstelling For the Love of God (mooie website) is natuurlijk een columnistenmagneet. Het is zelfs onderdeel van het kunstwerk. Al die sensatie om de met diamanten bedekte schedel hoort bij wat Hirst wil overbrengen.
‘De schetenkoning’ heet de column van Wagendorp en die titel dekt meteen de lading. Volgens Wagendorp is de kunst van Damien Hirst nep en trapt iedereen er in. ‘De man kan helemaal niks’, schrijft hij. We gaan volgens volkspsycholoog Wagendorp allemaal naar Hirst kijken omdat… ja omdat we nu eenmaal allemaal naar Hirst gaan kijken.
Verder komt hij niet.
Het is de kritiek van iemand die zich verzet tegen wat hij niet kan doorgronden: Ik begrijp het niet, dus het kan ook niks zijn.
Het is kritiek die al zo oud is als de opkomst van Moderne Kunst. “Picasso kan niks,” zei mijn vader altijd. “Hij koopt al die handelaren die veel geld voor zijn werk betalen gewoon om. Zo creëert hij een hype.”
Kunst als pyramidespel. Zo ziet Wagendorp het ook. Lekker makkelijk.
Het werk van Hirst gaat daar trouwens vaak over. Over zaken die je niet kunt of wilt doorgronden en de angst of ongemakkelijkheid die dat met zich meebrengt. Wagendorp zou daar wat van kunnen opsteken maar dat vergt interesse en die heeft hij niet. Als ik zijn stukjes lees denk ik altijd dat hij alleen maar een typetje wil zijn. Zo’n man die ’s ochtends opstaat en dan tegen zichzelf praat: ‘En Wagendorp, wat gaan we vandaag doen?’
Ik ga ook naar de schedel van Hirst kijken. Niet omdat iedereen dat doet maar omdat de werken van Hirst een prettige onzekerheid los maken. Ze zijn vaak erg indrukwekkend in verschijning, zoals de gigantische bak met een haai, maar ze roepen ook veel vragen op. Hij dwingt je bij jezelf te rade te gaan. Dat is alleen wel een andere manier van tegen jezelf praten dan Wagendorp ’s ochtends tegen de scheerspiegel.
Hirst maakt dat je vragen op jezelf afvuurt. Is dit walgelijk? Mooi? Waarom? Zijn verbeelding tartende werken weten ook een fysieke sensatie los te maken. Zo’n gevoel alsof je op een schommel zit en nog hoger wilt maar tegengehouden wordt door protesterende buikspieren. Zie dat maar eens voor elkaar te krijgen als kunstenaar.
Wagendorp ziet Hirst alleen als zakenman. Dat is Hirst ook, net als U2 of Madonna, de Stones of iedere andere grootheid uit de populaire cultuur. Ik neem aan dat hetzelfde geldt voor veel topsporters. Maar het maakt ze nog niet voor elkaar inwisselbaar en doet niets af aan hun prestaties. Wagendorp begint er over omdat het het enige is waar hij zijn vinger op kan leggen. Hij lijkt er ook nog trots op te zijn.
Ik heb Wagendorp wel eens op de radio in het programma Kunststof geinterviewd horen worden over sport. Daar kon hij gepassioneerd over vertellen, op zo’n manier dat het zelfs voor mij als sportleek interessant werd.
In zijn column over kunst doet hij het tegenovergestelde. Hij heeft het zonder de naam te noemen over Sensation in Londen in 1998, de stad waar hij indertijd gevestigd was als correspondent. Sensation was een van de spectaculairste tentoonstellingen van hedendaagse kunst die ik ooit gezien heb. Een soort Woodstock van de kunst met alle aanstormende talenten verzameld. Volgens Wagendorp was het allemaal niks. Hij beschrijft in ridicule termen werken van Tracey Emin en Chris Ofili maar noemt hun namen niet.
Ik durf te wedden dat hij dat met sport nooit zou doen: geen namen noemen.
Sterker nog, ik durf te beweren dat hij een column als vandaag over kunst niet over sport kan schrijven. Die desinteresse kan hij voor sport gewoonweg niet opbrengen. Hij zou ook een enorme flater slaan want als columnist kun je je zoveel onbenul in een kwaliteitskrant niet permitteren.
Behalve kennelijk als het over kunst gaat.
CC-foto: artolog