Haar stem is als een Fisherman’s Friend, ijl, scherp en gemakkelijk tranentrekkend. Gisteravond trad ze op in Paradiso, Emiliana Torrini, een IJslandse met een Italiaanse vader. Bij binnenkomst in de poptempel blijkt haar merchandise te bestaan uit geurkaarsen. Ze ziet er uit als een elfje, het haar in gevlochten strengen rond haar hoofd gebonden. De zangeres maakt dan ook nog eens muziek die al snel zo lief is dat je vreest dat het concert louter wordt bijgewoond door zwijmelende bloemenmeisjes en schildknapen met geborduurd gilet.
Dat bleek niet het geval. Net als die andere romanticimagneet Leonard Cohen weet Torrini de sfeer van zweven tussen luchtkastelen op afstand te houden met een forse dosis humor. “Ik schrok zo toen ik hier binnenkwam want ik dacht dat ik in de Kleine Zaal zou optreden. Ik voelde me als Carrie, uit die film.”
Ze dronk stevig wodka – ‘laat de fles maar staan’ riepen de bandleden tegen de roadie die op het podium kwam bijvullen – en dat leidde tot opmerkelijke ontboezemingen “als deze zaal een man was zou ik m’n slip uittrekken en zo in z’n gezicht wrijven”.
Torrini, die live net zo zuiver klinkt als in de studio, spot voortdurend met de gedachte dat ze eigenlijk een ruig rock-n-roll leven zou willen leiden maar dat ze nu eenmaal opgesloten zit in een kwetsbaar bestaan. Alsof Roodkapje zelf de wolf zou willen zijn. Normaal vluchten dat soort mensen in gothic maar bij Torrini levert het een geheel eigen genre op waarin ze knap zichzelf blijft.