De bus missen

c10.pngHet was begin jaren zeventig, ik was nog net geen puber en mijn zus was een paar maanden eerder naar Engeland geëmigreerd.
Ze was een weekend over. Per bus, dat was toen de goedkoopste methode om naar Londen te gaan. Vanaf Rotterdam CS naar Vlissingen en dan met de boot naar de overkant. Een tocht die alles bij elkaar al gauw een hele dag in beslag nam.
We zaten in cafe-restaurant Engels en dronken thee, mijn zus, moeder en ik. Op het plein voor ons krioelde het van gehaaste voetgangers, trams, auto’s, fietsers en stadsbussen. De bussen naar Londen en andere buitenlandse bestemmingen stonden om de hoek geparkeerd. Haar bus zou over een kwartier vertrekken.
Plots sprong mijn moeder op. ‘Daar’ wees ze, alsof ze een ruimteschip zag landen. ‘Daar gaat je bus!’
Mijn zus keek verschrikt uit het raam. Een touringcar reed voorbij. Op het raam prijkte een bordje London.
‘Sta daar niet zo maar. Doe iets!’ riep mijn moeder, een nogal besliste vrouw die met haar temperament een onhandige situatie al snel kon omtoveren tot proporties die deden denken aan de ondergang van de Titanic. Ze pakte resoluut haar tas en beende naar buiten.
De bus draaide het Weena op en verdween uit zicht.
‘Nu heb je hem gemist,’ zei ze tegen mijn zus die een huilerig gezicht trok alsof ze een onschuldig-verklaring voorbereidde.
Dit was niet zomaar een bus missen, de lijndienst reed maar twee keer per week en de volgende dag wachtte in Londen het pas verworven werk.
Mijn moeder keek om zich heen of de redding nabij was.
Verderop stond een C10, in die jaren de standaardpatrouillewagen van de Rotterdamse politie. Een enorm grote witte Chevrolet met op het dak een lichtblauw zwaailicht zo groot als een emmer frietsaus.
Ze stapte er op af. ‘Mijn dochter moet naar Londen maar ze heeft net de bus gemist. Die rijdt daar. Wat moeten we doen?’
In de auto zaten twee bedaarde agenten die geworven waren door een campagne als “Stad zonder kapsones zoekt agenten’.
Ze keken elkaar even aan, werden besmet met het Titanic-gevoel en gebaarden ‘Stap in’.
We kropen achterin en de auto trok met een brullend geluid op terwijl we ons probeerden vast te houden.
De sirene ging aan en we scheurden over het Weena, draaiden bij het Hofplein de Coolsingel op en daar in de verte ter hoogte van de Bijenkorf reed de bus.
Het verkeer spoot opzij terwijl de C10 over de Coolsingel steeds harder ging. Dwars door het rode stoplicht.
Mijn jongenshart maakte meer toeren dan de motor van het witte monster.
De bus werd moeiteloos klemgereden.
‘Zo, nu heb je hem wel gehaald,’ zei de agent achter het stuur terwijl hij tevreden in de achteruitkijkspiegel keek.
We stamelden een bedankje en klommen uit de enorme bak.
Mijn zus stapte in de touringcar, er werd gezwaaid en voorbijgangers keken verbaasd toe.
‘Kom we gaan een saucijzenbroodje halen bij de Hema’, zei mijn moeder tevreden.
Ik moest aan de gebeurtenis denken toen ik op de site van het AD dit filmpje van Victor Houtkamp zag over een gerestaureerde C10. De wagens bepaalden 20 jaar lang het straatbeeld totdat ze begin jaren tachtig werden afgeschaft wegens onhandelbaarheid en ongewenst machtsvertoon. Rotterdammers denken over het algemeen met weemoed aan die wagens terug. Zo’n rit als toen zou de politie nu niet meer uitvoeren, vermoed ik.
Een dag na het avontuur belde zus uit Londen.
Het was de verkeerde bus geweest.