De sensatie van het duistere

Normaal schrijf ik over kunst als een soort tips, dingen die je nog kunt gaan zien of ervaren. Maar een tijdje terug bezocht ik een installatie in Amsterdam die inmiddels verdwenen is en die je vermoedelijk ook nooit meer zult kunnen bezoeken. Dat is jammer want het was een zeer speciale ervaring. Ik schreef er niet eerder over omdat het een uiterst apart experiment was dat je moest ondergaan zonder er ook maar iets van te weten. Dus ik kon er ook niks over vertellen. En het had geen zin te zeggen ‘gaat dat zien’ omdat alle time slots al volgeboekt waren.

Op het Zeeburgereiland in Amsterdam-Oost staan drie betonnen silo’s, die ooit deel uitmaakten van een enorme rioolzuiveringsinstallatie. Die installatie is begin deze eeuw buiten werking gesteld en op het terrein is een woonwijk verrezen. Maar de drie enorme cilinders staan er nog, je zou ze kunnen zien als monumenten van alle shit die de stad produceert. Een projectontwikkelaar heeft ze gekocht. Wat er mee gaat gebeuren is nog onduidelijk.

Kunstenaarscollectief RAAAF, dat wereldberoemd werd met het, samen met Atelier de Lyon, doormidden zagen van een bunker in de Hollandsche Waterlinie, was gevraagd een installatie te maken voor de silo’s die daar even ontheemd als onheilspellend middenin de wijk staan, als schaakstukken zonder bord.

De instructies voor een bezoek waren streng. Je moest stevige schoenen aandoen, warme maar geen nette kleren dragen. Er mocht ook niet gepraat worden. Bij aankomst werd je mobiele telefoon ingenomen en een gids bracht je naar de ingang. Dat bleek een rioolbuis waar je achterstevoren in moest kruipen. De entree was net zo lastig als het klinkt. Aan het einde van de buis kon je je voeten op de grond laten zakken, enkele tientallen centimeters lager, en de rest van je lijf uit de buis wurmen. Als dat gelukt was viel er een zwaar, zwart gordijn dat over de buisingang hing, achter je dicht.

En dan stond je daar in de silo. Tenminste dat vermoedde ik want ik zag geen hand voor ogen. Alles was pikdonker. Alleen ergens heel hoog in het dak een paar gaatjes waar het daglicht zich als laserstralen door het beton naar binnen boorde. Het leek wel een sterrenhemel. Ik wachtte. Uit de tijd dat ik nog fotograaf was en veel tijd in de donkere kamer doorbracht, wist ik dat het kleinste spoor licht uiteindelijk genoeg is om een ruimte te verlichten, als je ogen er maar aan wennen. Dat duurt zo’n 10–15 minuten.

Het voelde alsof ik in een duistere tv-serie was beland. Zoiets als Dark op Netflix, waar griezeligheid en nieuwsgierigheid verstoppertje met elkaar spelen. Donkere, verlaten bunkers, die dan toch niet verlaten blijken.

Er klonk het geluid van voorzichtig druppelend water. Langzaam maar zeker begonnen mijn ogen te wennen aan de duisternis en werd ik op de betonnen muur aan de overzijde graffiti gewaar. Het oogde als een soort eigentijdse grottekening. Urban explorers, hoe waren die hier binnengekomen? En een weerspiegeling. Er lag water. Daar hoorde ik die druppels in vallen. Ik keek naar beneden. Mijn voeten stonden aan de rand van een plas. Als ik een stap verder had gedaan in het donker had ik een natte zeikerd gehaald. Daar hadden ze wel even voor mogen waarschuwen. O nee, natuurlijk niet. Hoewel, heette de installatie niet Black water?

Daar stond ik dan. Het voelde inmiddels alsof ik in een onbekende grot terecht was gekomen. Zo moeten speleologen zich voelen die een ontdekking doen. Ik vroeg me af of ik me misschien op de speleologie moest storten, zoals ik denk dat ik een racefiets moet kopen als ik een sliert wielrenners zie passeren. Meteen doemden er uit mijn geheugen berichten op over mensen die dagen vast kwamen te zitten in grotten. Toch maar niet. Ik raakte voorzichtig even het gordijn aan dat de weg naar buiten verhulde. Gelukkig, ik kon altijd weg.

Het geluid van de druppels veranderde langzaam in muziek. Niet dat er een instrument aan te pas kwam maar zo klonk het wel. Zoals gebonk over kan gaan in ritmisch getrommel. Ritme maakt van ieder geluid muziek, realiseerde ik me. Ook nooit eerder bedacht.

En zo werd ik me langzamerhand gewaar van meer zaken. Mijn ogen bleken niet zozeer aan het duister te wennen als wel dat de gaatjes in het plafond ongemerkt steeds meer licht doorlieten. Later hoorde ik dat daar een ingenieuze computerbesturing voor werd gebruikt. Zoals de waterdruppels vermengd waren met een andere stof die er voor zorgde dat het geluid vetter klonk en ze inderdaad een soort compositie ‘speelden’.

Langzaam werd het weer donkerder, na 20 minuten verdween al het zichtbare en klonk vanuit de buis een stem die zei dat ik weer naar buiten mocht kruipen. Het schelle daglicht kwam vreemd over, de ervaring echode na in mijn gemoed. Wat had ik in hemelsnaam beleefd?

Kijk, dat is kunst.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.