Muziek

“Een ervaringsfeit voor vrijwel alle popliefhebbers: ze blijven met hun smaak hangen in de periode tot hun dertigste jaar. De muziek die ze daarna kopen, heeft bijna altijd met die periode te maken,” schrijft Frits Abrahams, een van mijn favoriete columnisten, in NRC.
Ik ben geen popliefhebber maar ik weet precies wanneer de periode ophield omdat ik het moment ooit in een radio-interview met Lida Iburg eens voor de geest moest halen. Zij vroeg haar studiogasten om platen mee te nemen waar emoties aan verbonden zijn. Die werden gedraaid en dan moest je vertellen wat de emotie was die erbij hoort en waar die vandaan komt. Dat werkt goed. Hoezeer ik er ook voor gewaarschuwd was: na een kwartier gleden er tranen uit mijn ogen. Muziek is levensgeschiedenis.
Een van de nummers die ik uitkoos markeerde het einde van mijn jeugd. We waren al lang daarvoor afgestudeerd maar kleefden als groep nog aan elkaar en vierden Koninginnnedag 1992 op de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam. Ineens realiseerde ik me dat het de laatste keer zou zijn. We waren boezemvrienden die op het punt stonden definitief hun eigen weg te kiezen. Weg van het wat zullen we vandaag eens doen. Weg van de doorgehaalde nachten. Weg van het slenteren. Weg van elkaar.
Op een truck speelde een cover-band Smells Like Teen Spirit van Nirvana.
Ik was begin dertig.
Maar werd mijn muziekvoorkeur toen ook bevroren? Een paar jaar lang wel. Tot ik een keer de Baja Beach Club bezocht, een club die volledig draait op muzieksentiment. Nummers die iedereen kent wisselen elkaar in hoog tempo af om maar voortdurend dat ‘o ja, weet je nog’-gevoel op te roepen. Arrow Rock met de fast forward button ingedrukt.
Het leven was voor het publiek kennelijk voorbij en emoties werkten alleen nog in replay.
Thuisgekomen stopte ik alle cd’s in een doos en zette die onder bed.
Het was tijd voor nieuwe muziek.