De uitzending van Deining in studio Desmet had ik afgesloten met een slotwoord over de relatie tussen dierenrechten en mensenrechten. ‘Hier heb je uitrijkaarten’ zei de technicus en overhandigde me een stapeltje tickets waar ik weer een maand mee vooruit kon. Ik had er om gezeurd omdat er in mijn onderbewuste altijd een beeld rondspookt van een verlaten parkeergarage waar ik niet uit weg kan, of in dit geval het grote parkeerterrein bij Artis waar Desmet vlakbij ligt.
Even later liep ik langs de dierentuin, de temperatuur was voor het eerst sinds tijden aangenaam alsof de kille lente een oefening hield voor de zomer. Voor de poort van Artis zag ik hem zitten, midden op de stoep net naast een putdeksel, alsof hij er zo was uit gekropen. Een forse, mooi glanzende groene kikker.
Kikkers hebben van nature een houding die uitstraalt alsof er niets aan de hand is, alsof niemand ze iets kan maken. Zo ook deze. Hij zat stil en staarde, alsof er niets aan de hand was. Het is niet moeilijk voor te stellen waar het sprookje van de prins vandaan komt. Hij zat op de tegel alsof het een troon was.
Maar wat doet een kikker laat op de avond midden in de stad op straat? In de lente gaan ze op zoek naar hun geboorteslootje om daar te paren weet ik maar was dit er de tijd voor? Of was hij gewoon verdwaald? Misschien was hij wel uit de bek gevallen van een van de reigers die hier als struikrovers rondhangen. In de lucht was geen reiger te zien.
Ik keek om me heen. Verderop bij de ingang van de parkeerplaats hielden wat jongens zich luidruchtig op. Vanaf de overzijde van de straat kwam een vrouw met twee honden aanlopen.
Dit leek me geen veilige plek voor een kikker. Ik verplaatste hem naar de andere kant van het toegangshek. De kikker leek me beter af in de dierentuin, ook al houd ik er niet van dieren op te sluiten. Wat er daar op hem wachtte weet ik niet maar hier was het in ieder geval niet veilig.
Op weg naar de ingang van de parkeerplaats passeerde een uit het niets opgedoken bewaker me.
‘Wat gooide jij nou net daar achter het hek?’ vroeg hij in het voorbijgaan.
Een kikker antwoordde ik.
Bij de uitrit stak ik de uitrijkaart door het geopende portierraam in de machine. Er gebeurde niets. Ik probeerde een ander exemplaar. De slagboom bleef gesloten. Verdorie. Hoe kwam ik hier weg? De prijzen van dat parkeerterrein zijn voor bezoekers zonder Artiskaartje torenhoog.
Ik reed achteruit en probeerde de andere uitgang. ‘Parkeertijd verstreken’ meldde de display. ‘Betaal bij’. Dit moest mij weer overkomen.
‘Goedenavond’ klonk het plots uit een krakende luidspreker. Ik ben gered, schoot het door me heen.
‘De uitrijkaart doet het niet,’ antwoordde ik met een stem die voorzichtig smeekte om begrip.
‘Er staat hier dat u 3200 euro bij moet betalen.’
Ik keek op de uitrijkaart. Geldig tot 5 februari 2008. Ik inspecteerde de andere exemplaren. Zelfde datum. Allemaal verlopen. In gedachten sloeg ik mezelf voor m’n hoofd.
‘Ik heb geen 3200 euro. Ik heb deze kaarten van Desmet gekregen.’ Het klonk alsof ik reageerde op valse beschuldiging van een dubbele moord.
De luidspreker zweeg.
Ik keek naar de slagboom. Alleen in films rijden ze die dingen stuk.
‘Bent u de grote kikkerredder?’ klonk het uit de luidspreker.
Ik speurde snel naar een camera maar zag er geen.
‘Ja dat ben ik.’
‘Nou vooruit dan.’
De slagboom ging open.
Ik reed voorbij de ingang van Artis en dacht ‘misschien is het toch een prins geweest. Of anders een bewaker’.