
4 augustus 2002 – de foto is uit 2006
“Het is wattoe,” antwoordde de jongen achter de tafel. De w klonk als in het sranang, vooraf gegaan door een bijna onhoorbare oe. Oewattoe. Het is al bijna een liedje, een refrein als je het zegt. Oewattoe, oewattoe, oewattoeeee…
Maar het was sranang noch een liedje. Het was Watou, een Belgisch dorpje tegen de Franse grens.
“Is het watauw of watoe?” had ik gevraagd toen hij me het entreebewijs voor de Poëziezomer overhandigde. Ik weet zoiets nooit bij intuïtie en gokte eerlijk gezegd het eerste. Immers zo dicht tegen de Franse grens is het Nederlands meer wapen dan uitdrukking dus waarom zou men spreken in de klanken van de vijand? Die zegt immers Toeloez en Boergondie. En vast ook Goeda en Aerdenhoet.
Maar toch. Watou. Met een oe en niet met een ou.
Een manifestatie van poëzie en beeldende kunst, dat is een aanduiding die bij mij vooral gevoelens van vervreemding en onthechting losmaakt. Zoals een zakje Knorr Aardappelpuree dat met het oorspronkelijke gerecht doet. Ja, het is onmiskenbaar puree, maar aardappels? Poëzie plus kunst, de combinatie moet meestal de middelmatigheid van beide ingrediënten verhullen.
In Watou is al meer dan twintig zomers zo’n manifestatie gehouden zonder dat ik er ooit eerder van gehoord had. Op aanraden van Bieslog (“Je rijdt weg uit Watou met vreemde beelden in het hoofd, die lang op het netvlies blijven. Je zou niet zo gauw een film kunnen noemen, die ooit hetzelfde effect op je heeft gehad.”) en NRC Handelsblad (“Die combinatie van gedichten, beeldende kunst en het dorp zelf zorgt voor talloze verrassingen.”) reed ik op een regenachtige zaterdagmiddag aarzelend de 270 kilometer naar het dorpje waar de hele zomer kunst en poëzie gemanifesteerd worden.
Ze bleken beiden gelijk te hebben. O, wat hebben ze gelijk.
Bij binnenkomst is Watou een dorpje zoals alle dorpjes, onschuldig maar tegelijk een tikkeltje verdacht, alsof ergens een mysterie verstoken zit. Je ziet in een dorp bijvoorbeeld meteen aan de perken, de fris geverfde kozijnen, de glanzend gepoetste vensters dat er hard wordt gewerkt maar tegelijkertijd zie je nooit iemand dat doen. Hoe kan dat? En dan die straten, leeg en verlaten ogen ze veilig. Maak daarentegen straten in een stad leeg en je wordt meteen bekropen door angst. Dorpen kunnen zich kennelijk nogal wat veroorloven, zoveel goodwill hebben ze. En iedereen wil er met vakantie, ook al wil niemand er wonen.
Maar Watou blijkt toch een heel ander geval. Groepjes bezoekers begeven zich langs onzichtbare lijnen door het dorp. Overal is poëzie maar wat opvalt is de alledaagsheid waarmee dat gepaard gaat. Gedichten hangen in grote letters uitgeschreven aan muren en passanten lezen ze met de vanzelfsprekendheid en aandacht waarmee voorbijgangers naar de spelende televisies in etalages van elektronicazaken kijken.
Midden op het dorpsplein staat een betonnen kubus. Daarin neemt een grote eveneens betonnen tafel het merendeel van de ruimte in beslag. Een bank nodigt uit om te gaan zitten. Door een hoog in de muur geplaatst venster is de hemel te zien.
Dan klinkt plots een mannenstem. Het is Rutger Kopland die zijn gedicht ‘De tafel aan het raam’ voordraagt.
“Iemand is gaan zitten aan de tafel”
Ja, inderdaad dat ben ik.
“en langzaam gebeurt het”
Een gedicht ontvouwt zich, niet alleen in woorden maar ook in wat is. Over de leegte van het blad, over de leegte binnenin, het uitzicht op de wolken en de vogels die voorbij vliegen. Tot het gedicht mijn gedachten raakt en ze beschrijft. Automatisch rijst het kippenvel. Dat is wat er steeds in Watou gebeurt: het beeld roept iets op en een gedicht gaat vervolgens in die gedachten rommelen, of andersom.
De tentoonstelling ligt verspreid door het dorp, in oude verlaten panden, boerderijen, een kerk, een school. Soms begint een boom of een struik plots een gedicht te declameren. Of loopt het gedicht met je mee als je door een laantje slentert waar Remco Campert uit de bomen klinkt “langs het diepe water dat ik dacht dat ik dacht dat je altijd maar dat ik dacht dat geluk altijd maar”.
In een kale, verlaten kamer in een oud huis, het behang nog rafelend aan de muur is op wit linnen enigszins dreigend het silhouet zichtbaar van een Spaanse souvenirpop die eindeloos batterijgestuurde pirouettes maakt. Een gedicht van M. Vasalis vult de ruimte. “Als je me kust, je hand om mijn keel”
Ik hoor het aan en verlaat de kamer in volslagen verbijstering.
Watou is een soort geruisloze achtbaan die je binnenstebuiten keert.
Terug in de straat loopt een trits meisjes in modieuze korte truitjes en laaggesneden broeken op me af. Twintig navels kijken me spottend aan als ik passeer.
In gedachten neurie ik oewattoe, oewattoe, oewattoe.