Ze waren tot voor kort als te zware koffers waar ik al zeulend spijt van kreeg: boeken die me niets of te weinig deden. Ik begon er vol verwachting in en na dertig pagina’s knaagde de twijfel al. Dan begon een merkwaardig soort plichtsbesef op te spelen. Ik vond dat ik ze uit moest lezen. Dat werd steevast een lijdensweg. Ze konden weken op mijn nachtkastje liggen als zeurende medereizigers voor de nacht. Iedere keer tevergeefs weer de draad proberen op te pakken, en dus iedere keer weer dezelfde pagina’s lezen en het na drie bladzijden opgeven.
Dat doe ik niet meer. Ik leg ze weg.
Vandaag bijvoorbeeld ‘Mijn Kleine Waanzin’ van Jan Brokken. Ik hoorde Martin Ros het met veel enthousiasme als een prachtige beschrijving van het leven in Hoekse Waard aanprijzen in de TROS Nieuwsshow en kocht het dezelfde dag nog. Ik ben immers opgegroeid in de Hoekse Waard en nog steeds gefascineerd door het mysterie van dat eiland. Helaas zat Ros fout. Mijn Kleine Waanzin handelt over het leven op IJsselmonde, met name het dorp Rhoon. Dat ligt weliswaar naast de Hoekse Waard maar het is een andere wereld.
Ik verslond de eerste vijftig pagina’s maar stopte op pagina 98. Brokken kon me op de een of andere manier maar niet duidelijk maken waarom ik deelgenoot moet worden van zijn jeugdherinneringen en deed tegelijk een te zwaar beroep op mijn beperkte parate kennis van het protestantse leven.
Een week eerder had ik een ander boek terzijde gesteld: Emoticon van Jessica Durlacher. Ik was nieuwsgierig naar hoe ze internet als thema verwerkte in een verhaal over een relatie die speelt binnen het Israëlisch-Palestijnse conflict maar kwam zo ver niet eens. Op pagina 69 hield ik het voor gezien. De schrijfstijl is me te propperig. Zinnen worden volgestopt en onderwerpen er met de haren bij gesleept.
Boeken terzijde stellen is wreed. Het is als kamerplanten bij het huisvuil zetten. Maar het grote voordeel is dat je weer aan een nieuw boek kunt beginnen. Boeken die niet boeien hoeven je niet te vermoeien.