Vandaag moest ik vanwege een aanstaande reis naar verre oorden een bezoek brengen aan de Travelclinic. De verpleegkundige legde me geduldig uit welke vreselijke ziekten in het verre oord allemaal op me lagen te loeren, welke inentingen ik daar tegen kreeg en tegen welke nog veel afgrijselijker kwalen die niet hielpen.
“Er is daar een mug die overdag rondvliegt en onbedekte huid zoekt,” begon ze. De gevolgen die ze vertelde kon ik niet meer opnemen en in gedachten zag ik mezelf al in duikerspak volledig beschermd door de tropische straten struinen.
“Morgen kunt u zich wat koortsig voelen,” vervolgde de verpleegkundige terwijl ze een serie injectiespuiten prepareerde.
Ik nam me voor die avond nog eens de polis van de annuleringsverzekering na te lezen.
Met drie stevige prikken achter de kiezen rende ik naar buiten omdat inmiddels ook mijn parkeertijd was overschreden. Ter hoogte van mijn auto stonden twee politie-agenten op het trottoir.
Nee, laat het niet waar zijn, prevelde ik tegen mezelf.
Het gebed werd verhoord. Er zat geen bon achter mijn ruitenwisser. Opgelucht stapte ik in, startte de motor en keerde de auto. Nog voor ik tien meter gereden had werd ik prompt aangehouden door een van de agenten.
“Deze straat is eenrichtingverkeer, u krijgt een bekeuring.”
Ik zag het meteen. Het was een jonge agent in opleiding en ik was zijn praktijkmateriaal voor het onderdeel ‘hoe schrijf ik een bon?’ Hier was geen redden aan. Zie het als willekeurigheidsbelasting, hield ik mezelf voor. Onderga het. Maar toch probeerde ik het:
“Sorry meneer, ik heb me vergist. Ik was wat confuus want heb net drie prikken gehaald.”
Nu stapte zijn mentor, een oudere ervaren agent, mijn gezichtsveld binnen.
“Dan mag u helemaal geen auto rijden, dan kunnen we de auto in beslag nemen.”
Plots verlangde ik naar verre oorden met vreselijke ziekten.