Al fietsend op de hometrainer bladerde ik achteloos in de Vara-gids. Achteloos omdat als mijn spieren werken mijn hersens op de een of andere manier in snooze mode belanden. Ik kan dan amper ergens geconcentreerd aandacht aan besteden. Zelfs het volgen van de meest eenvoudige video-clip vergt al teveel. De Pussycat Dolls zongen en dansten maar het was niet aan me besteed.
En zo amechtig trappend zonder vooruit te komen stuitte ik op een interview met DJ Ruud de Wild. [1969, schilder, dj] stond er achter zijn naam.
Kijk dat wist ik nou weer niet.
Schilder.
En meteen voelde ik een zwak maar o zo bekend gevoel van knorrigheid opkomen.
Want hoewel ik graag leer kan ik er extreem slecht tegen dingen niet te weten.
Dat kan nooit wat zijn dat schilderen, vertelde ik mezelf meteen hijgend. Niet omdat ik ook maar één schilderwerk van De Wild ken maar om alvast een excuus te hebben voor mijn onkunde.
Sport brengt het meest primitieve in de mens naar boven.
“Op vrijwel al je schilderijen staan fragmenten uit songteksten, doorgaans in het lettertype Helvetica. Wat is er zo mooi aan dat lettertype?” luidde de eerste vraag van interviewer Gijs Groenteman aan de schilder.
Fuck, fuck, fuck, dacht ik. Met het opvoeren van de calorieverbranding verdampt mijn vocabulaire. Bij een hartslag boven de 160 ken ik alleen nog maar krachttermen.
Hier was dus een interviewer die niet alleen vrijwel alle schilderijen van de schilder De Wild kende terwijl ik er nog nooit een had gezien maar die ook kon herkennen dat de aangebrachte teksten uit liedjes komen! Zelf kan ik geen enkele songtekst uit mijn hoofd opzingen, laat staan thuisbrengen.
Weer sloeg de twijfel toe.
Besteed ik mijn tijd wel aan de goede dingen? Moet ik me niet méér verdiepen in populaire cultuur? Meer tv kijken, andere bladen lezen?
En om het nog pijnlijker te maken die toevoeging ‘doorgaans in het lettertype Helvetica’. Helvetica. Hoe ziet dat er uit? Ik ken alleen de naam. Ik kan Arial en Times New Roman nog niet eens uit elkaar houden.
Ik ben een leeghoofd.
Ik zette de hometrainer een tandje zwaarder en begon harder te trappen.
Voor me op het scherm dansten en zongen de Pussycat Dolls.
Ik spande me in om te luisteren. Misschien miste ik wel iets. Misschien was er wel een andere gedachte beschikbaar om het aanzwellende minderwaardigheidsgevoel te verdrijven.
Het lukte niet. Doorgaan was de enige weg.
Happend naar adem las ik verder.
“Ben je anti-aanstellerij?”
Misschien wel, antwoordde de schilder. “Ik spaar liever tien jaar voor een Le Corbusier-stoeltje, dan dat ik in die tijd twintig stoeltjes van Ikea koop.”
In gedachten zag ik mijn huisinrichting voorbij flitsen. Ikea, Ikea, overal Ikea. Twee Klippans. Tien Billy’s! Nergens Le Corbusier of een andere ontwerpgrootheid.
Ik heb wel eens Gispen-stoel gehad maar die was zo ongispens dat toen ik hem opnieuw wilde laten bekleden de stoffeerder hoofdschuddend mompelde “ik zou er maar geen geld aan besteden als ik u was.’
De Gispen bleef achter naast de vuilcontainer aan de overkant van de straat.
Kan een Le Corbusier-stoeltje ontroeren, wilde de interviewer vervolgens weten. “Nou en of. Die man, dat is mijn held. Zoals Andrew Lloyd Wright voor mij dé architect is.”
Mijn tempo zakte met vijftig procent.
Andrew Lloyd Wright.
Andrew?
Ik grinnikte hardop. De Pussycat Dolls gilden het ineens uit van plezier.
Hoe zou het gekomen zijn?
Had de schilder het echt zo gezegd?
De journalist hem verkeerd geciteerd?
Of was de eindredactie in een vlaag van verbeterdrift uit de bocht gevlogen?
Dat laatste gebeurt vaker dan je denkt.
Schrijf ‘langs de IJzeren Rijn’ en er is altijd wel een betweter die daar ‘langs de IJzer en Rijn’ van maakt.
Maar hoe het ook zij alles viel weer op zijn plaats. Ergens in de keten zat iemand die nog minder wist dan ik.
Ikea is zo gek nog niet, zei ik tegen mezelf. Je kunt beter geld uitgeven aan kunst dan aan dure meubels om je huis te verbijzonderen. Zodat je vanuit je stoel ontroerd kunt raken in plaats van in de tranen zelf te zitten. En Helvetica. Ha!
Die lach deed het hem. Niets gevaarlijker dan leedvermaak.
Ik kroop van de fiets naar Google.
Andrew Lloyd Wright
198 hits.
Zie je wel.
O wacht, tussen twee hijgen door zag ik het: Meteen bij de eerste link stond Modern Architecture. Bij de volgende ‘Frank’s brother?’ En even verderop apparently designed by little-known brother Andrew Lloyd Wright.
Fuck, fuck, fuck.
Zou De Wild zo voorlopen dat hij houdt van wat niemand anders kent?
Zoals ik altijd Karamanov beschikbaar heb als favoriete componist naast obligate namen als Beethoven en Stravinksy?
De Pussycat Dolls werden heel even weer onverstaanbaar.
Onzekerheid is een hometrainer voor de geest.