
We hadden elkaar lang niet gesproken en ze nodigde me uit aan haar keukentafel om de wereld en de rest van het universum door te nemen. Van de klimaatcrisis die de wintersport doet verdampen tot het dagelijks geweld op sociale media. Misschien heeft dat veel met elkaar te maken. Geef de mens een magisch communicatiemiddel en het wordt kapot gemaakt door de grootste bully’s, geef de mens een schitterende planeet en hij wordt verwoest door de meest inhaligen. Ze knikte. Zo, waren we het weer eens.
Ik had een fles alcoholvrije wijn meegenomen waar ze nieuwsgierig een slok van nam. Om zich vervolgens naar de koelkast te spoeden en er een fles frisse wijn uit te trekken. “Ik drink heel weinig”, zei ze terwijl ze haar glas vol schonk. Zoals de meeste mensen dat zeggen als ze merken dat ik geen alcohol drink.
“Ik heb speciaal voor je Fransachtig gekookt.” Op tafel stonden schalen met prei gemarineerd in een citroensaus, gegrillde knolselderij met een kruidige saus en geroosterde aardappeltjes die er uitzagen alsof ze een zomer aan de Rivièra hadden doorgebracht. Ik complimenteerde haar met haar kookkunst.
Ze begon over mijn onbestemde gevoel post-coronagevoel, zei dat het zo gek is dat de hevige gebeurtenissen van de afgelopen drie jaar gewoon verdwenen lijken uit de conversaties en vroeg naar de reacties. Ik vertelde dat die heel erg uiteenliepen. Er is veel herkenning maar niet altijd evenveel overeenkomst. Toch geloof ik dat ik iets op het spoor ben waar het gevoel grotendeels toe te herleiden is. Ik zweeg even en vroeg me af of ik al onder woorden kon brengen wat ik precies bedoelde zonder mijn ideeën meteen te laten stollen. Gedachten zijn spannender als ze zich gedragen als wolken, prettig om te ervaren maar toch ongrijpbaar.
“Ik voel me al de hele dag niet lekker. Alsof ik griep krijg.”
Ik keek haar aan en zei na enige aarzeling: “Misschien is het corona.”
De aardappel die ze in haar mond stopte kwam tussen haar lippen tot stilstand. Haar ogen werden groter.
“Nee… ik heb nog nooit corona gehad.”
“Het heerst…”
Ze stond op van tafel. “Ik ga nu gelijk een test doen.”
We aten verder. Op tafel lag het witte teststrip met daarin een drupje snot. Er verscheen een rode streep bij de C. “Zie je wel, geen corona!” Ze lachte triomfantelijk.
“Je moet langer wachten”, zei ik.
Nog een minuut of 10 verder pakte ik de teststrip op. Bij de T was heel vaag een tweede rood streepje te zien.
“Kijk, positief.”
“Maar het is amper zichtbaar.”
“Maakt niet uit. Lees de gebruiksaanwijzing maar.”
Ze viste het papier uit de vuilnisbak alsof het een verloren schatkaart was en bestudeerde de tekst. “Je hebt gelijk.”
Ze schoof haar stoel van tafel. Zo ver mogelijk bij me vandaan. Alsof er plots een vreselijke ziekte door de keuken waarde. Wat natuurlijk ook zo was.
“Wat nu?”
“Ik heb geen idee. Maar als ik jou was zou ik in ieder geval niet morgen naar een bejaardenhuis gaan…”
We ginnegapten wat. Misschien wel omdat we plots enigszins nerveus waren.
“Heb ik jou nou besmet,” vroeg ze.
“Ik denk het niet,” antwoordde ik geruststellend. “De tafel is breed, we zitten ver van elkaar.”
Ze fronste haar wenkbrauwen.
In gedachten zag ik de lege straten, het afstand houden in de supermarkt, de mondkapjes. Het leek wel een andere planeet. We voelden ons ongemakkelijk omdat we niet eens meer wisten wat er nu moest gebeuren. “Gek hè, zijn we er zo lang mee bezig geweest. Er zijn toch ook geen maatregelen meer?”
Ik googelde. “Je moet in isolatie.”
“Nee!”
Ik was het met haar eens. Het leek absurd. Alles functioneerde weer. Niemand had het meer over corona. Zelfisolatie leek iets van heel vroeger. Van voor de oorlog. Wat ook weer zo was.
“Nou ja, ik zou niet naar de supermarkt gaan als ik jou was. Of feestjes.”
Zou ze me besmet hebben? Geen idee. Ik besloot dat het geen enkele zin had me daar druk om te maken. Niks meer aan te doen. De vaccins houden de schade beperkt, verzekerde ik haar en mezelf. Ik dacht aan het mondkapje dat nog in het deurvak van mijn auto ligt. Dat ging ik nu toch niet halen en opzetten?
“Ik ga maar,” zei ik.
Ze bleef op haar stoel zitten en wuifde. Alsof er een glazen wand tussen ons was opgetrokken. Ik twijfelde of ik de halve fles alcoholvrije wijn weer moest meenemen. Ze zou hem anders vast in de gootsteen leeggieten. Maar mee terugnemen voelde ongepast. Alsof ze me teleurgesteld had.
Ik liet de fles op de onafgeruimde tafel staan, als symbool voor verwachtingen die niet uitkomen en vertrok. Buiten op straat liet een buurman zijn hond uit. Er was verder niemand maar ik voelde de drukte van de stad. Het was vroeg op de avond, die ineens weer vrij was.
Het is de enige zekerheid die we nog hebben: dat alles anders wordt dan verwacht.
Meer weten? Abonneer je gratis op In de Week, mijn persoonlijke nieuwsbrief. Iedere zondagavond in je mailbox.