De wedstrijd Nederland-Turkije keek ik in een sportcafé in Parijs. Laat ik maar meteen bekennen dat ik nooit eerder in een sportcafé ben geweest, behalve een keer min of meer per ongeluk in Londen. Die ervaring smaakte niet naar meer, het voelde een beetje alsof ik aan boord van een vikingenschip zat dat richting Dorestad voer om de stad voor de zoveelste keer te plunderen, een sfeer van agressieve kameraadschap. Maar ja Engelsen, die stammen natuurlijk grotendeels af van de Vikingen, ook al ontkennen ze dat omdat nationalisme zich slecht verdraagt met ‘demografische ontwikkelingen’. Nationalisme is een bedenksel, een geloof, en geloven gaan meestal gepaard met vreemde kronkels.
Maar ik dwaal af. Ik wilde natuurlijk naar Oranje kijken en dat kun je beter niet in je eentje doen. Het hele Oranje-gevoel drijft immers op samen zijn. Ik koos een café in de buurt uit, een van de vele ‘beste sportbars in Parijs’ lijstjes, een Ierse pub in het 5e. Weliswaar hebben Ieren historisch een nogal lastige verstandhouding met Oranje maar ze zijn ook ruimhartig dus dat leek me geen probleem.
Verrassing nummer één was dat er geen Ier te bekennen viel, verrassing nummer twee dat maar weinigen van de aanwezigen geïnteresseerd bleken in sport. Een Engels stel met een klein kindje loerde bevend naar het scherm waar hun team er niet in slaagde de Zwitsers te bedwingen. Bij een ander scherm zat ook een stel ineengedoken te kijken. De rest van de aanwezigen zat te kletsen dan wel in het oneindige voor zich uit te staren of was in de weer met de smartphone, de draagbare nooduitgang voor sociaal ongemak.
Van enige gezamenlijkheid was geen sprake. Dit voelde niet als de sfeer van een vikingenschip, het deed meer denken aan de wachtkamer van de afdeling venerische ziekten. Engeland won met een enkele penalty, er klonk geen gejuich wel een luide zucht van opluchting.
Ik bestelde een portion frites omdat dat het enige gerecht was dat ik als vegetarisch herkende op de kaart. Een man naast me begon tegen me te praten. Nadat ik schuchter een reactie in het Frans had gegeven schakelde hij meteen over op Engels. Dat kwam de interactie wel ten goede maar was toch niet helemaal de bedoeling. Hij vroeg waar ik vandaan kwam en of ik voor werk in Parijs was. Ik antwoordde dat ik een cursus Frans kwam volgen omdat ik de taal wil leren. Hij schakelde meteen terug naar zijn moedertaal. “Mijn echtgenote is docent Frans,” zei hij en wees naar de kruk naast hem waar een vrouw zat die er inderdaad uitzag als een lerares Frans, uit de jaren zestig. Ze keek voor zich uit naar het niets.
We spraken over het verdere verloop van het EK. Het leed voor hem geen twijfel dat Nederland Turkije zou verslaan. Normaal gesproken zou ik nu wat gezegd hebben over het fenomeen toeterturken maar ik had geen idee hoe ik dat zou moeten vertellen zonder een groot risico op ongelukken. Claxon is een waarschijnlijk een Frans woord, vermoedde ik, maar daar hield mijn vocabulaire op. Voeg daarbij dat het letterlijk de vooravond was van een mogelijk extreemrechtse machtsovername in het land.
Toet! Wacht even. Eenmaal thuis zocht ik het woord natuurlijk op maar de herkomst van claxon blijkt veel complexer. In het Frans schrijf je klaxon en dat hoort ook zo want Klaxon is van oorsprong een Amerikaanse merknaam, ontleent aan het Grieks. Het is door Nederlanders verfranst met een c. Wellicht omdat ze dachten dat het daar vandaan komt. Zoals Nederlanders die interessant wilden doen vroeger voortdurend woorden leenden uit het Frans, net zoals ze dat nu met Engels doen. Overigens is klaxon geloof ik geen gangbare term in het Amerikaans. Ik ken althans alleen car horn, geheel in de geest van de immigrantentaal die veel moeilijke woorden vervangt door omschrijvingen. In het Nederlands is claxonneren inmiddels toeteren wat weer komt van tuiten, wat afkomstig is van het middeleeuwse Duitse Tüten. En zo is de cirkel rond want toeteren is nu onder invloed van de Turkse-Nederlanders tüteren geworden. Alles sal reg kom, om maar een andere migrantentaal aan te halen.
Terug naar het café. De man begon uit te leggen dat het goed was dat Nederland de Engelsen trof. Hij gaf een uiteenzetting over de verdediging waarbij ik niet zeker wist of het ging over de Nederlandse défense of de Engelse. Dus ik knikte instemmend en gaf hem groot gelijk. Ik vertelde dat de droomfinale Frankrijk-Nederland zou zijn op 14 juli, de nationale feestdag. Ik liet achterwege dat de laatste wedstrijd die ik in het stadion zag Nederland-Frankrijk was in 2018. Les Bleus waren toen net wereldkampioen geworden. Oranje won tot ieders verrassing met 2-0. Dat zal op 14 juli weer gebeuren, verheugde ik me stilletjes en ik zag me in gedachten al staan tussen een massa huilende Fransen. Met Oranje ben je nooit alleen.
Hij schudde me de hand en vertrok met zijn vrouw, haar nog geheel gevulde cocktail bleef achter op de bar en ik twijfelde of dat was omdat ze er geen trek in had.
Het viel me op dat er sowieso weinig vrouwen aanwezig waren en dat die verder min of meer genegeerd werden terwijl de mannen met elkaar spraken. Alsof ze een rudimentair aanhangsel waren. Op een van de sociale netwerken, Blue Sky, vroeg een vrouw “heteroseksuele mannen waarom worden jullie zo lomp en agressief van voetbal en bier”. Ik meende vanwege het laatste maar misschien is dat te simplistisch en is alcohol gewoon een brandstof van het patriarchaat.
Er was in de sportbar welgeteld een iemand in een oranje shirt. Die vertrok vreemd genoeg net voor de wedstrijd begon. Voor me zat wel een Nederlands stel, de jongen raakte druk in gesprek met zijn niet-Nederlandse buurman over het favoriete onderwerp van Nederlanders als ze buitenlanders tegenkomen: Nederlanders. Dat zou de hele wedstrijd duren. De mannen hadden tot mijn stomme verbazing zelfs amper oog voor de wedstrijd. Alleen de jonge vrouw naast hen keek gefascineerd en leefde mee met Oranje. Zo zat ik daar aan de bar in een sportcafé, het werd de eenzaamste wedstrijd die ik ooit beleefde. Gelukkig won Nederland en goedgemutst verliet ik de zaak. Tot woensdag, groette ik de barmensen. Ze lachten.
Op weg naar het logeeradres passeerde ik in een drukke uitgaansstraat een restaurant waar een Turkse vlag uithing. Zo te zien kwam die net uit de verpakking want de vouwen waren nog zichtbaar. Op het terras zaten een paar bezoekers aan een tafeltje. Met de gezichten van een doodgraver. Ze waren misschien niet alleen maar wel heel erg eenzaam.
PS: Iedere zondagavond verstuur ik In de Week, een zeer persoonlijke nieuwsbrief over wat ik de voorbije week zag, las, meemaakte en dacht. Abonneer je hier gratis.