Mijn laatste kans voor de 10km

Het was de voorlaatste dag dat ik 10km kon rennen in een virtuele race waar ik me in maart per ongeluk voor had opgegeven. Dit zou mijn eerste en gelijk laatste poging worden die prestatie te halen.

Vraag me niet waarom ik er zo op gebrand was. Er zijn in mijn leven tal van belangrijke taken die ik verslof of negeer, vooral in de administratieve sfeer, maar deze opdracht moest en zou ik volbrengen. Zelfs al was ik nu op vakantie. Misschien kwam het wel door al die besmettelijke Instaclipjes van perfect gevormde mensen die rennen door al even prachtige landschappen. Als ik kan rennen zoals zij zou ik ook bewondering oogsten, niet in het minst van mezelf. Bewondering, de zeldzame plant op de akkers van je ego die vrijwel altijd tot een misoogst leidt. Het is als met luxejachten in de haven van Monaco, er is altijd een luxer exemplaar. Daarom kijken de bezitters vaak zo chagrijnig. Gelukkig hou ik niet van boten. Hardlopen is ook goedkoper.

Ik trok mijn shorts, t-shirt, schoenen aan en plaatste op mijn iPhone een speld op een plek die ik schatte op 5 km verderop. Daar zou ik heen rennen en weer terug. 4,5 km zei Apple Maps toen er een blauwe route op het scherm verscheen. Geen probleem, ik kon op de terugweg een andere route nemen, langs de kust, die iets langer was. Als het getij van de zee dat tenminste toestond want daardoor was ik al eerder verrast en bleek het pad onder water te staan. Ik ken deze omgeving verder helemaal niet en kon dus ook niet bevroeden wat me te wachten stond.

De zon scheen maar het was, mede dankzij een stevige bries, niet warm. De ideale omstandigheden. Ik had me ook reeds neergelegd bij het idee dat ik een slechte tijd zou gaan maken, alleen al vanwege de heuvels in het parcours, met een stijging van 100 meter. Ik hik thuis al tegen de helling van de Erasmusbrug aan en die klimt maar een meter of 20.

Ik sloeg rechtsaf, de asfaltweg daalde en hield plotseling op. Een zandpad bezaaid met keien en zeewier voerde verder. Ok, dit dan maar. Ik lette op de stenen met punten die vervaarlijk uitstaken. Dit was niet het moment om een enkel te verzwikken. Of erger.

Het pad ging over in een soort zandweg die bij vloed onder water komt te staan. Ik trachtte zo goed mogelijk de achtergebleven plassen te mijden, want geen zin in natte voeten. Ik sprong er overheen en merkte bij het afzetten tot mijn verbazing dat de ondergrond spekglad was door een soort algendrab. Ook dat nog. Niet onderuit gaan, niet nu. Ik landde en bewaarde mijn evenwicht terwijl ik door bleef rennen. Ik zwaaide met mijn armen als een sprietloper die over de met groene zeep ingesmeerde balk rent in de overtuiging dat hij met snelheid de zwaartekracht kan overtreffen. Na 250 meter ging de weg weer over in asfalt. Dat was gelukt.

Een nieuwe verrassing wachtte. De weg ging nu omhoog, steil. Mijn ademhaling versnelde terwijl mijn pas vertraagde. Ik ging hijgen. Dat was niet de bedoeling. Ik minderde vaart, ik kon gewoon niet anders.

Ik troostte me met de gedachte dat ik er op de terugweg niet meer mee te maken zou hebben. Het kustpad voerde om de heuvel, in plaats van er overheen zoals deze weg. Ik hijgde en hijgde. Mijn hartslag steeg tot 166. Ik minderde nog meer vaart. Als ik nu ging wandelen zou dat het einde betekenen.

Een auto passeerde. Ik rook en proefde de uitlaatgassen. Bij hardlopers trekt dat gif verder in hun lichaam omdat ze dieper inademen, had ik ooit gelezen. Dat is zoals het industrieel georganiseerde leven is, de automobilist op z’n luie reet heeft nergens last van en meent ook nog dat de weg hem toebehoort. Als je niet uitkijkt word je overhoop gereden. De vervuiler bepaalt. Snel verjoeg ik de gedachte, ik loop hier voor mijn lol. Bovendien zijn bromberen niet de snelste dieren. Ooit wel eens een chagrijnige gazelle gezien? Nee toch? Nou dan.

Ik bereikte de top en merkte door de opluchting die me daardoor overviel niet dat ik vervolgens heuvel af de verkeerde weg insloeg. Gelukkig kijk ik dankzij mijn dwangneurose vaak op het scherm. Ik keerde om voordat het te laat was en klom weer een stukje omhoog. Hijg, hijg. Nu was ik er. 4,7 kilometer en ik hield tot mijn eigen verrassing nog steeds vol. Aan het einde van de weg lag de kust, als ik daar rechts ging kon ik via een kronkelpad de terugweg nemen. 

Het pad bleek een soort boulevard. Op het strand zaten groepjes mensen gelukkig te zijn. Verderop zag ik terrasjes. Ik merkte nu dat te weinig had gedronken voordat ik op pad ging. Ik kreeg last van dorst. Ik speurde of er een openbare waterkraan was. Helaas. Misschien kon ik zo’n bar in rennen en even een flesje water kopen. Of energiedrank, o nee, daar word ik misselijk van.

Ik rende langs de tafeltjes die bijna allemaal bezet waren. Iedereen dronk. Ik zou natuurlijk een karaf water van tafel kunnen grissen en die al rennend aan mijn mond zetten. Klok-klok. Bij een verrijdbaar kastje van het bedienend personeel zag ik een afwasbak staan met viezig water. Zou ik even mijn hoofd er in steken? Ik bedoel maar te zeggen: ik had nu wel erge dorst. Sahara-niveau. 

Ik rende door en door. De weg leidde weer naar het strand en ging over in een zandpad. Of liever gezegd er was in het rulle zand nog een soort van pad te zien. 6 km, dit werd te zwaar. Ik moest even op adem komen. Ik ging langzamer. Dat hielp niet. Ik voelde de bodem van mijn longen. Alsof daar zware metalen knikkers rondklotsten. Ik verlaagde tot snelle wandelpas. Nu ging het mis. Als ik eenmaal ga wandelen krijg ik het vliegwiel van mijn lichaam meestal niet meer goed op gang. Dat heeft dan gesmaakt van voortgang zonder uitputting en blijft protesteren bij iedere poging weer te rennen. 

Ik maakte weer vaart en voelde het zand in mijn schoenen terechtkomen. Ook dat nog. Deze hardloopschoenen hebben natuurlijk ventilatiegaten, langzaam stroomden ze vol. Ik kon het duidelijk voelen. Er was minder ruimte voor mijn voeten. Ik had andere schoenen aan moeten trekken, voor trailrunning, maar die heb ik niet.

Ik dacht aan een gesprek dat ik voor mijn vakantie had met een vriendin die een doorgewinterde hardloopster is. “Heb jij wel eens een trailrun gedaan? Want ik zocht naar hardloopwedstrijden in de omgeving van mijn vakantiebestemming maar zag alleen maar trailruns.”

Ja, dat had ze gedaan. Ze gaf me een verbaasde, onderzoekende blik, zo van ‘wat ben je nu weer van plan’. “Hoe is dat?” wilde ik weten.

“Dat ligt aan de route. Sommige zijn gewoon als een bospad, makkelijk, andere voeren over rotspaden en zijn de hel, dan moet je oppassen dat je niet valt. Ik ben er niet dol op.” Niks voor mij, had ik gedacht maar kijk waar ik nu liep. The accidental trailrunner. 

Ik raakte weer buiten adem. Over zand rennen is zwaarder. Rechts liep een onverharde weg, die kon ik ook nemen. Dacht ik. De weg liep makkelijker maar veranderde al snel in een smal pad dat langs een maisveld liep. Ik raakte ingesloten tussen de struiken en het gewas. Het pad werd steeds smaller, ik kon niet meer zien waar het heenvoerde en voelde de planten langs mijn lichaam striemen. Omkeren en terug naar het strand.

Het was nu echt zwaar. Te zwaar. 7,5 kilometer. Ik bedacht wat de vriendin had toegevoegd over de trailrun. “Het fijne daarvan is wel dat het niet gaat om snelheid of winnen maar om volbrengen. De deelnemers zijn veel relaxter. Als het niet meer lukt wandel je gewoon even een stukje, dat maakt niet uit.” Dat was mijn redding.

Ik wandelde tot ik weer op adem kwam. Dit werd een heel slechte tijd voor een hardlooprondje maar als trailrun was het ok. Even maar. Nu weer verder rennen. Langs het pad lagen plassen met zeewater. Ik zag een krab rondkrabbelen. Fascinerend. Prompt struikelde ik in dit moment van onoplettendheid over een steen. Ik wist de val voorover te stoppen en overeind te blijven. Hier nu languit gaan in de blubber bovenop de puntige stenen, daar had ik helemaal geen zin in.

Ik rende verder, al was het meer strompelen. Twee kraaien op een rots keken me aan en zeiden iets kraais tegen elkaar. Het zal iets zijn in de trant van ‘die gaat het niet redden’, dacht ik. Ze vlogen op en streken neer op een verder gelegen rots en wachtten tot ik naderde. Ineens realiseerde ik me dat ze me zagen als een mogelijk avondmaal. Kwestie van tijd en ik zou uitgeput ter aarde storten, als een soort thuisbezorgd menu voor kraaien. Helaas voor hen, ik had andere plannen dan een nuttige bijdrage leveren aan de ecologie.

De verharde weg kwam in zicht. 9,5 km. Ik zou nog een blokje rond door de buurt moeten rennen om de afstand te volbrengen. De weg voerde weer omhoog. Ik trok het niet. Twee wandelaars keken me onderzoekend aan, misprijzend, zoals gewoonlijk bij mensen in hardloopkleren. ‘Hoezo wandel jij, ga eens rennen!’ Ik maakte weer vaart, de laatste tweehonderd meter moest ik rennen, anders was het gewoon een wandeling geweest. 

Piep klonk het horloge. 10 kilometer.

Ik checkte de tijd. 1:27:15. 8:44 per kilometer. Mijn slechtste tijd ooit. Maar wel een mooie trailrun.

Toen ik me inschreef was het doel om deze 10 km binnen een uur te redden. Gezien de route was dat nu sowieso onhaalbaar geweest. Op het programma stond aanvankelijke een nieuwe race in Parijs, langs de Eiffeltoren, maar die had ik moeten cancelen omdat de organisatie plots de datum heeft gewijzigd. Het blijven natuurlijk Fransen.

Maar er is nog een kans. Op 24 augustus de Run for Ukraïne in Den Haag ter gelegenheid van Onafhankelijkheidsdag. 10 km, die moet ik dan toch echt binnen een uur kunnen halen. Zeker met deze training.

Voor de deur trok ik mijn schoenen uit om het zand er uit te laten lopen. Ik draaide ze om. Er viel helemaal niets uit. Er zat geen zand in, terwijl ik dat toch echt gevoeld had. Hardlopen doe je vooral met wat je eigen hoofd je wijs maakt.

PS: Iedere zondagavond verstuur ik In de Week, een zeer persoonlijke nieuwsbrief over wat ik de voorbije week zag, las, meemaakte en dacht. Doe net als meer dan tweeduizend andere lezers en abonneer je hier gratis.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *