De menigte bij het meer in het centrum van Hanoi bestond voornamelijk uit jongeren, sommigen waren dronken, een enkeling lag straalbezopen op de grond. Iedereen wurmde zich langs elkaar en er hing een enigszins onheilspellende sfeer. Voor het eerst zag ik wat je noemt ongure types. Drie jongens maakten zich al nerveus grijnzend snel uit de voeten, dwars door de mensenmassa en een plantsoen, even later gevolgd door een Europeaan met een verbeten blik en daarna nog twee Europeanen die druk gebaarden en om zich heen keken.
Het leek beter de Canon Ixus-i in mijn broekzak te laten, met mijn hand er beschermend omheen en maar even geen foto’s te maken.
Op een groot, fel verlicht podium trad een Vietnamese Rob de Nijs op, geflankeerd door wat danseressen. Het was twee minuten voor twaalf. De zanger zong gewoon door. Een minuut. Nog niets. Toen riep Viet Rob iets en verdween van het podium.
In de menigte stak iemand een soort sterretjes af. Daar bleef het bij. Vuurwerk is in Vietnam verboden, was me verteld. De massa kwam in beweging en begon vrijwel meteen op te lossen. Nergens een groet, omhelzing, wens of vreugdeuiting. Een enkele keer riep iemand glimlachend Happy New Year naar me.
Het feest was voorbij eer ik er erg in had.
Als er al een feest was geweest.
Na een hazeslaap stond ik om vier uur in de ochtend op om het vliegtuig naar het zuidelijker gelegen Hue te halen. Klappertandend vroeg ik aan de receptionist hoe het weer daar was. “Twintig graden,” antwoordde hij glimlachend en ik kreeg er helemaal een goede bui van.
Vietnamezen hebben nogal eens de neiging wenselijke antwoorden te geven omdat het onbeleefd is iemand teleur te stellen, werd me een paar uur later weer eens duidelijk. Rillend liep ik door de druilerige regen in Hue. Het was er bijkans kouder dan in Hanoi.
Vandaag bedacht ik me dat het in Vietnam-films meestal regent. Ik verkeerde altijd in de veronderstelling dat het effectbejaf was.
Morgen naar de DMZ, de Demilitarized Zone, de demarkatielijn tussen Noord en Zuid waar zwaar gevochten is en die nog steeds bezaaid met mijnen ligt.
Om alvast in de stemming te komen luister ik op de iPod naar Phil Ochs, een Amerikaanse protestzanger uit de jaren zestig die zich fel tegen de Vietnam-oorlog keerde. Met Ochs is het nogal vervelend afgelopen als ik me goed herinner. Maar zijn We’re the cops of the world blijkt onaangenaam actueel:
We’ll spit through the streets of the cities we wreck
We’ll find you a leader that you can’t elect
Those treaties we signed were a pain in the neck
‘Cause we’re the Cops of the World, boys
We’re the Cops of the World
zie hier de volledige tekst.
Bij het cutten & pasten van de bovenstaande tekst gebeurt er iets vreemds. In het geheugen van de computer in de lobby van het hotel blijkt een e-mail van een vorige gebruiker aan zijn moeder te zitten:
Mother,
Arrived in Hue Today at 7AM. I took the overnight sleeper train from Hanoi. Staying at the xxxx. Ten dollars US per night. AS I last mentioned -I plan to tour the DMZ with a guide. Very Much a French influence here- people speak to me in simple French phrases. Much less hectic than Hanoi. Much calmer pace at first impression. Vietnamese more friendly here. It is a little warmer here- not much. It has been raining since I got here. I hope it stops. I need some warm sunshine which I haven’t seen in six days. It is now 4:10 PM Hue Time.
Happy New Year once again!
HUGH
Waaruit maar weer blijkt dat toeristen als hij en ik altijd en overal hetzelfde vertellen.
Maar daarover later meer.