
De Biënnale van Venetië, de oudste en belangrijkste tentoonstelling ter wereld van hedendaagse kunst, telt voor het eerst sinds de oprichting in 1895 meer vrouwelijke dan mannelijke kunstenaars. Een mijlpaal zou je zeggen, maar dat klinkt meteen weer zo mannelijk. Het is meer een verzuchting: eindelijk.
Op de eerste dag bezocht ik de hoofdtentoonstelling in de Arsenale, een gigantisch historisch complex met tientallen zalen. Meteen zag ik ook het effect. Er zijn duidelijk meer vrouwelijke dan mannelijke bezoekers, ik schat een verhouding van minstens 60-40. Dat roept een vraag op: is het verschil toegenomen omdat er nu meer vrouwen komen of dat de mannen wegblijven? Ik denk beide. Er zijn nu eenmaal mannen – meer dan je zou willen – die niet geïnteresseerd zijn in wat vrouwen doen buiten beschikbaar zijn. Dat klinkt onrechtvaardig en dat is het ook maar gaat dan niet hetzelfde op voor de vrouwen die nu wel komen en eerst wegbleven? Ik moest er even over nadenken maar vind de situatie niet vergelijkbaar omdat de vrouwen afkomen op vooruitgang en bevrijding en de mannen er juist voor terugdeinzen. Als je hun reacties gelijkstelt begrijp je het hele probleem niet.
Zo zie je, de Biënnale is in staat om binnen vijf minuten na het binnentreden je gedachtenwereld op haar grondvesten te doen schudden. De entree is ook veelbelovend. Een metershoog beeld van een buste die rust op een soort bijenkorf. Het is een zwarte vrouw en de onderkant is een model van een prehistorische woning die in die vorm gemaakt werden en nog steeds worden. De vrouw en het huis zijn een, in die zin symboliseert het ook Moeder Aarde, ons huis. Het is een magisch beeld omdat het zowel associaties oproept met het verre verleden, de beelden van farao’s, als met de actuele discussies over de positie van zwarte vrouwen in de wereld. Het is een werk van Simone Leigh, een kunstenaar uit New York en het vangt in een klap alle thema’s die nu van belang zijn.
De Biënnale krijgt ook lovende recensies. Dat is zeker terecht want er is veel moois te zien maar gaandeweg bekroop me toch een licht onbehagen. Nergens zijn werken te zien die op onverwachte schaal verwondering of onrust veroorzaken. Die rol is wellicht toebedacht aan de deeltentoonstelling over cyborgs maar die deed me weinig. Een herkauwen van bekende ideeën. Misschien ben ik te streng want ik vind cyborgs de bitcoins van de culturele wereld. Intrigerend voor gelovigen maar het blijft een sprookje.
De kunstwerken zijn verder allemaal van veilige kwaliteit. Nergens denk je, wat doet dit hier? Dat lijkt ook de bedoeling te zijn van curator Cecilia Alemani, de eerste Italiaanse vrouw die deze positie bekleedt. Een slimme benadering want daardoor voorkom je de uitgekauwde en discriminerende excuustruus discussie en duw je het debat eerder de andere kant op: waarom kregen we de afgelopen 125 jaar amper vrouwen te zien? Onze premier zou meteen lachend zeggen ‘ze waren er gewoon niet’ maar deze Biënnale, met ook veel oude werken, toont dat daar niets van klopt.
Tegelijk ontbreekt de controverse. Er is weliswaar politieke kunst maar die is bijna allemaal van het soort wat ik protestkunst noem, met veel slogans en woede. Ik wil daar niets aan af doen. Deze Biënnale is mede tot stand gekomen door het werk van de feministische kunstenaarsgroep Guerrilla Girls die in 2005 ter plekke de mannelijke dominantie in de kunsten te lijf gingen met confronterende leuzen: waarom zijn vrouwen in musea alleen als model te zien? Nu, bijna twintig jaar later, plukken we de vruchten van hun strijd. Maar wel met het gevolg dat ze zelf op deze tentoonstelling misplaatst, achterhaald zouden overkomen. Ten ondergaan aan je eigen succes. De protestkunst die er nu te zien is lijkt me dat niet voor elkaar te gaan krijgen.
Totdat ik een ruimte betrad waar zich een gigantisch kunstwerk bevond, het leek wel een wezen, gehuld in zwarte palmbladeren. Het ademde en murmelde, ik vond het een soort duistere versie van Falkor, de knuffeldraak uit The Never Ending Story. Er bleek nog een hele bedoeling achter te schuilen over de functie van lijnen in de wereld maar na uren ronddolen en bij een temperatuur van 31 graden was dat een tikkeltje te ingewikkeld om tot me door te dringen. Het werk was op zich magisch genoeg. Het vervulde me met ontzag en plezier, al kan ik niet in een paar woorden uitleggen waarom.
De ironie wil dat het een inzending is uit Saoedi-Arabië, van Muhannad Shono. Zegt dat iets over de Biënnale, het land, de wereld of toch meer over mij als man?