
Onder rechtse mannen is het heel populair om te verkondigen dat ze vaak aan het Romeinse rijk denken. Ik weet mijn rechtsheid aardig te bedwingen dus ik heb er normaal gesproken geen last van maar dit weekend wel. Dat komt zo: in de film Roter Himmel, waar ik onlangs erg van genoot, hebben de hoofdrolspelers op een gegeven moment een heel gesprek over de dichter-schrijver Heinrich Heine. Zijn gedichten worden daarbij uit het hoofd voorgedragen, een vaardigheid die ik benijd want ik kom zelf niet verder dan Jonge Sla en wat dingetjes van Lévi Weemoedt.
Ik herinnerde me dat ik als jong volwassene wel eens een boek van Heine had gelezen. In de tijd dat ik als uitzendkracht in fabrieken werkte en na uitbetaling op koopavond meteen de boekhandel instoof om medicijn tegen het geestdodende werk te vinden. Ik verslond boeken om niet gek te worden. Het was een goedkope pocket met korte verhalen uit de serie Prisma Klassieken. De kaft kon ik me nog voor de geest halen maar wat er in stond is inmiddels verdampt.
Ik nam me in de bioscoop voor een boek van hem te gaan lezen. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig want Heine mag dan een van de grootste literaire figuren uit de wereldgeschiedenis zijn, in de boekhandel vind je nu amper iets van hem. Als ebook is er een heel kort stukje over de Franse pers. Ik las het en het smaakte naar meer. De enige echte boeken in het Nederlands zijn Memoires en Bekentenissen uit de serie Privé Domein. En Ideeën, het boek Le Grand, een dun boekje (120 pagina’s) dat eerder dit jaar in een nieuwe vertaling werd uitgebracht. Dat treft want ik ben dol op dunne boekjes.
Ik schafte het aan, begon te lezen en begreep totaal niet waar ik in belandde maar er was iets magisch aan. Dit is een boek dat je meevoert als een stroomversnelling, het klotst en het botst, het sleurt je van hot naar her. Dat schrijf ik allemaal zo op omdat ik niet kan beschrijven of navertellen wat het verhaal is, niet eens waar het over gaat, maar ik heb het gelezen met een permanente glimlach op mijn gezicht.
Heine drijft de spot met alle populaire opvattingen uit die tijd (het boek verscheen in 1827) maar dan niet op de in Nederland zo populaire Reviaanse manier die altijd doordrenkt is van rancune, dit is meer Bomans-achtig, vervuld van zelfspot. Wellicht omdat die laatste methode – het graf inprijzen en zogenaamd jezelf voor gek zetten – beter bestand is tegen de censuur. Het werk van Heine werd vaak verboden. In het boek staat een hele pagina waar alle woorden zijn weggelakt. Ook dat oogt actueel. Het ziet er nu uit als een vrijgegeven document van het kabinet Rutte. Zo zie je, de toekomst vindt de geschiedenis steeds opnieuw uit.
Heine, het is me niet helemaal duidelijk geworden wie precies de verteller is in het boek, heeft het regelmatig over het Romeinse rijk. Zoals hier, in een fragment dat meteen een beeld geeft van zijn spaghetti-achtige manier van formuleren.
“Maar wat Latijn betreft, u hebt er geen idee van, madame, hoe ingewikkeld dat is. De Romeinen hadden vast niet genoeg tijd overgehouden om de wereld te veroveren als ze eerst Latijn hadden moeten leren. Die gelukkigen wisten al in de wieg welke nomina een accusatief op -im hebben. Ik daarentegen moest ze in het zweet mijns aanschijns uit mijn hoofd leren; maar toch is het goed dat ik ze ken. Want als ik bijvoorbeeld op 20 juli 1825 in de aula van Göttingen, bij mijn openbare dispuut in het Latijn – madame, het was de moeite waard daarnaar te luisteren – als ik toen sinapem in plaats van sinapim had gezegd, dan zouden de aanwezige novieten dat misschien gemerkt hebben en dat was voor mij een eeuwige schande geweest.”
Hier zit eigenlijk alles al in. De grap over het Latijn, het spotten met de manier om zichzelf te bewieroken door zogenaamde bescheidenheid (waar ik mezelf vaak schuldig aan maak, ook in dit stuk) en de groepsdruk die zich altijd richt op discipline en nooit op de eigen opvattingen. Althans, zo las ik het.
Pagina na pagina gaat dit door. Scherp en grappig. Heine haalt de hele Romantiek, de dominante stroming tijdens zijn leven, door de allesversnipperaar. Ondanks dat hij vaak commentaar geeft op actuele zaken uit die tijd is veel van wat hij zegt nog steeds van toepassing. In zijn beschrijving van Napoleon, die werd geprezen om zijn ‘gewone man’-zijn en zich vervolgens tot keizer liet kronen, herken je zo het hedendaagse populisme.
Ik was als alcoholvrijverklaarde ook verrast door zijn notitie over wijn:
“Ik heb het levenslicht aanschouwd aan de oevers van die mooie rivier waar op groene bergen de dwaasheid groeit die in de herfst wordt geplukt, geperst, in vaten gegoten en naar het buitenland getransporteerd. (…) Maar veel dwaasheid wordt ook in het land zelf geconsumeerd, en de mensen daar zijn net zoals overal: ze worden geboren, eten, drinken, slapen, lachen, huilen, roddelen, zijn angstig bezorgd om de voortplanting van hun soort, proberen te schijnen wat ze niet zijn en te doen wat ze niet kunnen, laten zich pas scheren als ze een baard hebben en hebben vaak al een baard voordat ze verstandig zijn, en als ze verstandig zijn, bedwelmen ze zichzelf weer met witte en rode dwaasheid.”
De titel van het boek luidt Ideeën. Dat klinkt interessant maar ook daar laat hij weinig van heel:
“Madame, hebt u überhaupt een idee van een idee? Wat is een idee? ‘Er zitten een paar goede ideeën in deze jas,’ zei mijn kleermaker, terwijl hij met ernstige waardering de overjas bekeek die nog uit mijn Berlijns-elegante dagen stamt en waarvan nu een eerzame kamerjas gemaakt moest worden. Mijn wasvrouw klaagt dat dominee S. haar dochter ideeën heeft aangepraat en dat ze daardoor onwijs is geworden en niet meer tot rede wil komen. Koetsier Pattensen bromt bij elke gelegenheid: ‘Dat is een idee! dat is een idee!’ Maar gisteren werd hij echt chagrijnig toen ik hem vroeg wat hij zich bij een idee voorstelde. En chagrijnig bromde hij: ‘Nou ja, een idee is een idee! Een idee is al die onzin die je je verbeeldt.’”
Ik citeer te veel. Maar dat doe ik ook omdat ik teleurstelling wil voorkomen. Het is zoals gezegd een apart boek. Ik weet niet eens of je het een boek moet noemen. Er is niet echt een begin of eind en een verhaal kon ik er ook niet in ontdekken. Het had wat mij betreft ook wel een inleiding kunnen gebruiken, zoals bijvoorbeeld deze in NRC. Maar wat zou ik graag zien dat er nu een figuur als Heine was die me door de actuele waanzin loodst.
PS: Iedere zondagavond verstuur ik In de Week, een zeer persoonlijke nieuwsbrief over wat ik de voorbije week zag, las, meemaakte en dacht. Abonneer je hier gratis.
Beeld: portret van Heinrich Heine door Moritz Oppenheim (1831)