De tram trok door de stad, luid schuddend en met knerpende wielen. Ik zat op een stoel en staarde uit het raam. De remblokken vielen met een klap op de rails om het gevaarte te laten stoppen bij een halte. Het was geruststellende herrie. De zon scheen, het groen kroop overal weer tevoorschijn. Lente. Heerlijk.
Plots hoorde ik achter me een man heel luid tekeergaan. Een kerel van in de dertig met een woeste blik stond in het gangpad en richtte zich tegen de wagenbegeleider, een jonge jongen van een jaar of achttien die even daarvoor mijn kaartje had gecontroleerd. “Als ik je straks op straat tegenkom dan zal je wat mee maken mannetje. Nee, nu niet. Maar ik kom je een keer tegen. Daar buiten. Dan ben je van mij.” De boze man was minstens een kop groter dan de jonge medewerker en boog zich dreigend voorover, wapperend met zijn wijsvinger. Zijn ogen spoten een en al woede. De wagenbegeleider gaf geen krimp.
De tram stond nu stil, de deuren gingen open. Passagiers stapten in en uit. “Zeg, doe ff normaal”, zei ik. De boze man keek verstoord mijn kant uit en begon tegen me te schreeuwen. “Hij heeft…”, alsof hij zijn zaak bij mij wilde bepleiten. Ik kapte hem af. “Maakt me niet uit, zo praat je niet tegen een RET-medewerker.”
Hij keerde zich abrupt om en liep door de openstaande deuren naar buiten, draaide op de drempel en vuurde nog even een scheldwoord naar me af (…!). Terwijl de deuren sloten riep ik terug:,“Je bent zelf een (…)”. Ik had er meteen spijt van. Nu was ik net als hij. Dat is het nare van dit soort confrontaties, je wordt al snel iemand die je niet wilt zijn.
Ik keek naar de wagenbegeleider. “Gaat het?” Hij leek vooral verbaasd en haalde zijn schouders op. Zijn dreadlocks bewogen zachtjes heen en weer. “Ik gaf hem nog de kans uit te stappen omdat hij geen kaartje had.” Hij ging verder met zijn controle.
De bel rinkelde, de tram trok op, de rust keerde meteen terug. Het voorval had niet meer dan een paar seconden geduurd. Natuurlijk vroeg ik me af of ik wel juist gehandeld had. Was ik te laconiek geweest? Die gast bedreigde de wagenbegeleider immers. Had ik meteen de politie moeten bellen? Of nee, had ik niet eerst een foto van hem moeten maken, voor het geval de boel zou escaleren? Ja, ja, overthinking is me nooit vreemd.
Aan de andere kant was de kans groot dat het dan juist uit de hand was gelopen. Overbodig bovendien. De trams hangen vol met camera’s. Ik had ook niet meer willen doen dan de confrontatie doorbreken. De-escaleren, mooi woord vind ik dat. Het was gelukt. Toen hij me verstoord aankeek leek het alsof hij verrast was.
Meer dan 20 jaar geleden schreef ik een essay over hoe dit agressieve gedrag vrij spel heeft door de komst van de auto in de stad. Ja, echt waar. De meeste auto’s worden bestuurd door mannen. Die reizen dus niet meer met het ov. De tram zit vol met vrouwen, scholieren en ouderen. Mannen van middelbare leeftijd, de enigen waar dit soort types voor terugdeinzen, ontbreken. Dat heb ik niet zelf verzonnen, het werd me ooit verteld door een medewerker toen ik zelf een blauwe maandag op de tram werkte. “Voordat de auto kwam zaten de trams vol met havenarbeiders. Die tolereerden geen rare fratsen.” Het publieke debat gaat begrijpelijkerwijs veel over hoe mannen de wereld onveilig maken maar ze kunnen juist ook goed helpen om agressie tegen te gaan. Vaak alleen door gewoon aanwezig te zijn. Nog een reden om de auto te laten staan.
Nadat deze maand een buschauffeur werd mishandeld door een agressieve passagier deed de RET-directeur een oproep in het AD:
„Helaas zien we te vaak agressie, minachting en ander onacceptabel gedrag tegen onze mensen. Gedrag dat collega’s diep raakt, fysiek en verbaal. Het zorgt er ook voor dat mensen niet altijd meer onbezorgd instappen.” Boot doet daarom een dringende oproep aan alle Rotterdammers om te helpen het openbaar vervoer veilig te houden. „Laat onze mensen gewoon hun werk doen en jou veilig brengen waar je heen wilt. Wij kunnen het tij niet alleen keren.”
Met wat meer mannelijke reizigers in het ov wordt dat een stuk makkelijker. Dat aspect mag best wat meer benadrukt worden.
Overigens reis ik veel met het ov en ik maak agressie er niet vaker mee dan in de rest van het verkeer. Dat wil zeggen: zelden. Als het gebeurt is het natuurlijk heel ontregelend maar het zijn grote uitzonderingen, ik kan de voorvallen die ik in mijn leven meemaakte op de vingers van een hand tellen. Al zou je dat op basis van de berichtgeving niet verwachten.
Iedere zondagavond mijn nieuwsbrief ontvangen met tips, ervaringen en ideeën? Abonneer je nu gratis.
Held