De hel, dat ben ik

Sommige citaten ken ik al mijn hele leven zonder enig idee te hebben waar ze vandaan komen. De hel, dat zijn de anderen, van Jean-Paul Sartre, is er zo een. L’enfer, c’est les autres. Ik weet alleen van de discussie of de vertaling niet zou moeten luiden ‘de hel, dat is de anderen’. Zonder enig benul van de filosofische betekenis ging mijn voorkeur altijd naar de eerste uit, zijn. Dat klinkt mooier, zeker als je jongvolwassene bent. Dan hoeft het ook geen nadere uitleg. De hel, dat zijn de anderen. Helder. Stap in het openbaar vervoer, de auto, ga naar het winkelcentrum, de toeristische hotspot, Ikea of wat al niet meer en je ziet de stelling zichzelf verklaren.

Sinds gisteren weet ik dat ik het altijd verkeerd begrepen heb. Via de Alliance Française, waar ik probeer de Franse taal machtig te worden, kreeg ik een uitnodiging voor Huis Clos (Gesloten deuren), het toneelstuk van Sartre waar het citaat uit afkomstig is. Ik wilde die kans niet missen maar meteen sloeg de schrik me om het hart. Ik bedoel, bij een chanson ben ik al blij als ik na drie keer luisteren vaag begrijp waar het over gaat, hoe moet ik dan hemelsnaam – excusez le mot – een toneelstuk over de hel volgen?

Ik wist trouwens niet eens dat het over de hel ging. Daar kwam ik pas achter toen ik vooraf de tekst las. Dat was op zichzelf ook al een afdaling naar het voorgeborchte want van veel woorden kende ik de betekenis niet. Een woord als bijvoorbeeld bourreau – beul – kom je nu eenmaal niet zo snel tegen in de conversatieles. Zelfs niet in de Franse.

Voor alle zekerheid nam ik ook nog de uitleg van Wikipedia door. Dat bood me wel wat beter inzicht.

De voorstelling, uitgevoerd door Les Belles Échappées, vond plaats in ‘t Kapelletje, met 90 plaatsen het op een na kleinste theater van Rotterdam. Ik ging er met enige mensenvrees op de fiets heen. Ik bedoel, er zouden vast alleen maar Fransen of gevorderde sprekers zijn, bedacht ik al trappende. Wat als iemand iets tegen me zou zeggen? Dan moest ik terug praten! O, mijn god! L’enfer, c’est les autres! Maar dat kun je niet zeggen natuurlijk.

De foyer zat vol met keuvelende mensen en afgezien van de barvrouw, die vriendelijk in het Nederlands vroeg ‘wat mag het zijn?’, richtte niemand het woord tot me. Ik ving wel een flard op van een Nederlands gesprek: 

‘En wat voor niveau zit je dan?’ 

‘Nou gewoon, A1’. 

Ik slaakte een zucht van verlichting. Dat is beginnersniveau terwijl ik inmiddels semi-gevorderd ben. De anderen mogen dan de hel zijn, ze kunnen als ze minder goed zijn dan jij ook de hemel vormen. De hemel, dat zijn de minderen.

De foyer deed zijn naam eer aan. Veel theaterrood en -zwart. Het voelde helemaal Frans. Uit het niets dook een ceremoniemeester op die een verhaal afstak waar ik weinig van begreep en ons via sluipdoorgangen en smalle trappen naar het theaterzaaltje voerde. Ik waande me zowaar in Parijs.

Op het podium werd cello gespeeld door een gemaskerd persoon en toen iedereen plaats had genomen, begon het stuk. 

Huis Clos, dat Sartre in 1943 in Parijs schreef ten tijde van de bezetting door de nazi’s, speelt zich af in een enkele kamer. Drie mensen, twee vrouwen en een man, worden een voor een binnengeleid door een gerant. Het blijken doden en de kamer is het hiernamaals waar ze niet uit kunnen ontsnappen. De hel om precies te zijn. Waar zijn de martelwerktuigen, wil de man weten, de spiesen, de brandijzers? Die zijn er niet. Er is niets. 

Ze voelen zich ongemakkelijk, zoals je dat voelt als je een onbekend verblijf binnenkomt, en willen vooral indruk op elkaar maken met mooie praatjes. Gedurende de conversatie bladderen hun imago’s af. Het blijken moordenaars of anderszins wrede personen die niet voor niets in de hel terecht zijn gekomen.

De ene vrouw zoekt de aandacht van de man maar die is niet geïnteresseerd, de andere vrouw probeert haar dan weer tevergeefs te versieren. Kortom, het gezelschap is een driehoek waarvan de zijden niet op elkaar aansluiten. Dat is geloof ik ook de kern van het stuk, omdat ze zich moeten verhouden tot elkaar kunnen ze niet aan zichzelf ontsnappen. Daarom zijn de anderen de hel. Het bevat in die zin ook een soort variant op een levensles die mijn moeder me leerde: je eigen fouten herken je het eerst in iemand anders.

Het bijwonen van de voorstelling was een aparte ervaring. Natuurlijk begreep ik niet alles – dit is wat de Fransen een euphémisme noemen – maar ik herkende wel hele delen uit het boek dat ik gelezen had. Daardoor kon ik mezelf door het stuk loodsen. Het is net als met wandelen, om te voorkomen dat je verdwaalt is een enkel herkenningspunt vaak al voldoende. 

Daarnaast werd bevestigd wat ik al eerder vermoedde: dat taal ook een kwestie van conditie is. Net als hardlopen. In het begin moest ik er even in komen maar al snel begon ik steeds meer te verstaan en begrijpen. Tot ik op driekwart plots uitgeput raakte en de tekst aan me voorbijging. Tegen het einde hernam ik mezelf weer. Het L’enfer, c’est les autres hoorde ik nu voor het eerst echt in context. En dan vooral de komma. De pauze maakt duidelijk dat het een afschuwelijke gewaarwording is.

De voorstelling was gratis maar dat bleek neer te komen op een vrijwillige bijdrage. Bij de uitgang stond een vrouw die een hoge hoed ophield als collectezak. Fransen hechten nog aan contant geld dus iedereen stopte er wat in. Ik had zoals gewoonlijk niks bij me. Hoe had ik het moeten weten? Had ik de uitnodiging niet goed gelezen? In de rij schuifelde ik langzaam richting de hoed. Wat moest ik zeggen? Sorry, ik heb geen contant geld? Wat was contant geld ook alweer? Argent? Nee. Monnaie? Nee, er was iets mee, het was een woord of een uitdrukking. Ik wist nog wel de waarschuwing van de docent ‘zeg nooit….’ Maar nooit wat? Espèces? Was dat het? Zal je zien dat ik het verkeerde gebruik en volkomen voor lul sta.

Eenmaal bij de vrouw wist ik niets anders te doen dan merci te mompelen en zo snel mogelijk door te schuifelen. Ik had het gevoel dat ze me verbijsterd aankeek.

Dat gevoel bleef de hele terugtocht op de fiets hangen. Ik was een hork geweest, had haar geschoffeerd. Wat een slechte indruk moest ik wel niet gemaakt hebben. Ze zou vast denken dat ik het een waardeloze voorstelling vond terwijl het tegenovergestelde het geval was. Ik had ondanks al mijn beperkingen genoten.

Wachtend voor een rood verkeerslicht bedacht ik hoe de vrouw die me nu achtervolgde de les van het stuk symboliseerde. De hel, dat zijn de anderen. En toen viel het kwartje. Als het de anderen zijn, dan ben ik dat ook. Voor ieder ander ben ik immers de anderen. Het zijn niet de anderen, het zijn wij. Omdat we tot elkaar veroordeeld zijn.

Het licht sprong op groen.

PS: Iedere zondagavond verstuur ik In de Week, een zeer persoonlijke nieuwsbrief over wat ik de voorbije week zag, las, meemaakte en dacht. Abonneer je hier gratis.

Gepubliceerd door

4 gedachten over “De hel, dat ben ik”

  1. Weer een prachtige beschreven ervaring!
    De franse taal is ook echt moeilijk maar de litteratuur een rijkdom.
    Net als met het hardlopen, gewoon doorgaan.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.