Het begint een beetje een gênant verhaal te worden, een soort uitgesponnen mislukking. Al wil ik die laatste conclusie nog niet helemaal trekken omdat er nog een straaltje hoop is. En je weet, zelfs het dunste straaltje licht kan een donkere ruimte helemaal verlichten. Als je maar lang genoeg wacht.
Dit gaat over hardlopen. Om preciezer te zijn: over mijn pogingen tot hardlopen. Mensen die vaker op deze site komen of geabonneerd zijn op In de Week zijn er bekend mee. Ieder jaar schrijf ik mij in voor de 1/4 marathon van Rotterdam met als voornemen de afstand binnen een uur af te leggen. Dat is me nog nooit gelukt in de meer dan 15 jaar dat ik het probeer. Andere mensen zouden dan misschien opgeven, maar dat zijn andere mensen. Zo ben ik niet. Wie weet lukt het toch nog een keer en loop ik die ene keer mis als ik niet meer mee doe. Vanuit dezelfde houding durf ik de postcodeloterij niet op te zeggen. Terwijl ik nooit wat win, zelfs geen koffer of fiets, alleen maar niets.
Het mag vastberaden klinken maar in werkelijkheid is het heel anders. Gewoonlijk schrijf ik me in het najaar in, begin ik in december enthousiast met trainen, mijn fantasie rent voor me uit en ik zie me al finishen in 59:59. Yes! We can! Maar nee, in januari raakt alles in het slop, het rennen komt er niet meer van en uiteindelijk verschijn ik in april vrijwel ongetraind aan de start.
Dit jaar leek het anders te gaan. Ik vergat me op tijd in te schrijven, de race was uitverkocht. Tevergeefs ondernam ik pogingen een startnummer over te nemen. Ik moest het dit jaar maar vergeten. Ik had er vrede mee, maar toen de eerste zonnestralen de wintergrijsheid weglaserden, begon het loopvirus toch te kriebelen. Ik moest het weer proberen. Misschien kon ik op de marathondag gewoon zelf ergens in het wild de afstand van een 1/4 marathon lopen en het gejuich erbij denken. Dat idee schoof ik snel terzijde. Het is toch alsof je zelf een maaltijd kookt en die dan op een bankje tegenover je favoriete restaurant gaat opeten.
Daarom kwam ik op het idee om in mei in Parijs te gaan rennen. Ambitie! Avontuur! Er was een 10km loop door het Ve arrondissement. Waar Sartre zijn boeken schreef en de studenten de revolutie van Mei ‘68 uitvochten. Maar omdat ik heel goed ben in mislukken en de Franse taal niet goed genoeg beheers bleek ik me voor een ‘virtuele’ hardloopwedstrijd opgegeven te hebben. Ja, eentje die je thuis loopt want ook deze wedstrijd was uitverkocht.
Er was wel een wachtlijst. Ik schreef me tegen beter weten in. Nummer 292. Vier dagen later was ik opgeklommen naar positie 282. Ik weet ook al hoe dit gaat aflopen. Het lijkt niet te gaan lukken en dan de dag voor het evenement, als de Parijse hotelprijzen een nieuw zonnestelsel hebben bereikt, krijg ik bericht dat ik toch mee kan doen. Met als resultaat de duurste hardloopwedstrijd uit de geschiedenis of eeuwige spijt.
Ter troost schreef ik mezelf ook maar in voor een Parijse hardloopwedstrijd in september. Bij de Eiffeltoren. Maar ja, dat is nog ver weg. Terwijl het hele inschrijven bedoeld is om me te stimuleren te gaan lopen zodat ik in de zomer een goede conditie heb. Dat is een omfloerste manier om te zeggen dat ik me op het strand kan vertonen. September, dan is de zomer weer voorbij.
“Ik weet iemand die een startnummer voor de 1/4 wil overdragen. Wil je dat?” vroeg een vriendin. Ze appte me een nummer en vertrok naar het buitenland voor een tocht door de jungle. Ik dacht er over na. De 1/4 marathon is op 13 april, dat was over twee weken, inmiddels anderhalve. Ik ben niet getraind. Maar als iemand die altijd toch nog over het perron sprint terwijl de conducteursfluit al klinkt en de treindeuren sluiten, besloot ik het er op te wagen. Ik stuurde per sms een overnameverzoek naar de mij onbekende persoon.
Nu moest ik gaan rennen. Wanneer? Mijn agenda lachte me uit. Maar dondermiddag kon het, direct na mijn werk. In gedachten zag ik me mezelf al losrukken van m’n bureau, in mijn sportkleding schieten en met gezwinde pas door de stad rennen, net als al die trainende marathonlopers die de laatste weken het straatbeeld vullen.
De praktijk pakte anders uit. Ik klapte mijn laptop dicht en plofte versuft van de werkdag neer op de bank. De zon scheen maar mijn lijf ging in staking. Ik voelde de laatste restjes wilskracht wegsijpelen. Bovendien rommelden mijn ingewanden. Ik had een dag eerder niet een heel pak stroopwafels op moeten eten. Gevoelens van schuld, schaamte en andere narigheid hielden een protestmanifestatie in mijn gemoed. Terwijl ik droomde van een glorieuze prestatie werd ik bekropen door een deken van zelfhaat.
Ik moest rennen, ik wilde geen slappeling zijn. Ik trok mezelf op aan mijn eigen haren en ging naar buiten. Rustig aan dan maar.
De zon op mijn rug wierp mijn schaduw voor me uit. Alsof ik achter mezelf aanrende. Ik schrok. De schaduw was niet de weerslag van een atleet uit de Griekse oudheid maar iets vormeloos, ondefinieerbaar bijna. Een soort rennende kliko. Het zal vertekening zijn, probeerde ik mezelf op te monteren. Het hielp niet echt. Mijn schaduw begon me af te remmen, alsof ik achter iemand aan rende die steeds langzamer begon te lopen.
Door mijn gedachten joegen nu ook de schaduwen. Was het wel verstandig? Waar was ik mee bezig? Dit is ongezond, als het ventiel van je zelfbeeld losdraaien. Ik had ook nog geen reactie op mijn startnummerovernameverzoek gekregen. Misschien ging het allemaal niet door, was ik voor niks aan het ‘trainen’.
Ik keek op mijn sporthorloge. Dat had ik ook niet moeten doen. Tempo 7:40 per km. Meer dan 40 seconden langzamer dan zondag, toen ik samen met mijn renmaatje liep. Dit sloeg nergens meer op, het is veel te traag. Dan blijf ik de bezemwagen straks niet eens voor.
Ik probeerde nog door te zetten. De eerste kilometer is altijd zwaar, hield ik mezelf voor. Straks zal het beter gaan. Maar ook mijn fantasie bleek uitgeput, ik kon niet meer verzinnen dat het straks prettiger zou worden.
Twee vrouwen renden me elegant tegemoet. Hun paardenstaarten dansten in het zonlicht, de strakke sportkleding als een tweede huid om hun sportieve lijven. Die vragen zich vast af waarom ik geen rollator heb, dacht ik toen we elkaar passeerden en merkte dat ik mijn eigen cynisme niet meer kon verdrijven. Ik kon net zo goed stoppen. Ik gaf op en liep naar huis.
Eenmaal weer op de bank, gevloerd door een gevoel van verslagenheid, checkte ik mijn horloge en vroeg de ‘prestatie’ op. 0,7 km, gemiddelde tempo 6:56. Fuck. Niks mis mee, dat was net zo goed als afgelopen zondag. Die 7:40 was een anomalie geweest. Ik had gewoon door moeten zetten.
De telefoon trilde, er kwam een sms binnen. “Wat zullen we afspreken om het startnummer over te dragen?”
PS: Iedere zondagavond verstuur ik In de Week, een zeer persoonlijke nieuwsbrief over wat ik de voorbije week zag, las, meemaakte en dacht. Doe net als meer dan duizend andere lezers en abonneer je hier gratis.