Ik houd me sinds heel kort aan een strak regime van iedere dag een half uur sporten. Dat klinkt vastberaden maar het zit anders: ik moet me er aan houden omdat ik nu eenmaal een zwak ontwikkelde wilskracht heb.
Dat laatste merkte ik zondag duidelijk weer toen ik na uren treuzelen en uitstellen eindelijk naar buiten stapte om 5 km te gaan rennen. De zon die me urenlang vergeefs probeerde te lokken, had het opgegeven en was al bijna verdwenen. De lucht was weer demotiverend grijs. Ik voelde een druppel water en nog een. Zal je net zien, hele dag mooi weer en net als ik wil gaan rennen… Ik voelde me bij wijze van spreken al doorweekt van de hoosbui die straks ongetwijfeld zou losbarsten. Onder normale omstandigheden had ik nu meteen rechtsomkeert gemaakt, terug naar binnen en het loopje uitgesteld tot morgen. Maar daar is het strenge regime voor. Uitstellen is geen optie.
Dus ging ik toch van start. Een beetje harder dan anders om zo gauw mogelijk weer thuis te zijn. De druppels bleven vallen maar de frequentie nam niet toe. Misschien bleef het bij deze mislukte miezer. Ik wilde het risico van overvallen te worden door een plensbui niet nemen en bleef harder lopen dan ik gewend ben. Het voelde goed. Ik herinnerde me dat ik wel eens eerder opgemerkt had dat ik te langzaam lopen vermoeiender vind dan te hard. Ik vroeg me af of dat echt mogelijk is of dat het een verzonnen indruk is die mijn hersenen opdienen om mijn leven prettiger te maken.
Ik sloeg een bocht om en belandde op een pad met forse tegenwind, vol in mijn gezicht. Ik slaakte protestkreten tegen de wind, zoals ik vaak doe als ik tegenslag voel. Een man kwam naast me fietsen, had mijn getier in het niets kennelijk gehoord en keek me onderzoekend aan. Harde wind, zei ik. Hoe oud bent u, vroeg hij onverwacht, wat ik ijdel als ik ben altijd een confronterende vraag vind. Ik antwoordde en hij knikte goedkeurend. Mooi, zei hij. En u, vroeg ik. 81 klonk het. “Ik deed dit vroeger ook, heel veel, gaat niet meer.” Maar wel tegen de wind in fietsen, reageerde ik. We lachten. Hij stak zijn hand op en fietste door. Zonder elektromotor. Wat een bikkel.
Ik merkte dat het lopen nu nog makkelijker ging. Zou het door dat knikje gekomen zijn? Laatst vroeg een vriend waarom ik hardloop, gezondheid, plezier of ijdelheid? Dat laatste ongetwijfeld antwoordde ik, niet omdat ik dat echt denk maar omdat ik de mogelijkheid niet wilde uitsluiten, want ik had er nooit zo over gedacht. IJdelheid is me niet vreemd, anders zou ik deze woorden in een geheim dagboek schrijven in plaats van met jullie delen. “Ik wil fit zijn,” zei ik. “De tram kunnen halen met een sprintje als ik eigenlijk te laat ben.” Dat was mijn eerlijke antwoord maar nu hier op het pad begon het te knagen. Dat knikje van de man had me wel erg goed gedaan. Zou het dan toch ijdelheid zijn, of een zucht naar erkenning? Begrijp me goed, ik heb niks tegen ijdelheid, mits niet te overdreven. Zeker niet als het je tot prestaties drijft. IJdelheid zonder prestaties is natuurlijk het ergste dat er is. Kijk maar naar de vorige regering.
Ik rende verder en verder. Ik had verwacht buiten adem te raken maar dat gebeurde wonderwel niet. Misschien kwam het toch door de man, dacht ik. Die had me figuurlijk een zetje gegeven door me op te merken. Zoals toeschouwers dat doen bij een race. Rennen doe je alleen, maar gedragen word je altijd door anderen. Dat is geen ijdelheid, dat is een sociologisch verschijnsel. En ik bedacht hoe we de wereld de afgelopen 40 jaar anders zijn gaan zien door sociologie te vervangen door psychologie.
5 km. Ik zette de stopwatch stil. 6:26 per kilometer, dat is bijna 50 seconden sneller dan vorige week. Ik voelde mezelf glunderen, zonder dat er iemand keek. Mijn streven is 6:00 per kilometer, dat is het tempo dat ik 15 jaar geleden liep. Zou ik dat dit jaar dan echt gaan halen? De gedachte alleen al maakte me vrolijk.
Ik arriveerde bij de voordeur van mijn huis. Het begon ineens heel hard te regenen.
Iedere zondagavond verstuur ik In de Week. Abonneer je hier gratis
Drie ren-ervaringen van mijzelf:
Het regent binnen meestal harder dan buiten.
Als je níet gaat heb je spijt, als je wél gaat heb je dat nooit.
Rennen helpt, tegen (bijna) alles.
Hou vol!
Groeten,
Margriet
Dank je Margriet, die eerste zal nog wel wat overtuigingskracht van mezelf vergen. De rest onderschrijf ik ronduit.
15 jaar geleden 10 km/uur? Is dat nou cyclisch of nostalgisch?
Ik wilde je echt antwoorden maar belandde in een cirkelredenering