Niet gered

Wat doet die daar nou, zei C. verbaasd toen we de stad uitreden om Antwerpen te bezoeken. Een stuk verderop liep iemand over de busbaan naast de drukke weg. Een rolkoffer achter zich aan slepend en een blauwe Albert Heijn-tas in de andere hand. Een ouder persoon in een keurige lange donkere winterjas. Dit zag er niet goed uit. Hij liep recht op de oprit van de Van Brienenoordbrug af, waar het verkeer als een soort spervuur haastig de snelweg op raasde. Daar lopen overleef je niet.

We stonden in een lange rij auto’s te wachten voor het stoplicht. De zon scheen, de lucht was vrolijk blauw alsof er geen ramp stond te gebeuren. De man liep gestaag verder, zonder op of om te kijken. Nergens was een voetpad te bekennen, of zelfs maar een stukje waar je als voetganger veilig bent. Wat ging hij doen? Wilde hij het met viaducten overspannen verkeersplein oversteken? Dat was gekkenwerk. Of zou hij de afslag naar de brug nemen? Dat was nog erger. Het was alsof hij zo een kolkende vulkaan van auto’s in liep. Was hij verdwaald? In de war?

Ik aarzel normaal gesproken niet om 112 te bellen maar dat had nu geen zin. Als dit mis ging zou niemand er op tijd bij kunnen zijn. Moest ik hem oppikken en ergens op een veilige plek afzetten?

Ik dacht aan Antwerpen. De rondleiding voor de opening van het ModeMuseum begon stipt om 13 uur, een verrassing voor C. Waze voorspelde dat we net op tijd zouden aankomen. Ik zag het uitje in het water vallen maar ik kon ook niet doorrijden alsof er niks aan de hand was. Dat zou ik mezelf de rest van mijn leven blijven verwijten.

Het stoplicht sprong op groen, het verkeer trok op en net na de stopstreep zette ik de auto aan de kant op een ongebruikt stuk wegdek. Ik opende het portier en schrok van het lawaai van het voortrazende verkeer. Hier moest je echt oppassen. Ik stapte voorzichtig uit, rende over de busbaan naar de man die inmiddels de vangrails bereikt had. En toen veranderde alles. Net daarvoor sloeg hij af. Ik zag nu dat er door het gras een soort olifantenpaadje liep, richting de rivier, weg van de snelweg.

Meneer! schreeuwde ik hem achterna. Hij reageerde niet. Mijn stem kwam niet boven het lawaai uit. Wacht. Misschien was het geen man. Mevrouw! Hij keek meteen om met een verstoorde blik. Een grijs baardje, een gelige huid, diep liggende ogen. Het is hier heel gevaarlijk, riep ik. Hij schudde met zijn hoofd, al wist ik niet of hij me verstond, keek weer voor zich en liep verder door het gras. Onverstoorbaar. Alsof het een dagelijkse route was. Hij had duidelijk geen behoefte aan hulp.

Ik keek om me heen. Dit was een omgeving uit een apocalyptische film waarbij al het leven op aarde vernietigd was. Beton, staal, asfalt, herrie. En een paar grassprietjes. Verder niks. Menselijk leven had hier niks te zoeken. Maar daar verderop, waar hij heen liep, was een fietspad wist ik. En een industrieterrein. Een volkstuinencomplex. Veilig gebied kortom.

Ineens was het alsof ik in het water was gesprongen om iemand te redden en het niet dieper bleek dan een pierenbadje. Wat de man deed was raar maar niet langer gevaarlijk en ook niet mijn zaak.

Ik voelde me machteloos dan wel nutteloos of belachelijk en keerde onverrichter zake terug. Bij een gaatje in de drukte stortte ik de auto in de drukke stroom, op naar Antwerpen. Waar we inderdaad nog net op tijd arriveerden.

Gepubliceerd door

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.