Tag archieven: Rotterdam

Gazelles in de stad

cc-foto: Craig Vershaw

Er klinkt achter me een klap, het soort waarvan je meteen weet dat het iets met een auto is. Het geluid van blik dat een dreun opvangt en indeukt, hard plastic dat breekt. Ik kijk om. Een auto draait op de kruising de hoek om, rijdt een zijstraat in. Heel langzaam, alsof de bestuurder twijfelt over wat er gebeurd is. Een scooter ligt midden op straat, half tegen de grond. De berijder zit er nog op en richt zich omhoog met machine en al. Hij ziet verschrikt om zich heen, ik kijk hem recht aan en verbaas me erover dat zijn blik geen woede of hulpeloosheid uitstraalt. Hij lijkt niet gewond. Nog voor ik op hem af kan lopen scheurt hij vol gas weg, de straat uit. Een stuk plastic van de scooter blijft achter op de stenen.

De auto is gestopt. Ik merk dat ik onwillekeurig partij heb gekozen voor de scooter. In de jungle van het verkeer kies je altijd voor de zwakste. Zoals in een natuurdocumentaire je sympathie uitgaat naar de gazelle en niet naar de cheetah. Maar nu de jongen weggeracet is, als een ontsnapte gazelle die uit zicht verdween, blijft er niemand over om sympathie voor te hebben. 

In de linkerachterkant van de splinternieuw ogende auto zit een forse deuk. Het portier gaat open, een jong meisje stapt uit. 19 jaar schat ik, maar dat zegt niks want ik denk ook altijd dat George Clooney 40 is. Ze trilt van de zenuwen. Ze lijkt een beetje op Famke Louise. Wat is er gebeurd, wil ze weten. Een voorbijganger wijst naar een paal met bovenin een zwarte bol op de hoek van de straat. “Daar hangt een camera, snel, bel de politie dat ze de beelden veilig stellen.” Ik zie de bol, als een ding uit een science-fiction film. Zou er nu iemand naar ons kijken, vraag ik me af.

“Politie?”, vraagt het meisje met twijfelende stem. Haar vriendin is ook uitgestapt. Die trilt niet en lijkt zich vooral af te vragen wat de situatie is. 
Ik wijs naar de achterzijde de auto. “Je hebt wel een deuk.”
Het meisje slaat haar hand voor de mond als ze de schade ziet. “O mijn god, mijn vader…” Ze lijkt meer te schrikken van de gedachte aan haar vader dan van het ongeluk.

“Je had die scooter niet gezien,” zegt haar vriendin in een poging haar gerust te stellen. 
Ik probeer te helpen. “Ja en hij haalde je links in, dat mag niet.”
“Precies,” zegt haar vriendin. Het meisje kijkt me verbaasd aan. Gauw zeg ik: “Of nee, dat mag wel maar daar kun jij niks aan doen.” Welja, maak het nog erger, verwijt ik mezelf de onhandigheid.
“Ik heb geen richting aangegeven,” zegt het meisje.
Verdomme. Ik wil zo graag dat het niet haar schuld is. Dat het niemands schuld is.
“Wat moet ik nou doen? Ik weet niet wat ik moet doen.”
Ja, wat moet ze doen? De auto staat midden op straat, het portier nog open, als een bevroren crime scene.

Het is avond, de winkels zijn net gesloten en het publiek trekt door de straten op weg naar huis of vermaak. Over een half uur begint even verderop de theatervoorstelling waar we naar op weg zijn.

Een fors gebouwde beveiliger op de fiets stopt. “Je had die straat niet in mogen rijden van die kant. Het is eenrichtingverkeer.” Ook dat nog. Daar had ik helemaal niet aan gedacht.
“Niet in mogen rijden? Hoe kan dat?” reageert het meisje vol ongeloof.
Het is ook een rare straat. Halverwege verandert plots de rijrichting. Net bij een drukke voetgangersoversteekplaats. Ik zie er vaker mensen de fout ingaan, denk ik verontschuldigend en verbaas me daar tegelijk over omdat de keren dat ik zoiets zag gebeuren ik steevast de bestuurders vervloekte. Het meisje is veranderd van cheetah in gazelle. Ze is ook net zo rank, als een rietje dat trilt.

“Hier gebeuren heel vaak ongelukken,” zegt de beveiliger. Ook hij wil haar geruststellen. “Ik heb er zelf al vier keer een aanrijding gehad.” Je zou denken dat iemand die de camerabeelden bestudeert het eens moet gaan opvallen dat die plek een magneet is voor het verlies van no claim-korting maar misschien kijkt er niemand naar, registreren ze alles voor het grote niks.

“Ik weet niet wat ik moet doen.” zegt het meisje weer.
“De politie bellen,” antwoordt een omstander. Ik zie de angst op haar gezicht. “Wat moet ik dan zeggen?”
“Zal ik voor je bellen?” bied ik aan.
“Ja, als u dat wilt.”
Klik.
“Meldkamer, waar is het noodgeval?”
Nou noodgeval, schiet het door me heen, dat is wel een beetje overdreven. Maar wie had ik dan moeten bellen? Op de achtergrond hoor ik het rumoer van de meldkamer. Ik denk aan alle noodgevallen die nu moeten wachten omdat ik een bibberend meisje wil helpen.

Ik noem de straathoek. “Een scooter is tegen een auto opgebotst en daarna doorgereden.” Ik geef het signalement, voor zover ik dat heb onthouden. Blauwe helm, zwarte scooter.
“Blauwe helm, zwarte scooter?” vraagt de meldkamer. Ik twijfel ineens en zie in gedachten alle politieagenten speuren naar een zwarte scooter met blauwe helm terwijl het misschien wel een blauwe scooter met zwarte helm was. “Ja, maar dat doet er niet toe. Die auto is beschadigd en de bestuurster is nogal geschrokken en heeft geen idee wat ze moet doen. Dus misschien kunt u iemand sturen?”
“We sturen een wagen er naar toe.”

Opgelucht hang ik op, al heb ik geen idee wat de politie gaat doen. Ineens valt het kwartje. “Die scooter is doorgereden. Dat mag sowieso niet na een ongeluk. En waarschijnlijk was die scooter niet van hem, anders rij je niet weg.” Dat geeft het verhaal een andere wending. De scooterrijder is een roekeloos type, een verdachte. Zij is nu echt een gazelle, ook al had ze geen richting aangegeven, keek ze niet uit en reed ze in een verboden richting door de straat. Ze heeft eigenlijk niets verkeerd gedaan. Een gazelle die fouten maakt, benadeelt alleen zichzelf.

Het meisje is nog in paniek. “Mijn vader…” 
Ik vraag of ze bang voor hem is. “Ja, hij gaat boos worden. Het is zijn auto.”
“Twee maanden oud,” zegt de vriendin.
“Waar is je vader?”
“In het café, denk ik.”
“Zal ik hem bellen?”
Ze knikt en geeft me haar telefoon. Ik hoor cafégeroezemoes en een mannenstem.
“Ik bel namens uw dochter. Ze heeft een aanrijding gehad.”
“Wel godver.”
“U hoeft zich geen zorgen te maken over haar. Er zijn geen gewonden. Er is een scooter tegen uw auto opgereden en daarna weggereden. Er zit wel een flinke deuk in.”
“Wel godver.”
“Uw dochter is erg geschrokken en durfde u niet te bellen, daarom doe ik dat.”
Wat moet ik verder zeggen? Geen idee. Hij is niet gaan schelden.
“Wilt u uw dochter spreken?”
“Ja.”
Ik geef de telefoon. Ze luistert. “Ja maar papa…” Haar gezicht wordt nog bedrukter. “Ja maar papa…” schreeuwt ze nu. Dan houdt het op. Ze kijkt ons aan. “Hij heeft opgehangen.”

“Mijn vader zou niet boos worden,” zegt de vriendin. “Ik heb pas nog een aanrijding gehad met zijn auto. Die reed door maar ik heb de dader weten achterhalen via instagram. Zou je ook niet verwachten.” Ineens heeft iedereen ongelukken gehad. Ik denk aan mijn laatste ongeluk, jaren geleden, dat was ook al zo stom. De vriendin wijst naar de beschadigde wagen. “Die auto is van zijn werk.”
“O maar dan is ie all risk verzekerd. Of wacht, misschien niet als zij er in rijdt?” De vriendin haalt haar schouders op.

De tijd verstrijkt. Het meisje heeft de auto in een parkeervak gezet. De beveiliger vertelt over wat hij meemaakt. Het is onrustig in de stad, antwoordt hij als ik hem vraag of het rustig is. “Ondanks de ramadan. Dus ik hou m’n hart vast voor het Suikerfeest.” Ik wil iets relativerends zeggen maar vraag me af waarom eigenlijk en zwijg. Ik kijk naar de zwarte bol die boven de hoek van de straat hangt als een boos oog. Ziet iemand ons?

Het meisje wordt gebeld. Haar vader. Na twee minuten eindigt het gesprek in geschreeuw. Ze panikeert weer.
“Het is een ongeluk,” zeg ik tegen het meisje. “Jij kunt er niets aan doen. Het is alsof er een boom op je auto is gevallen.” Ze kijkt me aan alsof ze het graag wil geloven maar weet dat dat nog het probleem niet oplost.

Een politiewagen draait langzaam de straat in. Een agent stapt uit. Een krachtige gestalte en een zacht gezicht met een grijs baardje en fonkelende ogen. “Zo, wat is hier aan de hand?” Hij heeft de uitstraling van een coach, van iemand die je direct vertrouwt. Deze man gaat haar helpen, dat is meteen duidelijk. Ik geef snel een samenvatting. “Hier heeft u mijn nummer als u nog iets wilt weten. Wij moeten verder want er begint zo een theatervoorstelling.”
“Ah, moeten jullie naar het theater? Wat lief dan dat jullie bleven.” Het gezicht van het meisje klaart even op. We schudden handen.

De voorstelling gaat over liefde, dood en vertrouwen maar ik kan mijn gedachten er slecht bij houden. Dat arme meisje blijft maar door mijn hoofd rennen. Zo bang voor haar vader.

Ja, iedereen was lief. Dat is wel zo. De meisjes, de beveiliger, de omstanders, de agent. De scooterrijder niet. Maar zelfs dat is niet zeker want ik ken zijn verhaal niet. Misschien ging hij er om een heel andere reden vandoor en zou je hem alsnog lief vinden als je wist hoe het zat. Alleen die vader, als die nou eens wat liever was in plaats van zo boos. Dan was een deuk alleen maar een deuk. Een schadeformulier dat ingevuld moet worden. Dan was er eigenlijk niet zoveel aan de hand geweest, dan waren er geen cheetahs of gazelles. Dan dacht ik niet zo aan dat arme meisje.

Verwoesten is makkelijk

Een paar maanden geleden prees iemand op Twitter een oud boek aan dat tot de meest gekoesterde exemplaren uit zijn boekenkast hoorde. Lost Treasures of Europe, een fotoboek uit 1946 met 427 foto’s van gebouwen en kunstschatten die in de Tweede Wereldoorlog verwoest zijn. Ik aarzelde geen moment en bestelde via een antiquariaatsite een exemplaar dat een paar dagen later in de brievenbus lag. Toen was de impuls die tot de aankoop leidde alweer weggeëbd en ik legde het boek in de kast. Meer iets voor mei, de maand waarin we de verschrikkingen van de oorlog herdenken. Dus nu kwam het uit de kast.

Een gebonden werk met vergeelde pagina’s, een ex libris van de vorige eigenaar en oude foto’s, precies zoals je dat verwacht van een kunstschat.

Het boek is direct na de oorlog gemaakt, samengesteld door Henry Lafarge die meer kunstboeken op zijn naam heeft staan. In de inleiding vertelt hij hoe lastig de klus was. Hij moest vanuit de VS een overzicht zien te krijgen van de kolossale oorlogsschade in Europa en dan ook nog met foto’s. Dat bleek veelal onmogelijk. De directeur van het museum in Hamburg die hij aanschreef antwoordde hem graag te willen helpen maar daar helaas niet toe in staat te zijn. “Zelfs de kleinste dingen zijn onmogelijk. Als Duitser mag ik geen foto’s naar Amerika verzenden.” Als de directeur überhaupt nog foto’s had gehad want die waren zoals zoveel verloren gegaan bij de bombardementen. “Ik zie dat u geen idee heeft van de toestand hier.”

De toestand. We denken bij oorlog – terecht – aan menselijk leed maar er wordt ook immens veel vernietigd. Ik woon in een stad waarvan het hele centrum is weggevaagd. Ik realiseerde me de enormiteit daarvan pas toen mijn vader me eens vertelde dat hij een paar jaar na de oorlog op het Centraal Station arriveerde en vandaar de Maasbruggen en de rivier zag liggen. Daartussen stond vrijwel niets meer overeind. Het hele stadscentrum. Weg. En dat was een bijzonder centrum, weet ik dankzij het boek van Edmondo de Amicis uit 1874. (Dat kun je hier lezen).

In het boek staan wat foto’s van Rotterdam. De Laurenskerk natuurlijk, de Notre Dame van deze stad, om het zo maar te zeggen. Het enige gebouw in de stad dat stamt uit de Middeleeuwen. De bouw begon 570 jaar geleden, in 1449. Compleet verwoest.

Op 14 mei 1940 bombardeerde de Duitse Luftwaffe het centrum met brandbommen. Het was een zinloze geweldsdaad omdat Nederland een half uur daarvoor gevolg had gegeven aan het Duitse ultimatum en bereid was te capituleren. Of het bombardement per ongeluk toch doorging of dat het expres werd uitgevoerd om andere steden te intimideren tot overgave, is onderwerp van discussie. Er is nooit een proces over gevoerd omdat de geallieerden bevreesd waren dat het aanmerken als oorlogsmisdaad er toe kon leiden dat ook geallieerde wraakbombardementen op Duitse steden als Dresden zo gezien konden worden.

In 15 minuten werd de stad die dat jaar haar 600-jarig bestaan vierde vernietigd. In het boek staat het bekende beeld van de verwoeste Laurenskerk temidden van een kale vlakte waar eerst huizen, winkels en kantoren stonden. Een foto in het boek laat het Steiger zien, niet ver van de Laurenskerk. Toevallig maakte ik daar dit weekend ook een foto, bij het Hang. Behalve het water, de rivier de Rotte waar de stad haar naam aan dankt, is er niets meer hetzelfde.

Het was overigens niet het enige bombardement. Er volgden er nog vele, vaak van geallieerden die Duitse doelen moesten vernietigen, vaak ook per ongeluk. Gemiddeld vond er gedurendende vijf jaar die de oorlog duurde iedere vijf dagen een bombardement op de stad plaats. Er zijn daarbij meer slachtoffers gevallen dan bij het Duitse bombardement.

De Laurenskerk is herbouwd. Dat geldt voor veel Nederlandse gebouwen die in het boek staan, iets wat ik me nooit zo gerealiseerd heb. Bij het woord wederopbouw dacht ik als Rotterdammer nooit aan monumenten maar aan nieuwe gebouwen als de Bijenkorf. In Middelburg bijvoorbeeld, een stad waar het centrum ook is weggevaagd, is veel gerestaureerd of herbouwd.

Er schijnt een studie te bestaan naar de verschillen tussen steden die na de oorlog in oude glorie hersteld zijn, zoals Middelburg, en steden die helemaal opnieuw gebouwd zijn, zoals Rotterdam. In de herbouwde steden was de leefbaarheid sneller hersteld. Nieuwe steden hadden daarentegen nog decennia nodig om een nieuw leven te ontwikkelen. Rotterdam is daar een goed voorbeeld van. Pas de laatste jaren heeft de stad echt weer een hart. 15 minuten vernietiging, 70 jaar herstel. Zo zie je maar dat slopen makkelijker is dan opbouwen. Dat geldt niet alleen voor gebouwen en steden maar ook voor instituten, denk aan de Europese Unie.

Henry Lafarge kon het boek samenstellen met behulp van Europese vluchtelingen die naar de VS waren getrokken. Zij hadden foto’s en verhalen.

Oorlogsleed is geen wedstrijdje in erg maar ik werd bij het naspeuren van enkele Nederlandse foto’s wel zeer getroffen door het verhaal van het stadhuis in Heusden, een vestingstadje in Noord-Brabant. Daar stond het mooiste stadhuis van het land, gebouwd in 1461. In november 1944 vonden er rond de bezette stad zware gevechten plaats. De bewoners zochten zoals gebruikelijk dekking in de kelder van het stadhuis. Daarop besloten de Duitsers de toren op te blazen. Het gevolg was dat het hele gebouw instortte. 134 inwoners kwamen daarbij om, tien procent van de totale bevolking. Vier uur later namen Schotse en Poolse bevrijders de stad in. Het stadhuis is nooit herbouwd en daarmee een Lost treasure of Europe.

Europa, het continent dat veel moois voortbracht maar ook als geen ander in staat is zichzelf te vernietigen.

Niks weten


Ik liep met vriend G. door de stad. G. is iemand die alles weet en iedereen kent. Dit zeg ik zonder overdrijven. Toen we later op een terrasje plaatsnamen en ik me weer probeerde te bezatten met 0,0 bier – dat gaat me ooit lukken, ik kan immers ook high worden van poffertjes – werd ons gesprek voortdurend onderbroken door passanten die hem kwamen begroeten. Een boks, een handdruk, een klap op de schouder of, in het geval van vrouwen een, twee, drie wangkussen. 

Drie. Laatst liep ik ook over straat – ja, ik haal echt alles uit het leven – en passeerde ik vier mensen die kennelijk van elders waren en elkaar kussend begroetten of afscheid namen. “Drie keer, we zijn nu Nederlanders”, zei de een met een mooi buitenlands accent tegen de anderen. Ze lachten al hun tanden bloot. Drie zoenen, er zijn slechtere vormen van nationalisme denkbaar.

Maar goed, daar zat ik dus met G. en de serveerster die hem ook al met drie zoenen had begroet, kwam het flesje 0.0 brengen. Ik vind het een mooie benaming, al spreek je het uit als nul punt nul op z’n Engels in plaats van nul komma nul, maar gek genoeg wel weer in het Nederlands. Ik zou niet eens weten hoe je het op z’n Engels uitspreekt. Zero point zero? Nil dot nil? Het is ook zo mooi overbodig, die als punt vermomde komma met die nul er achter. Ik bedoel hoezo die tweede nul, het is immers gewoon nul? Maar dat durft de brouwer niet te zeggen want dan zie je het probleem: Heineken Zero. Je denkt gelijk dat het cola is. Of misschien heeft Coca Cola zonder dat we het weten wel patent genomen op de zero. Ik dwaal weer af.

Ik liep dus met G. door de stad, nog voordat we op een terrasje plaatsnamen waar de halve stad hem kwam begroeten. We passeerden een café dat zo verscholen lag dat het me nooit eerder was opgevallen. En ik was kennelijk niet de enige want de tent was compleet verlaten. “Kijk nou”, zei ik spottend in een poging de cameraderiesfeer te scheppen waar mannen aan hechten als ze samen optrekken, “ben je daar wel eens binnen geweest?” Terwijl ik bij mezelf dacht never nooit niet.

Ik had het natuurlijk kunnen weten. “Jazeker. Heel bijzonder. Dit is echt een prachttent. De eigenaar verkoopt koffie langs de marktkramen, dat is eigenlijk zijn business.” Voor de gevel stonden inderdaad van die grote glimmende koffieketels op straat, klaar om schoongemaakt te worden. Er kwam iemand naar buiten lopen die G. begroette alsof het een familielid was dat hij na 40 jaar weer zag. Een kort praatje en weer verder. Dat is het knappe aan G., hij kan gesprekken voeren die niet langer dan anderhalve minuut duren en toch voelen alsof het een echt gesprek is. Ik daarentegen weet of durf in dat soort gevallen niets te zeggen. Alles wat ik bedenk is stom en ik heb mezelf verboden om over het weer te beginnen omdat ik dat zelfs vaak nog verpest.
“Koud hè?”
“Nou nee, er is voor vanmiddag 23 graden voorspeld.”
En als ik wel wat durf te zeggen dan ben ik niet meer te stoppen en ratel ik overmoedig door tot mensen zich na een kwartier ongemakkelijk uit de voeten maken. 

Dus het was een bijzondere zaak, die tent waarvan ik dacht dat het de meest mislukte horecagelegenheid van Rotterdam is. “Weet je,” zei G. “dat dit de zaak is met de hoogste omzet Jägermeister van heel Nederland? Echt waar.” Natuurlijk wist ik dat niet, hoe zou ik dat moeten weten? Ik zag dat op alle tafeltjes op het terras het Jägermeister-logo prijkte, het hert met een Hubertus-kruis tussen zijn gewei. Ik moest denken aan het Hubertus-slot op de Hoge Veluwe waar ik ooit een rondleiding kreeg die ik iedereen kan aanraden. De gids vertelde smakelijke details over de ruzies tussen Hélène Kröller-Müller en de architecten, gevechten op leven en dood over de kleinste details. Normaal gesproken zou ik daar nu tegen G. over zijn gaan uitwijden, zoals mannen altijd maar een enkel haakje nodig hebben om hun encyclopedische kennis over je uit te storten, maar ik was nog te zeer verward door zijn opmerking en kon niet meer bedenken waar die ruzies ook alweer over gingen. “Jägermeister? Maar er is toch niemand die dat drinkt?” Hij keek me aan en knipoogde. “Iedere horecazaak heeft het in huis.”

Verdomd. Dat is waar. Het staat altijd overal. Maar ik heb nog nooit iemand een Jägermeister horen bestellen. Sterker nog, ik heb zelfs nog nooit iemand het zien drinken. Op soms een alcoholist op straat na. Onmiddellijk werd ik overvallen door een tsunami aan onzekerheid. Misschien was ik wel de enige die onbekend is met de geneugten van Jägermeister. Misschien was het sinds kort wel de hipste drank aller tijden. Misschien zei daarom nooit iemand iets tegen me op feestjes en avonden uit: omdat ik een Jägermeister nono ben.

Ik weet niet eens of ik eigenlijk wel Jägermeister kan drinken, als bewust vegetariër. Zal je net zien, koop je een fles, blijken het de grote sponsors van de jachtindustrie. Hoe kom ik daarachter? Wacht, moet ik dat wel weten? Wanneer wil ik dan Jägermeister gaan drinken? Lijkt me iets dat kan wachten tot het bejaardenhuis.

Een wijs man zei ooit dat hoe meer je weet hoe meer je je bewust wordt van het feit dat je weinig weet. Dat werd weer even bewezen. Nee, natuurlijk weet ik niet meer wie dat gezegd heeft. Ik zou het kunnen Googlen. Ja, en dan? Ga ik het dan onthouden? Kleine kans. Waarom zou ik het onthouden? Google weet het toch? Net als dat ik geen telefoonnummers meer weet. Verdomd. Had ik niet altijd beweerd dat de kennissamenleving zou bestaan uit mensen die niks weten? Nooit gedacht dat ik daar zelf bij zou gaan horen. Ik vroeg me ineens af hoe het straks moet als niemand überhaupt nog iets weet. Gaan we dan massaal op verjaardagen wanhopig zitten Googlen om gespreksonderwerpen te vinden? Ik wilde er iets over tegen G. zeggen maar die liep net weer een bekende tegen het lijf.

Dat van die Jägermeister moest ik in ieder geval onthouden. Voor als er een stilte valt op de volgende verjaardag. “Ik weet een café in Rotterdam…” Verdorie, hoe heette het ook alweer?

De fiets

cc-foto: Matt Buck

In horrorfilms zie je wel eens apparaat of voorwerp dat behekst is. De hoofdpersoon verkeert in een overduidelijke staat van nietsvermoedendheid, lezend, tuinierend of tv-kijkend, de camera draait weg en een voorwerp komt in beeld, een kettingzaag, strijkijzer, tv-toestel of vleesmes, betekenisvol uitgelicht, de muziek zwelt clichématig aan zodat dertien beroemde componisten zich tegelijk omdraaien in hun graf en je weet hoe laat het is: dit ding gaat voor veel ellende zorgen.

Net als iedereen die naar horrorfilms kijkt, geloof ik niet in dergelijke onzin als een behekste kettingzaag maar is het lekker om je er bang door te laten maken. Zoals het vermakelijk is om naar vechtfilms te kijken ook al zou je nooit in een vechtpartij verzeild willen raken. Amusante nonsens, bedacht door creatieve filmmakers. Dat wil zeggen, zo dacht ik er tot voor kort over. Sinds enige tijd begin ik te vermoeden dat ik zelf zo’n ding bezit dat is weggelopen uit een horrorfilm. Of erger.

Het begon toen ik op een mooie zomerdag door de stad liep, de zon scheen, om me heen hing een wolk van zorgeloosheid en het leven lachte me toe. Letterlijk. Uit het niets klonk een heldere vrouwenstem.
Hé Francisco!
Ik keek opzij en daar stond ze te stralen: P. Het gekke was dat ik meteen wist wie ze was terwijl ik haar slechts vaag kende, van heel lang geleden ook nog. Het leek alsof ze niet ouder was geworden, knap, lange gouden lokken, een slank voorkomen waarmee je op Instagram in no time tienduizenden volgers haalt. Ik stak m’n hand uit maar ze omhelsde me nadrukkelijk, tot mijn verbazing.

Hoe is het met jou? Met langgerekte nadruk op dat laatste woord om de standaarduitdrukking minder sleets te maken.
Ja, goed. Met jou? antwoordde ik, schuchter van zoveel genegenheid.

Even later zaten we op een terras, haalden weggezakte herinneringen op en er ontstond een vertrouwdheid die je normaal alleen hebt met boezemvrienden. Ze bleek me al lange tijd te volgen in de media, wat me vleide. Ze was een vrouw van de wereld geworden en vertelde over haar succesvolle carrière, mislukte liefdes, grootse avonturen tot het op haar fascinatie voor het spirituele kwam. Dat ging wat verder dan het gebruikelijke doornemen van de horoscoop in het ochtendblad.

Ik zette m’n scepsisknop om en luisterde. Ervaringen met uit het lichaam treden, waarzeggers, handlezers, het oproepen van geesten, voorspellende dromen. Ik ben er als katholieke, met verhalen over engelen en duivels opgevoede jongen niet zo’n fan van maar ja, als je in vrijheid van godsdienst gelooft dan moet je de mensen ook wat gunnen. Ik luisterde, oordeelde niet, sloot niet uit dat er meer is tussen hemel en aarde, etcetera. 

De grens van m’n logicadimmer werd bereikt toen ze vertelde dat ze op een ochtend wakker was geworden na een nachtelijke ontmoeting met boze geesten in wat ik maar het onderbewustzijn noem, in de spiegel keek en zag dat haar haar was afgeknipt. Ze liet me een foto zien. Verdomd, het haar was er af alsof het opgevreten was.  Maar die blik van haar in de spiegel. Gestoord, dacht ik meteen in stilte en schrok daar nog meer van. Wat moest ik zeggen? Ik wilde het nu niet afdoen als onzin, daarvoor had ik al te lang kritiekloos geluisterd maar ik had ook geen zin meer dit aan te horen. Mijn horloge redde me. Goh, al zo laat, ik moet weg. Ze keek me ongelovig aan, stond er op af te rekenen en liep nog een eindje met me tot aan mijn verderop geparkeerde fiets. 

Wat heb jij nou voor fiets, vroeg ze op een verontwaardigde toon alsof er wel iets heel merkwaardigs aan de hand was. Ik keek naar het rijwiel waar ik anders alleen maar ondoordacht opstap maar zag niets bijzonders. Gewoon, van de Fietsenreus zei ik. Iets Oosteuropees geloof ik. 
Zóóó burgerlijk, niks voor jou. Ik had bij jou echt zo’n hip ding verwacht, iets bijzonders. Ze keek me aan met een blik alsof ik een ernstige ziekte had en nog slechts een paar maanden te leven. Ik voelde mijn in de afgelopen uren blinkend opgepoetste imago in elkaar donderen.
Nee joh, gewoon een fiets. Meer heb ik niet nodig, probeerde ik monter. Het is het nieuwe hip, wilde ik bluffen maar dat leek me bij nader inzien kansloos bij deze stijlkoningin. Had ik eindelijk eens een fan, verpestte ik het binnen de kortste keren. Een vluchtige kus op haar wang, die voelde als ijs. En weg was ze.

Die avond struinde ik hippe fietsensites af. Low riders, roze wielen, gerestylede bakkersfietsen, wereldrecordracers, ik onderzocht alle opties. Mijn god, wat een prijzen. En wat moest ik met zo’n fiets? Die wordt in no time gestolen. De gedachte liet me echter niet los. Of nee, het was geen gedachte, meer een obsessie. Ik moest een nieuwe fiets. Dat was wat er ontbrak in mijn leven. Zolang ik niet een geschikte fiets had voelde ik mezelf incompleet, naakt bijna. In mijn verbeelding zag ik me door de stad flitsen terwijl voorbijgangers afgunstig hun hoofd meedraaiden alsof ze een Lamborghini voorbij zagen komen.

Twee weken later slenterde ik met goede vriend en fietsexpert G, die ik deelgenoot had gemaakt van mijn kersverse existentiële verlangen, door de stad en we passeerden een fietsenzaak. Een aanbieding, een hybride stadsmountainbike voor de heft van de adviesprijs. Mat zwart frame, stoer stuur, gestroomlijnd zadel, 34 versnellingen, alleen de spatborden een beetje te plastic. Dat zie je niet als ik hard voorbij fiets, dacht ik. Het voelde ook alsof dit ‘m moest zijn. Wat denk je? G trok z’n neus op. Weggegooid geld. Ik hoef de Tour de France er niet op te rijden, wierp ik tegen. G liep alweer naar buiten.

De volgende dag ging ik terug naar de winkel. Of ik een rondje mocht rijden. Het was niet gewoon fietsen, het voelde meer als een rodeo. Alsof ik het rijwiel in toom moest houden. Ik werd er nerveus van. Het is het laatste exemplaar, zei de verkoper. Ook dat nog. Ik kon er maar beter een speciaal slot voor nemen. Compleet met tasje voor aan het frame. Onrustig rekende ik af en reed op huis aan. Hij was nu van mij maar het leek alsof de fiets zelf er anders over dacht. Niets voelde natuurlijk. Kwestie van wennen, prentte ik mezelf in. Thuis gekomen wilde ik P een  ‘kijk mij eens’-plaatje appen maar haar nummer bleek verdwenen uit m’n contacten.

Een week later besloot ik een eerste grote tocht door de stad te maken, suisde bruggen af, ging liggend door bochten, met als sluitstuk de tunnel onder de rivier, een lange verlaten gang waar je heel veel snelheid kunt maken. Ik zou de fiets bedwingen en er heer en meester over worden. De snelheidsmeter kroop voorbij de 40 kilometer. Nu weer naar boven klimmen. Ik schakelde. Krak. Krak. De ketting liep er af en verbrijzelde de plastic tandwielbeschermer. Ik dacht aan G. Hij had gelijk gehad. Rotzooi. Ik vloekte.

Ik borg de fiets op in de garage en keek er een tijd niet meer naar om. Of nee, laat ik eerlijk zijn. Ik zag ‘m steeds staan. En iedere keer schaamde ik me. Waarom had ik dat ding in een vlaag van verstandsverbijstering gekocht? Het was niks voor mij. Ik ben geen wielrenman, dat is meer voor van die groepen weekendkameraden die samen slierten. Het bezit gaf ook helemaal niet het gevoel dat ik er van verwachtte. Een nieuw kledingstuk kan je het gevoel geven dat je beter bent dat gisteren, een nieuwe auto dat je vooruitkomt in het leven, een nieuwe foon dat je bij de tijd bent. De fiets gaf me niets van dat alles. Integendeel, het rijwiel gaf me een besef van overbodigheid. Ik had hem gekocht maar van bezit leek geen sprake.

Als ik er een nieuwe beschermer opzette kon ik ‘m misschien verkopen. Ik verzamelde moed en reed naar een fietsenmaker in de buurt, een vriendelijke Surinaamse jongeman waar ik wel vaker heenga. Hij kwam naar buiten en leek direct terug te deinzen bij de aanblik van de fiets. Daar heb ik geen onderdelen van, je moet naar de originele winkel. Voordat ik verder kon vragen was hij alweer naar binnen verdwenen. Vreemd, zo deed hij anders nooit.

Ik stapte op en reed richting de winkel van aanschaf. Ik voelde me licht in m’n hoofd alsof ik in de zon een glas rosé te veel had gedronken. Maar ik had helemaal niets op. Bij een druk kruispunt aangekomen, kneep ik in de rem. Meteen blokkeerde het voorwiel. Ik sloeg over de kop, de fiets buitelde achter me aan en over me heen. Van alle kanten spoedden mensen zich op me af. Alles goed, niks gebroken of bezeerd? Ik krabbelde overeind, nee wat schaafwonden en een kapotte kleding. Het gaat, dank u wel, erg aardig. Ik red me wel.

Opheffingsuitverkoop stond er op de etalage. Ik wilde de fiets op slot zetten maar ontdekte dat het hoesje aan het frame leeg was. Hoe kon dat nou weer? Ik zette het rijwiel half in de deuropening zodat ik ‘m in de gaten kon houden en liep naar binnen. De winkel leek geplunderd. Her en der lege schappen en nog slechts wat afgeprijsde modellen. Achter de kassa kauwde een overduidelijk ongeinteresseerd gothic-meisje op kauwgom. Ik zoek een tandwielbeschermer voor mijn fiets bracht ik voorzichtig uit, nog wat groggy van de val. We hebben die onderdelen niet meer, klonk het. Het was alles wat ze zou zeggen. Had ik haar van het ongeluk moeten vertellen? Medelijden moeten opwekken? Ze wekte de indruk dat het haar nog niet had kunnen schelen als ik uit Hiroshima was komen fietsen.

Ik reed naar huis en borg de fiets opnieuw op. Wat moest ik er nu mee? Geen beschermer, geen slot en geen zin er nog geld aan uit te geven. De garage stond vol met spullen maar iedere keer als ik de deur opende zag ik als eerste de fiets, ook al bevond die zich ergens achterin, gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. Een monument voor m’n onbezonnenheid. 

De lente brak weer aan, de zon scheen en ik besloot het er nog eens op te wagen. De banden opgepompt, het stof er af gewreven. Toch vreemd, een mooie fiets waar ik maar niet van kon houden. Het fietsen ging warempel makkelijker dan ik dacht, de voorrem blokkeerde niet meer bij de minste aanraking, het schakelen verliep vlekkeloos. Misschien moest ik ‘m toch maar houden. Ik kon met mijn kantoorbaan de beweging goed gebruiken, zeker nu ik de sportschool had opgezegd. Dit was beter dan als een zombie op een hometrainer zitten. Ik meende dat ik zelfs nagekeken werd. De mooie nieuwe sweatpants die ik droeg paste ook al zo goed bij de fiets. Dit was waar ik naar gezocht had. Ik voelde me een Parijzenaar in een eigentijdse foto van Doisneau, op weg naar volmaakt geluk.

Krrrstt. Het geluid van scheurend katoen. De tanden van het voorwiel hadden een gat in de broek gebeten. Ik vloekte, reed naar huis en kwakte de fiets in de garage.

Ik moet ‘m naar achteren verplaatsen, dacht ik de volgende dagen als ik me langs de fiets wurmde om in de auto te stappen en die voorzichtig de garage uit te manoeuvreren. De auto paste maar net. Op de een of andere manier kon ik me er niet toe zetten de fiets op te ruimen. Ik wilde ‘m niet meer aanraken ook al stond hij daar onhandig, dat zwarte monster. Ik moest ‘m verkopen, wegdoen, niet weer opbergen. Een week later lette ik even niet op en reed bij het verlaten van de garage de zijspiegel van mijn auto er af. Weer schade. Ik pakte de fiets op en smeet hem naar achteren. Teringding, jouw schuld.

Daar ligt hij nu, het voorwiel protesterend in de lucht. Soms, als ik de deur open lijkt dat heel zachtjes te draaien. Als een uitgeraasd rad van fortuin tracht hij me uit te dagen nog een gokje te wagen.

Het probleem van Rotterdam

rdamstadVanavond vindt in Lantaren/Venster een debat plaats tussen onder andere Marcel Moring, Adriaan Geuze en Marco Pastors over de stad Rotterdam. Basis voor het debat is het essay dat Moring schreef in NRC van afgelopen zaterdag. Dat artikel is helaas niet online beschikbaar maar de discussie er over vind je hier. Zelf kan ik er helaas niet bij zijn, het is trouwens ook volledig uitverkocht, dus geef ik hier maar beknopt mijn mening.

Moring stelt dat Rotterdam zijn elite verwaarloost en kiest voor het platte vermaak. Daardoor wordt de stad steeds minder aantrekkelijk voor hoger opgeleiden en glijdt de stad verder af. Het elan uit de gloriejaren, van halverwege de 80 tot begin jaren 90 van de vorige eeuw, is verdampt.

Ik herken de klaagzang van Moring grotendeels maar ben het niet met zijn analyse eens dat de elite is weggejaagd. Het probleem van Rotterdam schuilt voor een niet onbelangrijk deel in diezelfde elite. Moring roemt terecht de grachtengordel in Amsterdam maar vergeet dat de mensen daar een veel grotere betrokkenheid met de stad aan de dag leggen dan dat de elite in Rotterdam doet.

In Rotterdam heeft de elite zich teruggetrokken in Hillegersberg en Kralingen en laat de rest van de stad aan z’n lot over. Dat is althans mijn mening. Het is een Rotterdamse mening, dat wil zeggen: het is een klacht. Zoals praktisch iedere Rotterdamse visie bestaat uit klagen, inclusief het essay van Moring. Dat is een klacht, een verwijt aan jan en alleman, en daar blijft het bij. Rotterdammers klagen graag over wat de stad allemaal niet is. Geen cultuur, geen voetbal, geen gezelligheid, geen elite.

Rotterdam moet zichzelf inderdaad aan de haren uit het moeras omhoog trekken. Om dat voor elkaar te krijgen moet de stad in plaats van te lamenteren eens helder voor zichzelf definieren wat het dan wel wil zijn. Decennialang was het de grootste haven ter wereld maar daar red je het niet meer mee. Bovendien zie je in de stad geen schepen meer.

Ik kan zelf maar een uniek ding aan de stad bedenken: Rotterdam is de meest multiculturele stad van Nederland. Met alles wat daarbij hoort, goed en slecht. Dat moet de stad dan ook willen zijn. Rotterdam zegt dat ze durft maar het lef ontbreekt om die waarheid tot visie te kiezen.

Moring beklaagt zich over zaken als het Zomercarnaval die in zijn visie allemaal te plat zijn. Het probleem met het Zomercarnaval is niet dat het plat is maar dat alle cultuur er uit is gesloopt. Het Notting Hill Carnival in Londen, de grootste concurrent in Europa, afficheert zich duidelijk als een Caribisch evenement waar iedereen welkom is en die het stadsdeel neerzet als multiculturele wijk. In Rotterdam is de Caribische achtergrond geen aanprijzing meer. Het is iets geworden ‘voor alle mensen’.

Het is slechts een voorbeeld maar wie er op gaat letten ziet dat culturele verschillen in Rotterdam steeds meer weggestopt worden, want die worden beschouwd als slecht of impopulair. Het is als een haven die doet alsof er geen schepen komen. Het maakt van Rotterdam een stad die zich verstopt voor zichzelf.