In Nederland en Zijn Bewoners, van de Italiaan Edmondo De Amicis uit 1874, reist de hoofdpersoon per trekschuit door het land. Op dagen als deze, dat de regen maar eigenwijs uit de hemel blijft vallen alsof de natuur geen efficiency kent, denk ik daar wel eens aan. Ik kan me er lastig een echt beeld van vormen. Ik ben wel eens met een binnenvaartschip naar Parijs gevaren, door sluizen en tunnels, maar dat ging niet alleen gepaard met geduld het bood ook een gevoel van vrijheid. Terwijl zo’n trekschuit voor mij juist iets is als een galeischip waarbij de slaven zijn vervangen door een paard. Een paard dat loopt en trekt, wetende dat er uiteindelijk geen bestemming is dan heen en weer. Ik stel me de passagiers wel eens voor, in de donkere kajuiten, met olielampen, natte kleding en al die andere geuren die niet in je opkomen als je aan een woord als aroma denkt. Zwijgen en geduld oefenen.
De NS deed maandag een poging me dat authentieke 19e eeuwse gevoel te laten herbeleven. De lichte wanhoop van het besef geen eigen keuzes te hebben, alsof je wordt voortgetrokken door een vermoeid paard. ‘s Ochtends eerst een sardinesoefening in de hoge snelheidslijn naar Amsterdam, de enige hoge snelheidslijn ter wereld waar korte, aftandse treinen op voortkruipen alsof ze op stoom rijden. In de middag een studie van rode achterlichten die op het perron voor je neus vertrekken, richting de natte horizon waarachter het Mediapark ligt, alsof je de laatste Mars-missie met planetaire emigranten net gemist hebt. Je blijft achter op de planeet die we verwoest hebben en straks onleefbaar wordt voor een ieder die geen insect is. Eigen schuld natuurlijk.
Maar het beste werd bewaard tot het einde van de middag toen ik naar Den Haag moest. M’n mattie bood me een lift aan vanuit Hilversum – ‘nee geen probleem, ik rij wel om’ – maar Den Haag bleek onbereikbaar wegens een megafile op de A12, de snelweg die de geheime opvolger is van de Hollandse Waterlinie. Mochten de Russen ooit binnenvallen, of de Duitsers waarvan een deel tegenwoordig immers terugverlangt naar een geschiedenis die ieder zinnig mens wil vergeten, dan zullen de invasietroepen onherroepelijk stranden op de A12. Geen doorkomen aan. Den Haag bleek even onbereikbaar als de Paaseilanden, dus dan maar naar het zuiden en via een omweg naar Rotterdam en vandaar met de trein naar Den Haag. Geen probleem. Niet balen. Gewoon doen alsof je in een roadmovie zit waarvan de plot op de hectometerpaaltjes scene voor scene staat vermeld. Edmondo De Amicis zou het prachtig gevonden hebben.
De ‘Ben wat later’-apps naar m’n afspraak in De Haag werden gevolgd door ‘het duurt nog even’ en ‘nog wat langer’. “Als ik 20:30 niet ga halen moeten we maar een andere keer afspreken.” Ik zou het halen verzekerde de reisplanner-app me in Rotterdam terwijl op het perron de informatieborden tekeer gingen als een lichtshow tijdens een concert van Muse. Deze trein gaat naar Amsterdam, nee naar Den Haag CS, nee toch Amsterdam. Of nee, deze gaat toch echt naar Den Haag CS.
Ik stapte in en ging lezen om m’n murw geslagen gedachten weer op gang te krijgen. De trein stopte op een donkere plek, ik opende Maps om te zien waar we waren. Wat gek. Den Haag CS lag achter ons. Ik griste m’n spullen bij elkaar en rende de trap af. De deuren bleven dicht, de trein zette zich in beweging. Welk station was dit? Laan NO Indië zei een man met een gezicht alsof hij vermoedde dat me iets ergs overkwam.
De conducteur passeerde.
Nee, deze trein gaat niet naar CS maar naar Amsterdam, het volgende station is Leiden.
Maar op de borden stond Den Haag CS!
Daarom heb ik het net op HS duidelijk omgeroepen meneer.
Het verband ontging me.
Ik stelde me voor dat sadistische terroristen zich meester hadden gemaakt van de controlekamer en op alle perrons foutieve bestemmingen weergaven. Een soort tegenovergestelde file, terwijl de auto’s vaststaan worden de treinpassagiers in alle verkeerde richtingen vervoerd. Het hele land in de war. Volksverhuizing, het Rode Kruis dat op zoek gaat naar vermisten, mensen die pas na weken achterhalen waar hun geliefden zijn gebleven. Dat soort dingen. Maar ik was natuurlijk weer de enige.
Ik liep terug naar de coupé. De man tegenover me, die ik net in grote haast had gegroet toen ik de trein verliet, keek me aan als een anesthesist die een mondkapje plaatst. Blijft u maar rustig er is niks aan de hand.
Ik rook lampolie, natte kleding… en voelde dat ik mijn lot niet in eigen hand had.