Deze week maakte ik een monstertocht per trein van Napels naar Budapest, een afstand van zo’n 1700 kilometer, met vier keer overstappen. Dat wil zeggen, met vier keer de kans een aansluiting te missen. Ik had vooraf getracht een back-up schema te maken voor als het verkeerd liep maar dat bleek geen zin te hebben, bij de alternatieve aansluitingen zou de reis steevast twee dagen duren in plaats van 18 à 19 uur. Dus dit moest gaan lukken. Wat Tom Cruise kan, kan ik ook.
Natuurlijk had ik er geen rekening mee gehouden dat het al meteen bij vertrek mis zou gaan en wel in de hal van het appartementencomplex waar ik de voorbije dagen had gelogeerd. De buitendeur wilde plots niet open gaan. Hoe ik ook op het knopje van de elektrische deurbediening drukte, de inmiddels vertrouwde klik en zoem bleef uit. De deur zat potdicht. Het complex veranderde in een flits in een gevangenis en de dageraad in het begin van een slechte film. Wat moest ik beginnen? Het was 5 uur in de ochtend. Lukraak ergens aanbellen was waarschijnlijk gevaarlijker dan de trein missen. Dit was tenslotte wel Napels.
Laat me voordat ik verder ga, om de spanning er in te houden, even vertellen wat ik van Napels vond, de stad waarvan dankzij Goethe door iedereen gezegd wordt dat je die moet zien voordat je sterft: Vedi Napoli et poi muori. Ik wil geen spoilers gebruiken maar dat sterven zal uiteindelijk wel ook zonder Napels lukken, kan ik je verzekeren.
Misschien dat mijn verwachtingen door het gezegde wat te hoog gespannen waren, misschien dat het kwam doordat iedereen me verzekerde dat het zo’n geweldige stad is, misschien ben ik gewoon niet op de juiste plekken geweest of mis ik savoir vivre om Napels op juiste wijze te smaken maar ik vond er eerlijk gezegd niet veel aan. Een soort kruising van Rome en Spijkenisse. En dan druk ik me nog voorzichtig uit.
Niet dat ik nare ervaringen had maar ik kon gewoon vrijwel nergens levensvreugde of sprankeling bespeuren. Ik wil niet klagen over overtourism want daar ben ik zelf ook schuldig aan maar Napels lijkt geen energie te hebben die de stad vooruit stuwt. Zelfs de Palestijnse vlaggen, toch symbolen van woede, verzet en hoop, kwamen lusteloos op me over. De alom aanwezige graffiti voelde meer dwangmatig dan, zoals bijvoorbeeld in Athene of Parijs, een uiting van zinderend verzet en exploderende creativiteit. Die teleurstelling past tegelijkertijd ook wel bij de stad waar niets volgens plan lijkt te functioneren en niemand dat iets kan schelen. Bloedeloos anarchisme, meer kan ik er niet van maken. En ja dat is een contradictio in termini.
De gelatenheid fascineerde me en ik bedacht dat het misschien komt door het voetbal. Napels is gek van voetbal. Overal kom je ook Maradonna-verering tegen, op een manier en schaal die amper voorstelbaar is. Dat is natuurlijk charmant en commercieel vast interessant maar voetbalcultuur brengt nu eenmaal niks nieuws voort. Het is emotie-entertainment dat tot fanatisme kan leiden maar er gaat geen stuwende sociale kracht van uit die verder reikt dan het voetbal zelf. Het is veel meer macrameeën dan theater, om maar weer eens een ongepaste vergelijking te maken. Maar misschien zoek ik te diep, het kan natuurlijk ook zijn dat de stad gewoon verwoest is door de maffia.
Het vrolijkst werd ik opvallend genoeg van de meest toeristische plek die je kunt bedenken: L’antica Pizzeria da Michele, het restaurant dat wereldberoemd is geworden door Eat, Pray, Love, de bestseller van Elizabeth Gilbert. Ondanks de permanente rij voor de deur eet je daar een van de onvoorstelbaar lekkerste en goedkoopste (6,50) pizza’s die ik ooit heb mogen proeven en straalt de bediening een levenslust uit die ik nergens anders meemaakte. Voor deze typisch Napolitaanse pizza vind ik inderdaad wel gelden: eerst eten dan pas sterven. Zo moet deze stad dus ooit geweest zijn, dacht ik al smikkelend op de laatste avond.
De deur naar buiten zat dus dicht en ging niet open. Over drie kwartier zou de trein van het station Napoli Centrale vertrekken. Kalmte kan je redden, zei mijn vader altijd dus in plaats van totaal te panikeren, probeerde ik helder te denken. Er bleek wat ruimte te zitten op de plek waar het slot in de deur viel. Met mijn nagel slaagde ik er in de koperen schoot een beetje terug te duwen. Maar net niet ver genoeg. Nog een keer proberen. En nog eens. Klik. Open. Eat your heart out, Tom Cruise.
In de stationshal was het stil, wat niet gek is om half zes in de ochtend. Wat wel gek leek, was dat op de informatieborden nog geen perronnummer stond achter mijn trein die toch over 10 minuten moest vertrekken. De groep mensen die verwachtingsvol naar de borden staarden werd steeds groter. Wat was er aan de hand? “25 minuten vertraging”, verklaarde een lotgenoot. Ik kreeg bijna een hartverzakking.
De trein moest me naar Florence brengen, naar het station Campo di Marte om precies te zijn. Mijn aansluiting zou vervolgens 45 minuten later vertrekken. Dat lijkt ruim maar die aansluitende trein vertrok wel van een heel ander station, SM Novella, aan de andere kant van de stad. Iedere vorm van vervoer die ik had gecheckt deed er minstens 20 minuten over om me daar te brengen… dus de overstap halen leek met deze vertraging onmogelijk. Nu al.
De rust keerde terug toen de conducteur verzekerde dat er geen probleem was. “Die 25 minuten lopen we wel weer in.” De stoelen in de coupé waren perfect, er was airconditioning, elektriciteit, wifi en tegenover me lag een man in pak te slapen. Om zijn nek hing zo’n koord dat je krijgt uitgereikt bij conferenties, met de naam van een bank er op. Ah, een slaapbankier. Zou hij tot diep in de nacht aan de excelsheets hebben lopen snuiven of had de afterparty tot het ochtendgloren geduurd? Ik haalde koffie in de barwagon en klapte mijn laptop open want ik moest vandaag ook werken, digital nomad voor een dag.
De conducteur had gelijk. Misschien kwam het ook doordat ik via Insta en Facebook volgers gevraagd had te duimen. Ik ben niet bijgelovig maar ik sluit bovennatuurlijke krachten ook nooit helemaal uit, anders zou ik de postcodeloterij wel durven opzeggen. En het is nu eenmaal zo dat als ik zeg ‘wat is het lekker rustig in deze trein’ en vervolgens vergeet af te kloppen, er prompt een schoolklas van uitgelaten pubers instapt. Heb ik weer eens proefondervindelijk vastgesteld.
Buiten het station van Florence heerste chaos, de Italiaanse term voor dagelijks leven. Een man van de spoorwegen wilde weten of ik regionaal of landelijk reisde. Internationaal antwoordde ik. O, dan kunt u die bus nemen, die brengt u naar het station. Ik volgde zijn wijzende vinger en zag een kluwen mensen zich verdringen om de koffers in te laden en aan boord te komen.
“Wanneer vertrekt die?” “Over vijf minuten.” Ik bedankte hem vriendelijk en liep naar een taxi. De chauffeur grijnsde. Met gezwinde spoed doorkruiste hij vakkundig de stad. Die stressvoorkoming scheelde weer een paar dagen op mijn te verwachten levensduur. Ik arriveerde ruim op tijd voor de volgende aansluiting die, je raadt het nooit, vertraging bleek te hebben. Weer wendde ik me smekend tot de volgers op Facebook en Instagram. Wilden ze misschien nog een keer duimen? Ze stemden in, de lieverds.
Het ritueel bleef zich de rest van de dag herhalen. Vertraging, duimen, tijd inlopen, op tijd aankomen, vertraging, etcetera. Van Firenze naar Bolzano in het noorden van Italië, vandaar naar Wörgl in Oostenrijk, overstappen op de trein naar Wenen en dan de laatste etappe naar Budapest. Alleen de laatste rit werd niet ingelopen. De trein arriveerde ruim een uur te laat, wat vooral ongemakkelijk was voor de host die om half twee ‘s nachts met de sleutel voor de deur van het appartement wachtte.
Ik raakte overigens diep onder de indruk van de Oostenrijkse treinen. Die hebben geen stiltecoupés maar wel familiewagons waar de stoelen tegenover elkaar staan. Ertussen een tafel met daarop een soort treinganzenbordspel afgebeeld dat eindeloos gespeeld kan worden. Je mobiel kun je in de andere – stille – coupés draadloos opladen in de rugleuning van de stoel voor je. In de bagagerekken aan het begin en einde van de wagon hangen kabels met cijfersloten waarmee je je bagage kunt zekeren. Er zijn zelfs fietsenrekken in de trein. Om maar een paar voorbeelden te noemen. Ik werd gewoon jaloers over hoe doordacht alles is, een kenmerk dat de nieuwste treinen van de NS helaas ontbeert.
Het was best een pittige reis, de volgende dag voelde het alsof ik een jetlag had, maar tegelijkertijd goed te doen, als je je kalmte weet te bewaren. Ik reis met interrail, dat wil zeggen dat je geen kaartjes hoeft te kopen maar voor de hsl-lijnen waar ik gebruik van maakte is reserveren wel vereist. Dat kun je beter weken tevoren doen want het aantal plaatsen voor interrailers is beperkt. Voor Oostenrijk ging het reserveren soepel, mede dankzij de geweldige app van ÖBB maar voor andere landen kan het een spannende klus zijn. Zoals ook het gebruik van de interrail app een soort buitenaardse logica vereist. Maar dat hoort allemaal bij het avontuur. Reizen per trein is immers écht reizen, terwijl het bij vliegen meer is alsof je in een lift stapt.
Als je ook wilt interrailen kan ik je aanraden de pas vroeg aan te schaffen. In het najaar start de verkoop en tot en met 16 december geldt een forse korting voor het volgende jaar. De tussenliggende maanden heb je ook wel nodig om goed uit te vogelen hoe je er zoveel mogelijk uit kunt halen. En zoals altijd bij de trein: als het goed gaat is het de meest fantastische manier van reizen. Het gaat bijna altijd goed. Zo niet, dan heb je vaak wel een geweldig verhaal.
Om minder afhankelijk te zijn van social media maak ik iedere zondag een nieuwsbrief met tips, ervaringen en ideeën. Abonneer je nu gratis.