Moordlust

Op de deur van de wc zat een codeslot. “Alleen toegankelijk voor klanten. Vraag de code aan de bar.” Dus dat deed ik.

“Ik bestel straks iets maar ik moet nu eerst naar de wc. Mag ik de code.” De barbediende keek me met grote ogen aan. Was het zo raar wat ik zei? Dus ik herhaalde het. Zoals je ook bij een deur twee keer aan de klink trekt als je merkt dat die op slot zit. Dat is een merkwaardig verschijnsel. Als iets niet werkt dan doen we het nog een keer. Daarom zijn er twee wereldoorlogen geweest, twee atoombommen gegooid. De wereld gaat volgens de bijbel ook twee keer ten onder, de eerste was met water en naar de tweede zijn we hard op weg. Maar laat ik niet afdwalen. Ik heb haast. Ik moet naar de wc. En nodig ook.

“Ik bestel straks iets maar ik moet nu eerst dringend naar de wc. Mag ik de code.” herhaalde ik tegen de grote ogen. Ze werden nog iets groter en zochten hulp bij een collega die kwam toesnellen. “Let me…” zei ze. O, was dat het. Engelstalig. Hier ook al? In Amsterdam weet je dat het Nederlands in de horeca niet langer bestaat. Daar spreekt iedereen Engels of iets dat er op lijkt. Al is het ook weer niet helemaal zo. Toen ik er laatst eigentijds een coffee wrong bestelde kreeg ik een glazige blik. Dat moest een latte zijn en is geloof ik Italiaans. Komt uit Amerika. Maar hier in Den Haag?

“Kan ik u ergens mee van dienst zijn?” De woorden klonken als uit een tijdmachine. Ik werd vervuld door dankbaarheid. Zo moet het dus voelen om uit een achtergestelde regio te komen en nergens met je dialect terecht te kunnen omdat iedereen Engels of Nederlands wil praten.

“Ik wil graag de code van de wc.”

“Natuurlijk” antwoordde ze met een glimlach en noemde de code. Die kan ik hier uit begrijpelijke veiligheidsoverwegingen niet noemen maar hij was verrassend eenvoudig. Hoe slim, dacht ik. Geen illegale plasser die hier op komt. Te voor de hand liggend.

Ik liep terug naar de deur en net toen ik de geheime code wilde intikken positioneerde een mevrouw zich achter me. Een beetje zoals straatrovers vroeger achter je bij de pinautomaat gingen staan. Ik ben dan altijd meteen op mijn hoede en daarom zijn ze er nooit in geslaagd mij te beroven. Dus nu moest ik ook oppassen.

De vrouw stond te bellen. Luid te bellen. Dat kon een afleidingsmanoeuvre zijn. “Maar als je Robert wilt vragen die taak over te nemen… Nee, ik kan dat niet. Nee, ik sta op het punt een meeting in te gaan. Ja Robert kan dat. Is voor hem kleine moeite.”

Ik schermde met mijn handpalm het toetsenbord af en tikte snel de code in. Er klonk een klik van een openvallend slot. Gelukkig. Ik opende de deur en ging naar binnen maar de belmevrouw glipte mee. O mijn god, wat nu?

Er waren in de ruimte twee deuren met genderaanduiding. Een voor mannen, een voor vrouwen. Ik ging bij de eerste naar binnen. Schoon gelukkig. Zelfs de bril zag er onverdacht uit maar ik wreef daar toch maar even met een stuk wc-papier over. Scheelt bovendien achteraf het gebruik van de wc-borstel, als je het handig aanpakt. Niets ergers dan wc-borstels, qua biologische oorlogvoering.

Ik ging zitten. Maar van de gebruikelijke opluchting was geen sprake. Ik hoorde de vrouw bellen. Luid en duidelijk galmde haar stem door de ruimte al kon ik haar niet meer precies verstaan. “Ja Robert… ook al druk… daarom voorgesteld… die case.”

Ik was net bij de deur al geïrriteerd maar nu laaide de ergernis verder op. Hoezo ga je zitten bellen op een openbaar toilet? De enige plek waar je rustig hoort te kunnen zitten.

Ik voelde ergernis rap aanzwellen en omslaan in haat. Pure haat. Ik schrok er zelf van want ik ken dat gevoel eigenlijk niet. Niet dat ik een belijdend boeddhist ben maar ik vind haat gewoon zinloos, primitief ook. Je hebt er alleen maar jezelf mee. Bovendien past het niet bij mijn ideaal van zelfcontrole. Haat staat geen controle toe, het is een emotie die met je op de loop gaat. Dat merkte ik nu.

Het geluid van de beller werd ondraaglijk. Erger dan tien krijtjes over het schoolbord. Ik besefte ineens dat de jonge generaties zonder dat geluid opgroeien. Er zijn geen schoolborden meer. Misschien dat ze daarom altijd zo relaxed lijken. Ze groeien op zonder die marteling. Maar ik dwaal weer af, dit was dus erger. En het gekke was dat ik niet precies wist waarom. Ik schreef de ergernis over trein- of horecabellers altijd toe aan de eenzijdigheid. Je hoort maar een kant van het gesprek. Daardoor proberen je hersenen steeds het ontbrekende deel in te vullen. Dat maakt onrustig. Maar hier speelde iets anders.

Mijn geïrriteerdheid zwol met de seconde. Ik kreeg tot mijn stomme verbazing moordfantasieën. Ik zag mezelf als Jack Nicholson in The Shining. Met een bijl hakte ik in op de wc-deur. Here’s Johnny! In gedachten zag ik haar zitten. De schrikogen als ik me een weg door die deur heen sla. Snel hangt ze de telefoon op. Ja nu wel hè? Maar nu is het te laat. Vuile teringasociaal. Ik zal je leren.

De flarden bleven tegen de betegelde muren kaatsen. Schel als schoolbordkrijt. “Nee, ik heb laptop… ja dat zei ik. Dat gaat me niet lukken… zij moeten beter aangestuurd worden…”

Moordlust. Ik wist niet dat ik het in me had maar ineens begreep ik de onverklaarbare krantenberichten. Man doodgeslagen bij conflict over parkeerplek. Vrouw overleden na ruzie over vuilnisbak. Buurman brengt gezin om wegens boomblaadjes in tuin.

Ontsteken in razernij. Nooit beseft hoe letterlijk die term is. Je ontploft in redeloosheid.

Maar waarom? In de media las ik berichten over het opkomend verschijnsel van misofonie. Het niet tegen bepaalde geluiden kunnen. Veel mensen kampen daarmee. Dat probleem is duidelijker geworden tijdens de lockdown. Omdat het toen stil was en de permanente, onbewuste onderdrukking van de irritatie even wegviel.

Was dat het? Of toch iets anders? Ik bedacht dat het misschien komt omdat zo iemand overduidelijk geen rekening met je houdt. Er wordt gedaan alsof je niet bestaat. Als je op je kwetsbaarst bent, en dat ben je als je op de wc zit, wordt dat levensbedreigend. Dat komt door een oerinstinct. Naar het toilet gaan is in de natuur het gevaarlijkste moment. In India waar nog met enige regelmaat mensen worden opgegeten door tijgers, overkomt dat arme plattelandsbewoners als ze ‘s nachts in de bosjes hun behoefte doen.

Kwam daar die paniek en blinde woede vandaan? Zat ik hier als een soort neanderthaler op de toiletpot terwijl in het hok naast me iemand aan het teleconferencen is? In een flits zag ik de hele ontwikkeling van de mensheid voorbij komen. Alles voor niets geweest. Ik voelde me nog steeds een holbewoner.

Ik stond op trok door en opende de deur. Ik stond in het halletje. “Nee dat heb ik niet gezegd….Vorige meeting ja… Robert weet..”

Net toen ik de kraan open wilde draaien hoorde ik het slot omgedraaid worden en ging de deur van het vrouwentoilet langzaam open. “Nee, dan gaat het niet… Robert zei…”

Ik vluchtte naar buiten. Mijn handen was ik wel ergens anders. Levenslang met TBS. Geen zin in.

PS: Iedere zondagavond verstuur ik In de Week, een zeer persoonlijke nieuwsbrief met bekentenissen en verslagen over wat ik de voorbije week zag, las, meemaakte en dacht. Abonneer je hier gratis.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.