Ik ging naar Parijs met geen ander doel dan de stad zelf. Dat klinkt wellicht wat stoer maar eigenlijk had ik begin dit jaar per ongeluk een ticket teveel gekocht omdat de Eurostar-app haperde bij het betalen. Aangezien dat betaalde geld terugkrijgen niet lukte, boekte ik de vergisreis om naar een andere datum, in combinatie met een kortingsactie van de hotelketen waar ik vaste gast ben. Zo maakte ik mezelf wijs dat ik het aankoopbedrag niet weggegooid had. Dat ik dat deed door in werkelijkheid zes keer zoveel uit te geven als de prijs van dat treinkaartje, frommelde ik snel weg in de verste uithoeken van mijn bewustzijn. Had Godfried Bomans niet ooit terecht opgemerkt dat je om een dubbeltje te besparen, niet op kwartje moet kijken?
Kwartje, dubbeltje, wie kent die termen nog? Ik vermoed niet de drie tienermeiden waarmee ik in een carré famille belandde in de TGV naar Parijs. Ze verkeerden in onderkoelde opwinding over hun trip. Hoe ze de weg moesten vinden bijvoorbeeld. “Ik haat Google Maps echt. Die trekt zo hard mijn batterij leeg.” Waarop een ander zei “We zouden eigenlijk kaart moeten kunnen lezen. Dan heb je Google Maps niet nodig. Mijn oma en opa gaan zo op vakantie.”
“Echt? Dat lijkt me zo gaaf. Maar ik zou niet weten hoe je dat moet doen.”
De derde sloot zich er bij aan. “Mijn tante vertelde dat ze vroeger in Parijs met de metro ging door naar zo’n ding aan de muur te kijken. Waar al die lijnen op staan. Dat stond ze dan eerst helemaal uit te zoeken.”
“O wow… maar hoe kan dat? Hoe weet je dan waar je heen moet? Dat zou mij niet lukken hoor.”
Ik had wel eens verhalen gehoord over Parijs in augustus, dat iedereen dan weg is en veel zaken dicht zijn. Toen ik eenmaal aangekomen op Gare du Nord de metro binnenstapte, was die grotendeels leeg. Ik dacht eerst nog dat het toeval was, maar eenmaal boven de grond bleek het overal zo te zijn. Er waren amper mensen te zien. Ik bedoel niet dat het net zo compleet uitgestorven was als bijvoorbeeld het Mediapark in de zomer maar er waren gewoon weinig mensen. Het deed me denken aan de keer dat ik Parijs bezocht tijdens de pandemie. Lege terrassen, lege winkels.
Omdat ik niet altijd van de aanwezigheid van mensen houd, vond ik het aanvankelijk wel lekker maar na enige tijd werd me iets duidelijk, namelijk dat Parijs zo aantrekkelijk is vanwege de Parijzenaars. Dat klinkt misschien gek omdat Parijzenaars in de communis opinio een nogal slechte reputatie hebben, arrogant, onbehouwen, etcetera. Wat overigens niet mijn eigen ervaring is, ik vind ze opvallend vriendelijk en behulpzaam. In de metro tetterde zelfs in het Nederlands de waarschuwingen uit de luidsprekers, voor een omleiding op de route naar Disneyland Paris. En als ik tegen winkelmedewerkers zei dat ik Parijs bezoek om Frans te oefenen, klonk meteen “maar u spreekt goed Frans”, wat duidelijk sympathiek bedoeld was omdat ik meestal niet meer gezegd had dan nodig is voor een eenvoudige bestelling.
Parijs is een mooie stad maar de Parijzenaars zelf blijken de onmisbare attractie, constateerde ik toen ik vanaf een terrasje de schaarse voorbijgangers gadesloeg. Het waren toeristen die soms echt hun best deden zich een Parijse stijl aan te meten. Dapper maar helaas omdat ze zich tot de Parijzenaars verhouden als cacao-fantasie tot chocolade. Stijl is voor Parijzenaars een eerste levensbehoefte, geen hobby. Het terras waar ik anders me een middag lang kan vergapen voelde plots als pakweg Middelburg. Nee, niet boos worden als je in Middelburg woont. Leuke stad, kom ik graag maar het is geen Parijs.
Normaal gesproken stel ik met militaire precisie een aanvalsplan op om de beperkte tijd zo efficiënt mogelijk te besteden maar nu liet ik me verdrinken in de zee van tijd. Ik had voor deze drie dagen maar een paar bestemmingen op het oog.
De eerste was de installatie van Fujiko Nakaya in de rotonde van de Bourse de Commerce. Waar – surprise! – geen rij stond en ik zo naar binnen kon lopen. De inmiddels hoogbejaarde Japanse dochter van de uitvinder van kunstsneeuw maakt wolken als kunst. Anders dan de rookmachines die je in theaters ziet, heeft ze een systeem ontwikkeld dat alleen water gebruikt. Het resultaat is veel natuurlijker en niet alleen een visueel spektakel maar ook een aparte sensatie. Ik merkte in de mist iets merkwaardigs dat ik nog nooit eerder gezien had, alsof er waterdruppels op mijn contactlenzen zaten die ik haarscherp kon waarnemen.
Natuurlijk was iedereen bezig met het maken van selfies en clips. Daar kun je cynisch over doen maar misschien is het gewoon een volgende fase in het beleven van kunst. Sinds de gelijknamige Amerikaanse camerafabrikant begin vorige eeuw het Kodak-moment bedacht, omdat mensen anders geen idee hadden wat ze moesten fotograferen, bestaat het leven uit het verzamelen van herinneringen. Door social media richt de verzameldrift zich steeds meer op ervaringen die je kunt laten zien. Het maken van het beeld wordt een doel op zich.
Nakaya gaat daar handig mee om. De bezoekers moeten eerst zitten om de wolkenvorming te ondergaan en mogen pas in het laatste stuk van de uitvoering, die zo’n 15 minuten duurt, rondlopen en poseren, wat dan ook gretig gebeurt. Het publiek wordt zo onderdeel van het kunstwerk, dat ook inspeelt op het onverzadigbare verlangen van de influenceuses om als enige gezien te worden in de mist van het alledaagse. Te ervaren t/m 14 september.
Die avond was er de zonsverduistering en Le Bonbon vertelde me dat de Jardin du Luxembourg, mijn favoriete park, een van de beste plekken was om die te zien “ter hoogte van het centrale fontein”. Ik bleek niet de enige die de tip had meegekregen. Uit het hele Luco, de koosnaam van het park, werden de zware Sénate stoelen naar het fontein gedragen. Op het moment dat de eclips haar hoogtepunt bereikte klonk er een spontaan applaus, al was me niet duidelijk tot wie zich dat richtte. Misschien applaudisseerde het publiek voor zichzelf. Ik ben nog uit de tijd dat dat aan apen was voorbehouden.
Even later klonk gefluit en maanden de parkwachters zoals iedere avond dat het publiek moest vertrekken omdat het park gesloten werd. Ik weet niet precies waarom maar ik vind het prettig dat het park niet altijd open is. Het maakt het bezoek meer tot een cadeau.
De volgende dag bezocht ik de bibliotheek BnF Richelieu, die in 2022 heropend werd na een 10 jaar durende restauratie. Het gebouw lijkt een paleis, wat het ook ooit was, maar het is een ‘gewone’ bibliotheek waar je kunt lezen, studeren of je gewoon vergapen aan de schoonheid, met een leeszaal die oogt als een schaatsbaan voor de geest en die extra mooi voelt vanwege de serene stilte die er heerst. Het voelt als een gebedsruimte zonder god.
Mensen die naar Parijs gaan, zijn vaak bezig met de ‘adresjes’ voor shoppen en eten. Ik moet bekennen dat ik daar niet aan mee doe. Ik ontbeet bij de Britse keten Prêt a Manger omdat ik daar makkelijker kan kiezen, lunchte met een omelet en at ‘s avonds een salade, allemaal in redelijk willekeurige zaken. Het eten is vrijwel altijd prima en vaak verrassend goed. In Le Parisien las ik dat de horeca het moeilijk heeft, mede door de oorlog van Trump tegen Iran.
Eind juni, tijdens een verzengende hittegolf, slaagde Camilles zoon voor zijn examen en deze moeder wilde dat in stijl vieren in een restaurant. “Ik heb The Fork, Le Fooding, The New Table, TripAdvisor… afgestruind om een restaurant met airconditioning te vinden,” vertelt deze reclameprofessional. “Maar de enige die overbleven waren belachelijk duur.” Het gezin van vier trok zich terug in hun eigen huis en genoot van zelfgemaakte pizza’s en een goede wijnproeverij. Camille heeft er geen spijt van: “Het heeft ons veel minder gekost en we hebben het ontzettend gezellig gehad met het maken van onze eigen Napolitaanse pizza’s!”
De Parijse horeca is overigens goedkoper dan die in Nederland.
De derde dag bezocht ik Père-Lachaise, de begraafplaats waar zoveel historische figuren begraven liggen dat het voelt als een museum. In mijn naïviteit had ik gedacht dat het er koel zou zijn vanwege de schaduwrijke beplanting maar niets bleek minder waar. Het is nog meer dan Parijs zelf een stenen stad. Alsof ik door een crematorium wandelde waar ze de ovens net aan hadden gestoken.
Ik liep langs Chopin en zag de ex-voto’s die bewonderaars daar achterlaten, van ansichtkaarten tot bosjes vogelveren en metrokaartjes. Een verderop werd ik verrast door het graf van Mano Solo, een van mijn favoriete chansonniers. En van Tignous, een van de cartoonisten die bij de aanslagen van 2015 vermoord werd door islamistisch extremisten.
Sommige namen zocht ik op en er opende zich een nieuwe wereld. Daar in een graf, waarover een Guatemalteekse vlag gedrapeerd was, lag Miguel Ángel Asturias die in 1967 de Nobelprijs voor de literatuur kreeg toegekend. Karel Appel heeft er zijn laatste rustplaats in een strak wit marmeren graf. Edith Piaf natuurlijk, waar ook nu de fans samendromden.
Die fancultuur is wel heftiger geworden dan toen ik hier in de jaren ’80 voor het eerst was. Het imposante graf van Oscar Wilde bijvoorbeeld is nu afgeschermd met een glazen muur en het dringende verzoek er geen rotzooi van te maken, noch graffiti achter laten, om de nabestaanden niet op kosten te jagen.
Père-Lachaise is een toeristische attractie geworden, terwijl een lijkwagen met wat volgauto’s me er aan herinnerde dat het ook nog gewoon een begraafplaats is.
Ik liep langs de Mur des Fédérés, een bedevaartsoord voor linkse mensen. Op de begraafplaats trokken de laatste strijders van de Parijse Commune van 1871, een socialistische vrijstaat, zich terug. Ze werden ingesloten door het leger. 147 van hen werden bij muur geëxecuteerd en in een massagraf geworpen. Bij de muur nu wat verdorde bloemen en achtergelaten aandenkens, zoals een sticker van een Vlaams anarchistisch collectief en een ansichtkaart met een handgeschreven Chinese tekst. De graven er omheen zijn ook van verzetsstrijders, zoals van de Franse brigadisten die ten tijde van de machtsgreep van generaal Franco en zijn fascisten naar Spanje trokken om voor de democratie te vechten. De geschiedenis lijkt er soms uit de graven te kruipen.
In de wijk Le Marais, waar veel straatkunst te zien is, zag ik iets dat me niet eerder zo was opgevallen. Kunst op het trottoir, in de vorm van stencils of handgeschreven teksten, met een Instagram-account als handtekening. Nooit hoef je je meer af te vragen wie de ‘killroy’ was. Zo neemt Meta langzaam maar zeker het leven over.
Hoe zou een gesprek in de trein tussen tienermeiden op weg naar Parijs over veertig jaar klinken? Merken ze op dat er volgens hun grootouders toen nog sociale media waren waarmee je kon laten zien waar je geweest was? Lachen ze bij het idee dat er toen grote bedrijven waren aan wie je al je privé-informatie uitleverde, zodat ze je konden voeren met reclames om je consumptiegedrag te sturen? Of gaat er dan gewoon meer niemand meer naar Parijs omdat het er ’s zomers 60 graden wordt?
Hier mijn foto’s van alles hierboven.
Om minder afhankelijk te zijn van social media maak ik iedere zondag een nieuwsbrief met tips, ervaringen en ideeën. Interessant voor iedereen. Abonneer je nu gratis.