Op 3 mei keek ik op van mijn computerscherm uit het raam en zag op het dak van de buren twee mantelmeeuwen paren. In de stromende regen maar dat deerde hen kennelijk niet. Het ging er opvallend teder aan toe. De vrouw keek om naar de man die bovenop haar zat en dan niet in de zin van ‘schiet eens op’ maar schijnbaar met plezier. Na afloop ‘zoenden’ ze met elkaar door de snavels tegen elkaar te wrijven en maakten ze wat danspasjes.
De volgende dag zag ik ze met takjes in de weer, die ze aan elkaar doorgaven. Het was duidelijk, ze gingen op het dak een nest bouwen. Op een beschutte plek, op het noorden gericht, zoveel mogelijk uit de zon, achter een wandje van een ventilatiesysteem. Ze leken zo onhandig te werk te gaan dat ik dacht dat het nooit wat zou worden maar dat was mijn totaal verkeerde inschatting, en niet de laatste. Er ontstond een stevig rond nest dat in de daarop volgende weken alle stormen en regenbuien zou doorstaan. Ik doopte het stel Sjonnie en Anita, overigens zonder dat ik in staat was hen uit elkaar te houden.
Na een tijdje lagen er plots, nou ja plots, twee eieren in. Nu werd het serieus. Sjonnie of Anita beklom het nest en bleef zitten, wat er ook gebeurde. De ander leek altijd wel ergens in de buurt, klaar om iedere dreiging te verjagen. En die dreiging werd al snel ervaren. Ik zag hoe een kat die beneden, een paar verdiepingen lager, op straat voorbij liep net zo lang werd belaagd tot hij rechtsomkeert maakte. Zelf bleek ik ook een dreiging. Als ik te lang uit het open raam bleef staren kwam Sjonnie of Anita recht op me afgevlogen, pas op het laatste moment uitwijkend, net zo lang tot ik het raam weer dicht deed.
Vogels houden er niet van als je ze aanstaart. Als je gewoon voorbij loopt zullen ze zich weinig van je aantrekken maar zou gauw je naar een exemplaar gaat staren vliegt die op. Dat is logisch, want staren kan betekenen dat je van plan bent aan te vallen. Wij zijn zelf net zo. Als je op een bankje in het park zit zul je je niet bedreigd voelen door de voorbijgangers maar als er een stil blijft staan en lang naar je blijft kijken wordt het anders. Dan vertrek je of bel je de politie. Een meeuw met een nest kan niet vertrekken, dus blijft de aanval als enige mogelijkheid over.
Het is niet het enige waarin meeuwen op mensen lijken of andersom. Uit interesse naar wie mijn nieuwe buren waren, las ik ‘De zilvermeeuw’ van vermaard zeevogelkenner Kees Camphuysen. Nee, zilvermeeuwen zijn geen mantelmeeuwen maar ze lijken zoveel op elkaar dat ze soms zelfs met elkaar paren of elkaars kuikens opvoeden. Het uiterlijke verschil zit ‘m in de poten, die zijn roze bij een zilvermeeuw en geel bij een mantelmeeuw. Als ik het over mantelmeeuw heb bedoel ik de kleine mantelmeeuw. Er is ook nog de grote mantelmeeuw, die doet zijn naam eer aan want het is de grootste meeuw die er bestaat, en deze leeft ook in Nederland maar voor zo ver ik weet niet in de stad.
Daarnaast heb je nog andere soorten meeuwen, zoals de kokmeeuw die in de zomer een zwarte kop heeft, maar als ik zeg meeuw dan bedoel ik de kleine mantelmeeuw of zilvermeeuw. Dat zijn ook de soorten die je het meest in de stad ziet, waarbij in Rotterdam de mantelmeeuwen het talrijkst zijn.
Wat ik wilde zeggen, meeuwen lijken in veel opzichten op mensen. Zo eten meeuwen graag wat mensen ook eten. Ze kijken het zelfs van ons af. Er is een mooi experiment gedaan waarbij verschillend gekleurde zakken chips op het strand werden geplaatst. Even verderop aten proefpersonen chips uit een bepaalde kleur zak. De meeuwen keken toe wat de mensen deden en stortten zich vervolgens op de zakken met dezelfde kleur, de andere kleuren lieten ze ongemoeid.
Iedereen heeft denk inmiddels wel eens een clipje gezien van een meeuw die een winkel binnenloopt, een zak chips uit het rek pakt en die mee naar buiten neemt. Zonder te betalen natuurlijk.
Om zo’n brutale diefstal te plegen moet je verdomd veel lef hebben. Dat hebben meeuwen dan ook. Camphuysen constateert dat de vogels niet in een opwelling handelen. Voordat ze tot zo’n gedurfde daad overgaan hebben ze de situatie eindeloos bestudeerd om uit te vogelen hoe ze het moeten gaan aanpakken. Een meeuw is wel brutaal, maar beslist niet gek.
Het is ook niet zo dat iedere meeuw zich aan dit soort criminaliteit overgeeft. Camphuysen beschrijft hoe ieder individueel exemplaar zijn eigen specialisme ontwikkelt. Een meeuw die zich richt op oesters vangen en weet hoe je die open krijgt, zal zich niet snel op een vuilnis richten omdat hij geen idee heeft hoe je daar snel en efficiënt voedsel tussen vindt. De specialisten in dat laatste weten dat precies. Camphuysen beschrijft een meeuw die vakkundig een in aluminium gewikkelde pizza onderin een afgesloten vuilniszak weet op te sporen en er uit te trekken.
Die specialismen zijn ook noodzakelijk want het is niet makkelijk om geschikt voedsel te vinden. Al zijn meeuwen niet kieskeurig. Net als mensen eten ze alles. Of nou ja, nog iets meer. Zo vindt Camphuysen bij een nest een mobiele telefoon die is uitgebraakt. Hij sluit niet uit dat die afkomstig is van iemand die een selfie heeft gemaakt, want dan neem je immers een houding zoals bij het eten van haring of het met de hand voeren van vogels. Hé, denkt de meeuw en hap slik weg.
Ik ben zelf ook wel eens beroofd toen ik met een snack in de hand de Albert Heijn uit liep. Later zag ik hoe die meeuw daar een hele strategie voor had. Hij koos een lantaarnpaal uit bij de uitgang en kon zo precies zien wie er al snackend de winkel verliet, om die vervolgens van achteren aanvallen, over het hoofd heen te duiken en hebbes. Het gaat even razendsnel als professioneel.
Meeuwen onthouden ook gezichten van mensen. Als je meeuwen lastig valt, zoals biologen die kuikens ringen doen, vallen ze je later ook in heel andere situaties aan. Ik las ooit over een bioloog die op zaterdagmiddag tijdens het boodschappen doen, met heel andere kleding aan, werd belaagd door meeuwen die hem herkenden. En ze vergeten niet snel. Camphuysen vertelt hoe hij tijdens veldonderzoek in Afrika tot zijn verbazing uit het niets plots aangevallen werd door een meeuw. Hij pakte zijn verrekijker en ontdekte toen aan hand van de ring dat de vogel uit zijn onderzoeksgebied op Texel afkomstig was…
Op 15 juni zag ik dat bij de buren de eieren waren uitgekomen. Twee gespikkelde bruingrijze, kwetsbare, pluizige kuikentjes met zo’n goede camouflage dat ze op het grinddak amper zichtbaar waren. Tot mijn teleurstelling gingen de ouders niet lekker met ze knuffelen maar namen ze, om en om, op een afstand plaats. Liefst op een verhoging waar de kleintjes niet bij kunnen en ze omgeving goed in de gaten kunnen houden. Camphuysen beschrijft hetzelfde gedrag in de duinen van Texel. Het is ook logisch want de grote meeuw is zeer zichtbaar en de kuikens moeten dat juist niet zijn.
Ik wilde schrijven ‘in de natuur’ als alternatief voor de stad maar dat is een typisch menselijke gedachte. Meeuwen maken dat onderscheid niet. Alles is natuur. Een plat grinddak in de stad is voor hen als een eiland in zee, lekker veilig want er kan niemand bij. Dat is ook de reden dat ze jaren geleden massaal van hun broedgebieden in de duinen naar de stad verhuisden. Camphuysen vertelt dat onbekenden eind jaren zestig een paar vossen hebben uitgezet in de Hollandse duinen die vervolgens als beesten tekeer gingen in de broedgebieden. Eieren, kuikens, alles lag voor het grijpen. De meeuwen hielden de onveilige situatie na een tijdje voor gezien en migreerden naar de stad.
In de stad kregen ze te maken met de mens. Om de een of andere reden – misschien wel omdat ze er zoveel op lijken – hebben veel mensen een hekel aan meeuwen. Dat is al heel lang zo maar de argumenten daarvoor veranderen steeds, toont Camphuysen aan. Zo werden meeuwen eerst vervolgd, doodgeschoten, vergiftigd, omdat ze een gevaar zouden zijn voor andere soorten die beschermd moesten worden. Dat bleek later klinkklare onzin. Nu in de stad krijgen ze de schuld van het vuil op straat. Camphuysen laat zien dat dat slechts om specifieke exemplaren gaat, die dat gedrag ook nog eens alleen maar vertonen omdat mensen hun huisvuil op straat zetten in plaats van in een afgesloten container plaatsen. Zou iedereen dat laatste doen, dan gaan de meeuwen vanzelf op zoek naar iets anders. En hoe komen ze erbij om huisvuil door te spitten? Nou, vroeger had je open vuilnisbelten buiten de stad waar ze hun kostje bij elkaar scharrelden. Die zijn uit milieuoverwegingen gesloten dus nu zoeken de meeuwen het vuil bij de bron.
Je denkt misschien ‘dat is heel lang geleden… hoe kunnen ze dat weten’ maar meeuwen worden best oud, als ze tenminste weten te overleven. Al gauw een jaar of dertig en het valt niet uit te sluiten dat ze veertig of zelfs vijftig worden. De meeuw die je bij je huis voorbij ziet vliegen kan ook dezelfde meeuw zijn die je 20 jaar geleden zag want net als veel mensen zijn veel meeuwen nogal honkvast. In de winter schuiven ze soms op naar het zuiden en komen ze uit het noorden hierheen. Ja precies, een beetje als vakantiegangers in de zomer.
Nu is overlast dus een reden om meeuwen in de stad te bestrijden. Camphuysen zet overtuigend uiteen dat het vrijwel nooit ergens toe leidt, behalve dierenleed en kosten voor de mens. De vogels zijn veel te slim om zich zomaar te laten verjagen, ongeacht wat je doet. Smakelijk citeert Camphuysen uit het VVD-programma waaruit blijkt dat de politici geen flauw benul hebben van waar ze over praten. Ze praten over ‘zeemeeuwen’, een soort die niet bestaat. Ze komen met voorstellen waarvan de nutteloosheid al vele malen is aangetoond voor een probleem dat ze amper begrijpen. In die zin lijken ze ook op meeuwen, want de vogels zijn ook koppig en halsstarrig.
Ondertussen zag ik de kuikens op het dak groeien dankzij de liefdevolle zorg van de ouders die voedsel uitbraakten. Niet het meest smakelijke gezicht maar wel fascinerend. Van een stuk roze vlees vroeg ik me af of het misschien een rat was geweest. Ja, meeuwen kunnen ook ratten vangen. Iemand zou het de VVD eens moeten vertellen.
Tijdens mijn rondreis door Europa vroeg ik me regelmatig af hoe het met het gezin van Sjonnie en Anita zou zijn. Vooral natuurlijk of de kinderen al uitgevlogen waren. Dat bleek gelukkig niet het geval. Bij thuiskomst mocht ik op 2 augustus zien hoe de laatste van de twee voor het eerst het luchtruim koos, daarbij geholpen door de buren, een meeuwenpaar dat op mijn eigen dak woont en ik zelden zie. Camphuysen beschrijft dat ook, hoe stellen elkaar helpen bij de opvoeding. Overigens niet altijd want als er sprake is van voedseltekort maken ze zonder pardon elkaars kinderen dood. Alweer, niets menselijks is de dieren vreemd.
Wat meeuwen ook doen net als mensen is het aan elkaar doorvertellen als ze een goede plek hebben gevonden om te broeden. Zoals Sjonnie en Anita. In de bewoners-appgroep las ik dat volgend jaar “op verantwoorde wijze” voorkomen moet worden dat er opnieuw genesteld gaat worden. Ik heb daar natuurlijk wat gemengde gevoelens over. Niet alleen omdat “verantwoord” voor meerdere uitleg vatbaar is. Mantelmeeuwen zijn niet voor niets beschermde vogels. Als je ze hindert te broeden kun je dat geen bescherming noemen.
Ik vind de dieren dus erg leuk maar snap ook wel dat het niet erg handig is als er een meeuwenkolonie op het dak komt. De ‘overlast’ geldt daarbij niet alleen voor de menselijke buren. Nu Sjonnie en Anita niet meer permanent aanwezig zijn zie ik ook weer de vertrouwde kauwen en ekster hun kostje bij elkaar scharrelen op het dak. Dat hoefden ze de afgelopen maanden niet te proberen. Dus die zullen het ook wel eens zijn met het voorstel uit de appgroep. Als ze er tenminste zelf geen last van hebben. Want ja, het zijn net mensen.
De zilvermeeuw door Kees Camphuysen, uitgeverij Atlas (2018), 296 pagina’s.
Om minder afhankelijk te zijn van social media maak ik iedere zondag een nieuwsbrief met tips, ervaringen en ideeën. Interessant voor iedereen. Abonneer je nu gratis.