Openbaar vervoer

Vanochtend hoorde ik in de volksrubriek Het Filiaal van het Radio 1 journaal, dat handelde over de almaar groeiende files en de vraag waarom mensen daar nog in gaan staan, een mannenstem bassen: “Mij krijgen ze van m’n levensdagen niet in het openbaar vervoer! Nooit!” Of woorden van gelijke strekking. Waarom die man zo absoluut was, werd verder niet verklaard. Ik vond het een irritante, dom klinkende opmerking waar een soort haat uit sprak.
Maar zou hij soms bang zijn, vroeg ik me later op de dag af toen ik mezelf aan datzelfde openbaar vervoer overleverde. Want openbaar vervoer is eigenlijk alleen maar bestemd voor de reizigers die er dagelijks of met grote regelmaat gebruik van maken. Wie zoals ik er slechts sporadisch gebruik mee reist voelt zich bijna permanent voor schut staan of op z’n minst onzeker.
Eerst is er al het kaartjes-mysterie. De strippenkaart bedoel ik dan. Waar en hoe je die moet kopen bijvoorbeeld. Laatst moest ik eerst een rolletje drop aanschaffen om het kleingeld te bemachtigen dat de automaat eiste. En hup!, daar ging ondertussen de metro. Onmiddellijk vreesde ik dat ik mijn aansluitende trein zou missen. Vrees, steeds vrees.
Vandaag op het perron gaf een lichtkrant de bestemming van de komende metro aan. Tevergeefs zocht ik naar een plattegrond, kaart of andere informatie die me kon vertellen of die route voerde langs mijn bestemming. Nergens te vinden. Vervolgens klonk de mededeling dat de vermelding op de lichtkrant niet noodzakelijkerwijs hoefde te kloppen. “Kijk u daarom op het bord aan de voorkant van het metrorijtuig,” waarschuwde een luidsprekerstem.
Prompt vergat ik van de zenuwen te kijken. Na enige verontrustende twijfel stapte ik toch maar in want de tijd begon te dringen. Aan vier, vijf medepassagiers vroeg ik of ze wisten waar de metro heen ging. Niemand wist het.
De blikken luidsprekers die anders pijnlijk in het oor tetteren, zwegen bij ieder station. Terwijl ik ze nu nodig had. Tot slot vond ik een jongen die het antwoord gaf maar zo nonchalant sprak dat ik weer begon te twijfelen of hij het wel echt wist. Misschien wilde hij me in de maling nemen. Want onzekere mensen maken zichzelf bij voorkeur nog onzekerder, zoals mensen met hoogtevrees het niet kunnen laten naar beneden te kijken. Ik bedacht me wat ik met hem allemaal zou aan doen als het verkeerd bleek, ongeveer zoals ik mentaal reageer op mede-automobilisten die me snijden bijvoorbeeld. Daar stond ik dan in de metro: op het punt een aanval van road rage te krijgen.
Ineens klonk de aankondiging van mijn bestemming. Nu wel. Ik ging bij de deur staan en verzonk in gedachten. De metro stopte. Ik drukte op de open-knop van de deur. Er gebeurde niets. Nog een keer, weer niets. Het duurde nog geen seconde. Een hand tikte op mijn schouder en wees. Het perron bevond zich op dit station aan de andere zijde van het metrostel.
Terwijl ik uitstapte voelde ik de blikken van de medepassagiers in mijn rug. In mijn hoofd klonk een stem: “Mij krijgen ze van m’n levensdagen niet in het openbaar vervoer! Nooit!”
Als je het maar hard schreeuwt klinkt het vanzelf dapper.