Nabij het indrukwekkende ere-graf van de Amerikaanse militairen bij Omaha Beach in Normandië ligt het massa-graf van Duitse soldaten. Het is overduidelijk een begraafplaats van de verliezers, alleen al omdat er een snelweg langs raast. De opzet is ingetogen. De Duitse gevallenen hebben geen hagelwitte kruizen maar liggende, bruingrijze gedenkstenen. Her en der staan slechts symbolisch groepjes kruizen om aan te geven dat het wel degelijk een begraafplaats is.
De weg er naar toe voert langs ‘vredesbomen’, geplant op verzoek van familieleden. Op het terrein in een gebouwtje, dat geheel gewijd is aan Vrede met een grote V, zijn boodschappen te lezen van nabestaanden. Bijvoorbeeld van kinderen die hun vader nooit gekend hebben, van vrouwen die nooit meer een nieuwe liefde wilden vinden.
Over het hele gebied hangt een deken van schuldbesef en uit alles klinkt de hartekreet wat gebeurd is nooit meer mee te maken.
Het zou ondenkbaar zijn om daar in een gastenboek revanchistische praatjes aan te treffen.
Ik moest er aan denken toen ik gisteren het museum van de slag bij Khe Sanh bezocht waar 10.000 Vietnamezen en 500 Amerikanen zijn omgekomen en in het gastenboek de opmerkingen las van Amerikaanse veteranen die alsnog hun gelijk kwamen halen. “Iedereen die hier niet gevochten heeft moet zijn kop houden over wat we gedaan hebben. Jullie snappen het gewoon niet.”
Mensen die zo denken maken keer op keer dezelfde fouten, lijkt me.
Buiten het museum kwam een man op me af met een sigarendoosje waarin verweerde en met aarde besmeurde militaire identiteitsplaatjes en medailles zaten. Of ik er een wilde kopen. Alleen al het lezen van de namen gaf me een knoop in de maag. Zo’n medaille kopen is bijna hetzelfde als hem iemand afpakken.
“Ze graven die op om te verkopen. Het is gevaarlijk werk want er liggen nog veel onontplofte mijnen en dergelijke,” zei de gids.
Het leek me geen handel die je moet stimuleren.