Op de terugweg

Terwijl ik zondagavond in Parijs door de grijze miezer van de schemering naar de parkeergarage bij Gare du Nord liep, na een geweldig maal en een fijn weekend in deze schitterende lichtstad die nooit verveelt, kwam er een ambulance aan scheuren met een oorverdovende, snerpende sirene. Omstanders hielden de handen tegen de oren. De wagen stopte op het trottoir, vier vrouwelijke verpleegkundigen sprongen er uit, wierpen rugzakken met allerlei medische middelen om hun schouders en spoedden zich het station in, achter een vrouwelijke beveiligingsbeambte aan. Een groep mannelijke agenten keek toe. Dichtbij hing een leven aan een draadje en hier op straat ging alles verder. Ik ook.

Een lift bracht me naar een parkeerdek diep onder de grond. Aan het plafond gaven rode en groene lampjes de bezette plaatsen aan, als een permanente kerstverlichting. Er piepten ergens banden. De geuren van urine en schoonmaakmiddelen voerden een schijnbaar permanente overheersingsoorlog met elkaar. Ik bevond me in de ingewanden van de beschaving.

Eenmaal boven raakte de navigatie in de war door de smalle straten en scherpe bochten. Of beter gezegd, ik raakte er van in de war. Het verkeer van Parijs laat zich niet gemakkelijk door computers leiden. Ik koos ten einde raad voor een andere route en begaf me in een langzaam bewegende stroom van rode remlichten. De stad leek leeg te sijpelen. Iedereen naar huis. Een oefening in geduld. Aan het getoeter te horen waren er nogal wat beginners.

Bij de stoplichten aan de stadsgrens kwamen bedelaars en andere hulpbehoevenden zonder thuis tegen de ramen kloppen, een enkeling voerde een dans uit voor de auto. Ik wuifde zo bedachtzaam mogelijk dat ze van mij niets moesten verwachten. Ik ben eens in een zeg maar onveilige situatie beland door er wel op in te gaan. Een enkele gebeurtenis kan je gedrag de rest van je leven bepalen, realiseerde ik me. Ik had ook geen contant geld op zak en kon dus sowieso niets geven maar vooral ook is de behoefte te groot. Tegen de périphérique ligt een hele shanty town verspreid. Ieder gebaar is er als een kruimel in een hongersnood.

De stoplichten vormen een soort eigentijdse stadswal, daarna ging de tocht snel richting Nederland. Zoevend door de duisternis, het regende en het was druk op de weg met onrustige rijders. Alsof iedereen op de vlucht was. Op de iPhone kwam een waarschuwing binnen voor slecht weer.

Net voor de Belgische grens stopte ik bij een tankstation. Het was er stil en donker, bijna onheilspellend als in een film waar je niet in wilt figureren. In de shop brandde licht maar behalve een medewerker was er niemand te zien. Ik stapte uit en wilde de slang van de pomp pakken. Die bleek afgesloten met een rood lint. Hors service. Buiten dienst. Ik keek naar de andere pompen. Zelfde verhaal.

Ik herinnerde me iets over stakingen bij raffinaderijen, of blokkades. Maar die waren toch al voorbij? O wacht, dit is het laatste station voor de grens, ik was natuurlijk niet de enige die nog even minder duur wilde tanken. Alles was gewoon op.

Het gebeurt steeds vaker dat dingen die altijd vanzelfsprekend waren plots niet meer beschikbaar zijn. Althans dat gevoel heb ik. Van regelmatig lege schappen in de supermarkt tot roltrappen op stations die maanden buiten werking zijn wegens gebrek aan onderdelen.

Het regende nog steeds en de auto joeg verder. Ik vroeg me af hoeveel dagen per jaar het eigenlijk regent en gokte veel te laag. Jij ook waarschijnlijk. Je denkt de wereld te kennen maar zelfs zoiets banaals blijft gissen. Het ligt er maar aan wat je regen noemt. Wanneer je alles boven de 0,3 mm meetelt regent het 192 dagen per jaar. Ruim meer dan de helft. Als de evolutie goed werkt groeien er straks paraplu’s uit onze schouders.

Plots zag ik op de andere rijbaan, richting Parijs, enkele auto’s stilstaan. Schots en scheef. Het moment flitste voorbij. Was dat een ongeluk dat zojuist gebeurde? Ik kon niets doen, het had ook geen zin. De hulp moest en zou van de auto’s aan de andere kant komen. Maar het voelde toch gek, het idee dat er mogelijk mensen in nood waren en je van hen wegreed. Alweer. Efficiëntie en emotie zijn geen goede match.

De tocht ging verder. De ruitenwissers zwiepten onverstoorbaar en dat stelde gek genoeg min of meer gerust.

Een stuk verderop in België verscheen aan de horizon een blauwe zee van zwaailichten. Vaart minderen, invoegen naar de meest linker baan die als enige nog open is, hart vasthouden. In de berm lag een gebutste auto op de kop met de neus in de tegengestelde rijrichting. Brandweermannen leunden half in het wrak. Zat er nog iemand in? Het ging te snel om iets te kunnen zien.

Ik gaf gas, de regen sloeg neer, het asfalt glom als een zwarte spiegel die je toch nooit echt iets laat zien. Uit de boxen klonk Leonard Cohen.

And the skylight is like skin for a drum I’ll never mend
And all the rain falls down, amen
On the works of last year’s man

Het zal de herfst geweest zijn.


Zin melancholische herfstmuziek? Mijn selectie voor dit seizoen vind je hier.

Meer belevenissen en gedachten? Daar is een ideale nieuwsbrief voor. Iedere zondag gratis in je mailbox.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.