
La Tour is een erg grappige horrorfilm waarvan ik niet zeker weet of hij racistisch is. De film gaat er in ieder geval wel over, zonder dat er ook maar een racistisch woord te beluisteren valt. Of nou ja, hij gaat eigenlijk over een heel ander horrorscenario.
De film die ik zag op het IFFR opent met het beeld van een banlieue, zo’n Franse buitenwijk waar de kansarmen door het kapitalisme worden samengedreven om ze kansloos te maken. We zien even een hoge torenflat in een buurt die volledig uit dat soort gebouwen bestaat. Het gevelonderhoud loopt een paar beurten achter zo te zien. Dat is meteen het laatste buitenbeeld van de film die in coronatijd gemaakt is. De camera gaat naar binnen en komt niet meer buiten.
We zien een bewoonster thee drinken. Zo op het oog niks aan de hand maar de huiveringwekkende muziek maakt duidelijk dat er iets verschrikkelijks staat te gebeuren. Het is immers een horrorfilm, of iets in die richting.
Buiten is het plots pikdonker. Zo donker dat de andere torens niet meer te zien zijn. Een ondoordringbare zwarte wolk omringt het gebouw. Iemand gooit iets naar buiten. Er klinkt geen klap of gerinkel, het voorwerp wordt gewoon opgeslokt. Dat overkomt ook degene die zijn hand naar buiten steekt. Hand weg. Alsof die met een zwaard is afgehakt.
Binnen blijven is het devies. Net als bij de lockdown. Alleen is er nu geen bevoorrading meer. Geen eten. Geen hulp. De bewoners zijn volledig op zich aangewezen. Geheel in strijd met wat Rutger Bregman beweert gaan de diverse bewoners elkaar bestrijden. Een overlevingsstrijd van etage tot etage. Je begrijpt, dat gaat er niet zachtzinnig aan toe.
Al vrij snel besluiten de witte bewoners dat de strijd via etnische lijnen zal verlopen. Wit versus zwart versus bruin. Dat is racistisch maar ook maatschappijkritisch. Of bevestigend, daar ben ik nog niet uit. Vandaar mijn twijfel in de eerste zin van het stuk. De regisseur maakte eerder een comedy over de ontvoering van Michel Houellebecq waarin deze zelf de hoofdrol speelt. Die heb ik niet gezien maar hij kreeg lovende kritieken omdat hij zo slim met het – mede door de conservatieve Houellebecq aangejaagde – maatschappelijk debat speelt.
Deze film gaat natuurlijk over de lockdown en het besef dat die maatregel opriep. Teruggeworpen worden op jezelf, afhankelijk zijn van je buren en ieder medemens als een potentieel gevaar zien. Het Ik-tijdperk als slagveld.
La Tour riep bij mij ook herinneringen op aan een andere Franse film over burgers die op zichzelf worden teruggeworpen. Of nee, daar zelf voor kiezen. Themroc, een film die ik voor het eerst zag toen ik 17 was en enorme indruk maakte, gaat over Parijzenaars die er voor kiezen terug te keren naar de prehistorie om zo aan het kapitalisme te ontsnappen. Om te overleven eten ze politieagenten op. Het is een anarchistische klassieker uit de jaren ‘70 en een tijd terug nog de keuzefilm bij Zomergasten. Google weet helaas niet meer van wie.
Maar goed, andere tijden, andere ideeën. In La Tour zijn geen politieagenten voorhanden. En ook de machtige klasse is afwezig dus het is een strijd van de kansarmen onder elkaar. En die hebben huisdieren die je kunt eten. Er is meer onderlinge strijd en minder rebellie. Misschien is dat wel zo realistisch. Bij gebrek aan grote ideeën is de wereld kleiner geworden en tegelijk minder overzichtelijk.
Nog even dit: Iedere zondagavond verstuur ik In de Week, een nieuwsbrief over wat ik zie, lees, schrijf, hoor en verder opmerk. Abonneer je nu meteen gratis via deze link. Vergeet niet de bevestigingsmail te checken.