Spring naar inhoud

1

Het strand van Bloemendaal lag bezaaid met kwallen. Ik zou bijna zeggen dode kwallen maar eerlijk gezegd weet ik niet zeker of ze wel dood waren. Ik ben niet zo heldhaftig of dom - die twee worden nogal eens verwisseld - om ze aan te raken. ‘Kwalhalla’, zei m’n goede vriendin, die wel vaker totale situaties in een enkel woord weet te vangen, droogjes. En stelde toen de vraag die een lawine aan vragen losmaakte en zich uitstortte in een gapende leegte aan kennis: Hoe komen die hier? Gevolgd door: Waren ze al dood voordat ze aanspoelden? Doen ze het expres of is het een kwallenramp? Waar komen ze vandaan? Hoe leven ze?

Ik moest het antwoord op iedere vraag schuldig blijven. Ik ben dol dierenweetjes maar van kwallen? Helaas. Ja, ik had een keer door een school kwalletjes gezwommen, al wist ik niet eens of dat bij kwallen zo heet. Kudde? Troep? Wolk? Heel klein waren ze en ze staken als een soort schrikdraad.

Hoe komen ze op het strand? Zijn het aliens die een mislukte invasie plegen, is het een vorm van sex on the beach en liggen er louter mannetjes die zojuist hun enige functie en vaak ook ambitie in het leven vervuld hebben?

Sorry, ik weet niks van kwallen, bekende ik. Met enige schaamte want ik ben me er al bijna mijn hele leven van bewust dat er medewezens bestaan die kwallen heten maar ik heb me nooit afgevraagd hoe ze leven. In groepen, wist de vriendin door het bekijken van de documentaire Finding Nemo over een visje dat op zoek gaat naar z’n vader. Ze beschreef een scene die ik me nu ook herinnerde. Ik wilde nog iets vertellen over een Portugees Galjoen want dat is een kwal die dodelijk is en dat soort verhalen gaan er altijd wel in maar dat wist ze al. We liepen verder tussen de kwallen door en hadden het er niet meer over. Het heeft geen zin om door te praten over zaken waar je niets van weet, al denken nogal wat media daar anders over.

‘s Ochtends, liggend op de bank, googelde ik ‘kwallen strand’ en meteen verscheen de vraag: Hoe komen er zoveel kwallen op de stranden? Precies. Dat wilden dus meer mensen weten. Het antwoord is te vinden op een site die Kwallenradar heet. Zo’n naam die weer een keten aan ideeën losmaakt. Hadden sociale media maar een kwallenradar, bijvoorbeeld. Maar laat ik niet afdwalen, dat is meer iets voor kwallen. Het bleek inderdaad een ramp te zijn geweest. Althans voor de kwallen. De dieren zijn overgeleverd aan stromingen in de zee en bij een bepaald soort wind worden ze massaal op het strand gedumpt, waar ze dan meestal sterven, een soort omgekeerd verdrinken.

Ik googelde verder want er ging een zee aan informatie open en stuitte toen ineens op het grootste wonder. Er blijkt een kwallensoort te bestaan die vermoedelijk het eeuwig leven heeft omdat die aan het einde van zijn levenscyclus weer baby wordt en dan weer volwassen. Denk je eens in hoe geniaal dat is. Een soort reïncarnatie in jezelf. Met als resultaat een wezen dat al miljoenen jaren bestaat en steeds opnieuw begint. Dat er nooit een einde aan je leven komt, dat je geen hemel hoeft te hebben omdat je er al in leeft. Of in de hel natuurlijk, gezien de anderen. Ik dacht er over na, probeerde het me voor te stellen en werd spontaan overvallen door levensmoeheid. Dan toch liever die kwal op het strand.

De hemel was grijs als een zinken dak, de regen hing twijfelend aan de wolken en de lucht was op zijn beurt koud als metaal. Het was kennelijk ook nog eens metaforenmaandag. Ik trok de deur van de koffiezaak waar ik de ochtend vermalen had achter me dicht. Ik moest nu echt iets gaan doen, mezelf nuttig maken.

Begin januari, de moeilijkste dagen van het jaar, als alles nieuw hoort te zijn maar in werkelijkheid alleen maar afgetrapt is. Een maand als een onbetrouwbare tweedehandsauto. Startproblemen iedere ochtend. De Romeinen lieten het nieuwe jaar beginnen in maart. Zoveel slimmer. Het is me ook daarom een raadsel waarom dat rijk ooit ten onder is gegaan.

Op het trottoir pikte een duif naar een stuk karton. Een troosteloos gezicht. Toen hij, of zij dat was me niet duidelijk, doorkreeg dat het niet eetbaar was richtte hij zich op. Hij leek teleurgesteld. Dat klinkt als projectie of nog erger als antropomorfie, maar hoezo zou de duif niet teleurgesteld zijn. Omdat hij geen verwachtingen heeft? Waarom pikt hij dan op het karton en niet willekeurig op de straatstenen die net zo min eetbaar zijn? Misschien is het juist wel projectie om te denken dat een duif geen verwachtingen heeft, geen verlangens, dat maakt de wereld immers een stuk overzichtelijker als verlangens zijn voorbehouden aan mensen.

Een duif weet feilloos zijn nest terug te vinden over honderden kilometers afstand maar verlangens gunnen we hem niet. We moeten immers koste wat kost voorkomen dat de duif op ons gaat lijken, of erger: wij op de duif.

Antropomorfie, de neiging om aan dieren menselijke eigenschappen toe te kennen is in serieuze kringen taboe. Natuurlijk moet je daarmee oppassen, voor je het weet geloof je in fabeltjes. De tegenovergestelde neiging, niets menselijks aan dieren toe te schrijven, is echter net zo kwalijk. In ieder geval voor de dieren. Wie meer mens ziet in een varken, het boerderijdier dat het meest op ons lijkt, springt er wellicht anders mee om.

Dat klinkt misschien interessant maar maakt het vraagstuk rond de duif niet minder groot. Want als de duif echt teleurgesteld was, rijst er een heel ander probleem. Waarom zou hij dan verlangend naar het karton pikken? Het zal toch niet de eerste keer zijn dat hij een stuk karton tegenkomt.

Hij zou beter moeten weten. En toch proberen. Kijken of het geen smakelijk hapje is. Een gelukje. Een beetje zoals hele volksstammen ieder jaar een Oudejaarslot kopen. Ik doe dat niet, want ik speel mee in de Postcodeloterij. Nou ja, meespelen... ik heb ooit geprobeerd dat stop te zetten. Daar moet je een speciaal nummer voor bellen en dan krijg je een heel aardig iemand aan de lijn. Sindsdien speel ik met dubbele loten. Je begrijpt dat ik niet nog een keer durf te bellen.

Weer niks gewonnen trouwens. Ik krijg wel ieder jaar zo’n dikke kartonnen agenda met voor duizenden euro’s kortingsbonnen die ik nooit benut. Waar ik me dan nog loseriger over voel. De postcodeloterij maakt van ons allemaal verliezers. Daarom hebben ze het ook steeds over hun goede doelen, de farizeeërs.

De duif stapte verder, speurend naar de grond of er ergens eten lag, of een stukje karton natuurlijk. Ik keek hem na en realiseerde me hoezeer we op elkaar leken. Het begon nu echt te regenen. Januari, wat een kutmaand.

cc-foto: Mira Pangkey

Op de A12, vlak voor Utrecht, kwam het verkeer voor me een paar weken geleden plots tot stilstand. Ik zag een automobilist nog snel uitwijken naar de parallelweg, voor mij was het te laat. De wielen stopten met draaien. 

Stilstaan. 

Ik ben veel spitsrijden gewend, een soort langdurige autovariant op het wachten bij de kassa, het langzaam voortkruipen als metalen slakken, maar verkeer dat ineens helemaal stilstaat betekent meestal slecht nieuws, niet alleen in de zin van te laat komen. Een ongeluk, leed dat vaak ver voorbij de witte strepen op het asfalt reikt.

Dat kon wel zo zijn maar had ik ook maar alert die uitwijkmogelijkheid van de parallelweg benut, dacht ik met het egoïsme van de forens in tijdnood. Ik trommelde onwillekeurig met mijn vingers op het stuur, zo'n gebaar dat je gevoel van ongeduld alleen maar versterkt.

In de verte zag ik half onder een viaduct, twee vrachtwagens stilstaan, naast elkaar. Het verkeer kwam langzaam in beweging, laveerde om de trucks heen.

Wat was er aan de hand? Hadden ze zich klemgereden? Was er een auto tussen hen verkreukeld? In het al optrekkende voorbijgaan was er zo gauw geen ongeluk te zien. Allebei motorpech? Vreemd.

Ik passeerde de vrachtwagens en keek in de achteruitkijkspiegel terwijl ik gas gaf. Beschut door de twee trucks zat er een zwaan midden op de rijbaan. De vleugels gespreid, de hals in de bocht die een begrip is geworden. Gewond waarschijnlijk. Ondanks zijn verwondingen oogde de vogel majestueus, zoals zwanen dat altijd zijn. Er stond een motorrijder bij, al even verloren als de vogel. Het leek een scene uit een schilderij.

Dat beeld bleef zo sterk hangen dat ik meende dat ik er een foto van had gemaakt. Toen ik die nu, weken later, wilde opzoeken, kwam ik er achter dat die er niet was. Ik had geen foto gemaakt, ik was gewoon doorgereden met mijn ogen op de weg gericht en slechts even een blik in de achteruitkijkspiegel. Maar ik had het eenmaal thuisgekomen wel opgeschreven. Daardoor kon ik het beeld beter voor de geest halen dan van al die honderden andere voorvallen die ik al zoekend tegenkwam in het geheugen van m'n telefoon. Vastleggen doe je beter met woorden. Die opslagruimte in m'n iPhone is net zo min mijn geheugen als dat de wielen van mijn auto mijn benen zijn.

Joop Visser nam in 1987 het album 'Voor de Zieken en Zeevarenden' op met daarop onder meer het nummer Amsterdam:

In Amsterdam waar alles kan
Daar heb je de mooiste grachten
Daar zwemt bij mooi weer in de avondstond
De plaatselijke bevolking rond

Ik moest er indertijd hard om lachen, zoals wel vaker om de gitzwarte humor in zijn liedjes. Zwemmen in de Amsterdamse grachten, het idee was te bespottelijk voor woorden. De grachten waren zo vies dat je er letterlijk doodziek van zou worden.

Nieuwsblad van het Noorden 1972
Nieuwsblad van het Noorden 1972
Zaterdag zag ik deze foto van Boris Veldhuijzen Van Zanten:

Swimming in the Amsterdam canals

Een foto die is geplaatst door Boris Veldhuijzen van Zanten (@borisvvz) op

Ja, Maximá deed het natuurlijk eerder. Maar voor wie denkt dat de wereld almaar slechter wordt: niemand had dit dertig jaar terug durven dromen. Nu kan het wel. Met dank aan de zogenaamde 'milieugekkies' die al die jaren eindeloos en onvermoeibaar actie voerden om de vervuiling tegen te gaan.

Dit verhaal gaat niet over theater, al lijkt het wel zo. Maar daar kom je pas op het einde achter, zoals vaak bij theater.

In Londen ging ik naar het theaterstuk Calculating Kindness, over de bizarre lotgevallen van de wetenschapper George Price. Een waargebeurd verhaal.

calc2

Als chemicus was Price in de VS betrokken bij het Manhattan Project, de ontwikkeling van de atoombom die uiteindelijk op de Japanse steden Hiroshama en Nagasaki werd gedropt en naar schatting een kwart miljoen mensen doodde. Je zou denken dat je dan je bijdrage aan de wereldgeschiedenis wel geleverd hebt maar voor Price was dat niet voldoende. Hij wilde hoogstpersoonlijk impact hebben op de wetenschap en geschiedenis.

In 1967 liet hij zijn ex-vrouw en twee dochters in de steek, stak de oceaan over en meldde zich in Londen bij de beroemde evolutionair bioloog W.D. Hamilton die op zoek was naar een wetenschappelijke verklaring voor altruïsme. Price ging bij hem werken en bedacht een wiskundige formule die altruïstisch gedrag beschrijft. Die naar hem vernoemde Price-vergelijking was een doorbraak en wordt nog steeds toegepast.

Maar dat was niet voldoende voor Price. Hij wilde ook nog verklaren waarom hij de verklaring voor altruïsme gevonden had. Jezus. En inderdaad: vervolgens bekeerde hij zich radicaal tot het christendom. Radicaal in de zin dat hij, geheel indachtig de woorden van Jezus, een afkeer van hebzucht en bezitsdrang ontwikkelde. Hij nam daklozen in huis, deed afstand van alles en raakte aan de rand van de afgrond. Uiteindelijk beroofde hij zichzelf in 1975 van het leven, op een steenworp afstand van het theater waar de voorstelling over zijn levensloop nu werd opgevoerd.

Iemand zou eens moeten proberen het levenslot tot een wiskundige formule terug te brengen, zodat je genoeg hebt aan een zakcalculator om de fabelachtige logica van het bestaan te doorgronden.

Het Camden People's Theatre is een heel klein theater, ik telde vijftig stoelen, en de voorstelling zelf deed een beetje aan De Parade denken vanwege het zeer creatief gebruik van decor, klein podium en de 3 acteurs die verschillende rollen vervullen. Met als verschil dat de voorstelling in tegenstelling tot een gemiddelde show op het tentenfestival ruim anderhalf duurde, naar mijn mening een uur te lang. De Time Out vatte het mooi samen:

"Tegen het einde van het stuk schreeuwt Price uit: 'Ik heb een wiskundige vergelijking geschreven waaruit ik niet kon ontsnappen!' (...) Maar voor het grootste deel van de tijd is het juist het publiek dat zich opgesloten voelt in dit volgepakte en veeleisende stuk."

Tja, daar hadden ze wel een beetje gelijk in. Jezus, wat verlangde ik er naar te ontsnappen uit de zaal. Maar weggaan was geen optie want dan zou ik de voorstelling voor iedereen te verpesten. In die zin sloeg de titel Calculating Kindness onverwacht op je eigen gedrag tijdens de voorstelling. Wat gebeurt er als ik nu weg ga en kan ik dat maken, zat ik te rekenen.

Dat was trouwens wat mij betreft niet zozeer vanwege het acteerwerk of script als vanwege de temperatuur in de uitverkochte zaal. Ik voelde me als een croissant op de vroege zondagochtend, in de oven van een bakker. Het was zo snikheet dat ik om aan de benauwdheid te ontkomen de neiging kreeg me te ontkleden tot een niveau dat het personeel de politie zou bellen. Hoewel dat in Londen geloof ik minder snel wordt gedaan want aan het uitgaanspubliek te zien houden Britten nogal van schaarse kleding. Ik dacht ter afkoeling aan de letterlijk huiveringwekkende taferelen op straat tijdens de uitgaansavond waarop de kou driftig experimenteerde met het verschil tussen thermometerniveau en gevoelstemperatuur. Mannen in t-shirts en korte broek, vrouwen in outfits die doen denken aan de Costa Brava in augustus, terwijl mijn blik de straat afspeurde naar ijsmeesters omdat het voelde alsof er ieder moment een Elfstedentocht kon beginnen.

Het oproepen van verkoelende beelden hielp niet. Braaf als ik ben hield ik natuurlijk al mijn kleren aan en wachtte onhoorbaar puffend op de verlossing. En toen, bijna aan het einde van het stuk, viel me iets merkwaardigs op dat niets met de voorstelling te maken had.

Er werd listig, maar soms ook wel een beetje obligaat, gebruik gemaakt van geluid, om de beperkingen van het superkleine podium te overwinnen. Op het moment dat Price overleden is, staart zijn makker zwijgend het publiek in en klinkt in de verte het geluid van kraaien. Meteen denk je 'ah, de begrafenis'.

Die reflex hield me daarna nog bezig. Ik heb al te vaak begrafenissen bijgewoond maar ik kan me geen enkele kraai herinneren die tijdens zo'n gebeurtenis opdook. Toen ik het geluid hoorde zag ik weliswaar meteen het beeld voor me van kraaien die zweven rond een kerktoren, zoals ik dat ken uit mijn jeugd, maar bij die kerk werden geen mensen begraven.

Kraaien worden in de beeldvorming geassocieerd met de dood maar ik kon zo gauw geen beeld oproepen dat die relatie bevestigt. Althans niet bewust. Onbewust was dat natuurlijk al wel gebeurd doordat ik meteen wist dat kraaien met dood te maken hebben. Zoals je bij zwarte katten denkt aan ongelukken, terwijl ik nog nooit een ongeluk door een zwarte kat heb meegemaakt.

We worden in het leven geleid door associaties waar we amper controle over hebben als we ons er niet heel sterk van bewust zijn. Dat is volgens mij de bron van alle religie, maar dat terzijde. Je hebt natuurlijk de neiging dat toe te schrijven aan cultuur, aan wat je is aangeleerd. Maar zou het niet instinctief zijn, vroeg ik me daar in de verzengende hitte van het theater af, net zoals altruïsme. Of zoals we ontspannen raken bij het zien van groen.

Als dat zo is dan zit ergens in onze genen de informatie opgeslagen dat kraaien en dood bij elkaar horen. Dat lijkt me nou best een voorstelling op De Parade waard. Te zien op een warme zomeravond terwijl er een zacht briesje door de volgepakte tent waait.

1

Vanochtend zag ik, terwijl ik hard op de fietspedalen drukte om op tijd bij de trein te zijn, een houtduif onder wat bomen scharrelen. Het was op zich niets bijzonders maar ik zag het zoals je naar iets wonderlijks kijkt in de seconde voordat je doorhebt wat je ziet. Zoals bij een dansend licht in de duisternis, een spontaan bewegend gordijn of een plotselinge rimpeling in een vijver. De duif viel me op omdat hij zo rustig was temidden van de razende gekte. Optrekkende auto's, slingerende fietsers, doorstappende mannen met aktetassen, vrouwen op brommers.

Ik had sinds het wakker worden al getwijfeld tussen auto en trein om naar mijn werk te gaan. "Op de route naar uw werk is het ongewoon druk", zei m'n iPhone tijdens het haastontbijt van zaden, noten en bessen. En ik vroeg me af wat er precies bedoeld werd met 'ongewoon'. De iPhone zegt dit namelijk iedere ochtend. Dus het ongewone is eigenlijk gewoon.

De duif speurde de grond af. Naar noten, zaden en bessen, bedacht ik. En meteen voelde ik een band. Zoals je dat hebt bij het ontbijtbuffet van een hotel waar een vreemde precies hetzelfde ontbijt kiest als jij. Eten verbindt.

Ik probeerde me te verplaatsen in de positie van de duif. Zou hij me gezien hebben zoals ik hem? Een man op een fiets, met een licht rood gekleurd hoofd van inspanning en een wit sjaaltje om zijn nek dat doet denken aan de witte vlekken in de hals van een houtduif. Als hij me zag, was het waarschijnlijk alleen om me in te schatten op dreigingsfactor, dacht ik. Dat hebben we geleerd van al die natuurdocumentaires die het leven presenteren als niets anders dan overleven. Altijd sluipt of dreigt er iets. Nooit is een dier gewoon lekker bezig. Ja, jonge dieren. Maar die zijn dan ook naïef. Iemand zou eens moeten onderzoeken of mensen die naar Sharkweek en dergelijke kijken, banger zijn dan niet-kijkers. Ik wilde me niet voorstellen dat de duif, mijn nieuwe vriend, me als vijand zag.

De duif zag een man op de fiets die nergens vandaan kwam en nergens heen ging. En zo voelde het plots ook. Niet alleen ik maar iedereen om mij heen, de hele spits die de wereld twee keer per dag verandert in een kolkende massa van haastige types. Als ons eigen natuurverschijnsel. Maar zo zien we dat natuurlijk niet.

De duif heeft vleugels, dacht ik. Hij kan vliegen waar hij wil. Hij hoeft niet te kiezen tussen fiets, trein, lopen, tram of auto. Hij slaat zijn vleugels uit en hup. Maar wat doet hij? Hij zit hier onder een boom bij een druk verkeersplein. Alsof je een dakloze ziet met in de collectepet voor hem niet een paar stuivers maar tienduizenden euro's. Het zou je wereldbeeld compleet veranderen.

En ineens wist ik het: als ik vleugels zou hebben dan trok ik er niet op uit maar bleef ik thuis. Noem het vrijheid.

photo credit: Houtduif - Common Wood Pigeon via photopin (license)