Als ik ergens niet goed in ben dan is het wel consequent zijn. Zo gauw ik me iets voorneem, doe ik vervolgens het tegenovergestelde. Altijd.
Dus nadat ik gisteren beschreven had hoe ik mijn leven bewust aan het de-Amerikaniseren ben, ging ik ‘s avonds prompt naar een Amerikaanse film. Niet opzettelijk maar gewoon omdat er niks anders draaide op dat tijdstip. Ik geef toe dat ik twijfelde maar de naam van regisseur Ethan Coen riep herinneringen aan de vrolijke, zorgeloze jaren ‘90 op. Fargo, The Big Lebowski. Absurde comedy’s, gemaakt samen met zijn oudere broer, die niet alleen prachtig gefilmd en geweldig geacteerd zijn maar ook het zorgeloos nihilisme van die tijd knap weten te vangen. De tijd waarin alles lachen was. Wie verlangt daar nu niet naar?
Die tijd is voorbij maar dat lijkt nog niet tot Coen doorgedrongen. Honey Don’t wil een duistere comedy zijn die speelt met de perverse hypocrisie van de preutse Amerikaanse samenleving: killing & praying. Daartoe trekt Coen een hele reeks over the top personages uit de kast. Het probleem is alleen dat de werkelijkheid inmiddels nog veel duisterder is dan deze film. Zet het nieuws aan en de berichten uit de VS zijn gestoorder dan alles wat in Honey Don’t te berde wordt gebracht. De geschiedenis heeft de film, die duidelijk bedacht is voordat Trump tot veler verrassing weer aan de macht kwam, aan alle kanten ingehaald.
Nou wil je misschien weten waar Honey Don’t dan over gaat? Tja, dat is een beetje problematisch, de film lijkt het zelf ook niet te weten. Een lesbische privé-detective moet een verdachte moord oplossen in een sociaal ontwrichte christelijke gemeenschap die stijf staat van drugsgebruik. Die privé-detective wordt gespeeld door Margaret Qualley, die eerder schitterde in The Substance en Poor Things. Dat zijn bizar goede films gemaakt door Europeanen en je ziet dat Coen ook zoiets wil maken: een Europese Amerikaanse film.
Coen schreef de film met zijn vrouw maar gaandeweg bekroop me toch het gevoel dat ik naar een mannenfilm zat te kijken waarbij de mannenrollen vervuld worden door lesbiennes. Dat mag 30 jaar geleden gewaagd zijn geweest, inmiddels zijn we wat verder ontwikkeld en is het gewoon suf of erger.
Dat klinkt misschien zuur want het is immers een comedy maar dat is het andere probleem. De grappen zijn vaak niet grappig en als ze dat wel zijn blijven ze bij gebrek aan ondergrond in de lucht hangen, zoals de hele film. De film wil spotten (veel seks in de kerk!) maar daar zijn de rollen buiten in de echte wereld inmiddels teveel voor omgedraaid. Het land stevent er op af dat lesbisch zijn weer strafbaar wordt, zoals dat vóór de zorgeloze jaren negentig het geval was.
Wat ik wel geslaagd vond is het beeld dat de film schetst van zo’n Amerikaans woestijnstadje, een soort bewoond industrieterrein met hier en daar plukjes leefbaar gebied. De armoede is er niet alleen economisch.
PS: Iedere zondagavond verstuur ik In de Week, een zeer persoonlijke nieuwsbrief over wat ik de voorbije week zag, las, meemaakte en dacht. Doe net als meer dan tweeduizend andere lezers en abonneer je hier gratis.