Een film over journalisten die verslag doen van een nieuwe Amerikaanse burgeroorlog, die speelt in deze tijd. Verschillende staten hebben zich met milities gekeerd tegen een mallotige president die het land naar de sodemieter helpt en geen afstand wil doen van de macht. Dat is het goed klinkende verhaal van Civil War, even dystopisch als helaas realistisch. De vrees dat in de VS een burgeroorlog uitbreekt is zoals alle angsten overdreven maar ook niet helemaal ongegrond.
Toen ik de opwindende trailer zag, werd ik eerlijk gezegd bekropen door twijfel. Was dit wel een interessante film of het zoveelste weinig zeggende spektakel? Er was maar één manier om er achter te komen. Dus toog ik dinsdagavond naar de bioscoop.
Laat ik het maar meteen zeggen: ik heb me dood verveeld. Net niet genoeg om halverwege de zaal uit te lopen maar daar is dan ook alles mee gezegd. De film krijgt lovende kritieken dus je begrijpt, de vraag die me vervolgens bezighield was: wat heb ik gemist?
Ik las wat recensies om er achter te komen maar dat maakte het raadsel alleen nog maar groter. Sommigen beweren dat de film met beelden die doen denken aan Syrië en de Balkan, niet over burgeroorlog gaat maar over journalistiek. Je ziet dan ook vier journalisten die van New York naar Washington trekken en voortdurend in levensgevaar verkeren omdat, zoals dat bij burgeroorlogen hoort, iedereen bezig is elkaar af te maken. Misschien dat de film me daarom teleurstelde. Als je als arts naar een ziekenhuisserie kijkt, herken je weinig van je beroep, op de attributen na. Hetzelfde geldt voor rechercheurs, politici, ja voor welke beroepsgroep niet?
Deze journalisten lijken voor niemand te werken. Er is geen opdrachtgever, geen medium en zelfs geen publiek. De personages waar het om draait zijn bordkartonnen karakters, uitgesneden langs de lijnen van de cliché’s: er is de getormenteerde die hard, gespeeld door Kirsten Dunst, de Gen Z rookie die zo hecht aan vintage dat ze fotografeert op analoge 35 mm zwartwit-film en met haar Paterson-ontwikkeltankje rondloopt op het slagveld, er is de sensatiezoekende adrenalinejunkie en de door de wol geverfde veteraan die eigenlijk niet meer mee kan komen.
De relaties tussen die verschillende types worden geschetst met de standaardmiddelen van Amerikaanse storytelling. Het enige dat – godzijdank – ontbreekt, is een romance. Tegelijkertijd wordt duidelijk waarom Amerikaanse films daar niet zonder kunnen: ondanks al het afschuwelijke, redeloze geweld weet de film geen emoties te raken. Voeg daarbij dat het, afgezien van de actiescènes, ook nog eens allemaal fantasieloos is gefilmd. Naar mijn gevoel stond de camera wel 50 keer in de berm om de passerende auto te filmen en het gevoel van een roadtrip op te roepen.
Nu ik er over nadenk is dat misschien wel waar de film om draait. Alles in de film is zinloos. Het geweld, de missie van de journalisten, de politiek die slechts met enkele flarden aan bod komt. Je ziet een land waar mensen ooit redelijk leefden en het geluk aangereikt kregen in pretparken en warenhuizen, maar dat nu totaal verwoest is en waar haat regeeert, zonder dat duidelijk wordt waarom.
De film hinkt wat dat betreft op twee gedachten: nihilisme en humanitairisme, een lastige combinatie waarbij ook nog eens ieder groter verband wordt genegeerd. Toen ik me dat realiseerde viel ineens het kwartje. Ik checkte het geboortejaar van de Britse regisseur Alex Garland. 1970. Vandaar wellicht. De film serveert het typische wereldbeeld van Gen X, de generatie die opgroeide met de illusie dat ideologie er niet meer toe deed. Civil War is zo bezien een jaren negentig beeld van deze tijd.
PS: Iedere zondagavond verstuur ik In de Week, een zeer persoonlijke nieuwsbrief over wat ik de voorbije week zag, las, meemaakte en dacht. Abonneer je hier gratis.