Parijs heeft de mooiste 10k en wel hierom

Zaterdag ging ik met knikkende knieën naar Parijs om daar de volgende dag aan de start voor de grootste 10km race van Europa te verschijnen. Met veel te weinig voorbereiding voelt dat al alsof het startpistool tegen je slaap gedrukt wordt maar in Parijs voelt dat extra intimiderend. Het is immers Parijs. Laat me dat uitleggen.

Op weg er naartoe luisterde ik naar een oude aflevering van The Earful Tower, een podcast gemaakt door een Australische arbeidsmigrant die vertelt over zijn leven in de Franse hoofdstad. Hij had het over kaas, of liever gezegd fromage. Kaas as we know it is veelal een liefdeloos massaproduct, machinaal in plakken gesneden, als het even kan in plastic verpakt. Fromage daarentegen, dat is smaak, dat is cultuur, dat is een levenswijze, dat is raison d’être

Oliver Gee vertelde dat hij op een avond met allemaal Parijse buitenlanders bij elkaar zat en er kaas op tafel kwam. Waaronder een 12 maanden oude Comté. Een Amerikaan die nog niet zo lang in Parijs woonde pakte een mes en sneed er een stuk uit. De aanwezigen reageerden geshockt. Gee maakte een foto en zette die online. All hell broke loose. “Dit is een regelrechte oorlogsverklaring” reageerde iemand. Het was een van de ingetogener reacties.

Op de bekende podcast vertelwijze – uitgesponnen geamuseerd praten met een tergend laag informatiegehalte – gaat hij in op de kwestie. Hij spreekt met getuigen, met de dader – uit Texas, ook dat nog – die zich van geen kwaad bewust was. Hij gaat met de foto langs in de kaaswinkel om te vragen wat ze er daar van vinden. Daar reageren de medewerkers oprecht geschrokken maar niet agressief. “Het is alsof mijn zoontje van anderhalf er op los is gegaan.”

De aflevering maakt je niet heel veel wijzer over Comté, noch over hoe je die moet eten, maar toont wel op een ontspannen manier hoe bang mensen zijn dat ze iets verkeerd doen als ze in Parijs zijn. Dat is denk ik een van de redenen waarom sommige mensen zich ongemakkelijk voelen in die stad. De geheime regels die er duidelijk zijn maar die je niet kent. Je loopt over straat, ziet hoe mensen gekleed gaan en dan valt in het spiegelbeeld van een etalageruit ineens op wat je zelf hebt aangetrokken toen je in Nederland uit bed stapte. Goed genoeg voor een bezoek aan de Praxis, blending in, maar hier? Oeps.

De Nederlandse journaliste Mara Grim, die onder meer een uitzonderlijk succesvolle substack nieuwsbrief verzorgt, schreef een smakelijk boek over de Parijse manier van leven en de ongeschreven wetten van de stad. Bijvoorbeeld dat je niet op straat naar een onbekende moet lachen want dan denken ze dat je gek bent. Dat wil overigens niet zeggen dat Parijzenaars onvriendelijk zijn. Integendeel.

Maar goed, voor hardlopen in Parijs zijn er vast ook allemaal regels, die ik natuurlijk niet ken, dus je begrijpt dat ik enigszins nerveus naar de Adidas winkel aan de Champs-Élysées toog. Ik had in de voorbije weken wel drie mails gekregen dat ik het startnummer echt op tijd moest ophalen in het gekozen tijdslot tussen 16 en 19 uur. Eenmaal aangekomen begreep ik waarom: er stond een rij van wel honderd meter voor de deur. O ja natuurlijk, als 44.000 deelnemers een startnummer moeten ontvangen dan vergt dat enige organisatie.

Het ging overigens gesmeerd. Binnen een kwartier was ik binnen, ontving na het tonen van id-bewijs en qr-code mijn startnummer. Een aan het eind van de dag nog steeds onvermoeibaar geduldige medewerker zette iedereen die dat wilde op de foto met een kaart van het parcours op de achtergrond. Alle deelnemers kregen ook het speciale t-shirt dat bij de prijs van het inschrijfgeld, 45 euro, was inbegrepen. Het bleek een superslimme zet. Niet alleen omdat Adidas zo tienduizenden t-shirts wist te verkopen maar omdat vrijwel het hele lopersveld hetzelfde droeg. Dat zorgde op de dag zelf voor een zeer stijlvol beeld. Een rode lijn die beweegt, zeg maar. Rob Jetten had zo mee kunnen lopen.

De sfeer was in de winkel meteen al zo goed en feestelijk dat mijn zenuwen vanzelf verdwenen. Iedereen was vrolijk en behulpzaam. Er heerste ook niet de opgefoktheid die met prestatiedwang gepaard gaat. Op de nummers zelf stond hoe lang de betreffende loper er over dacht te gaan doen, ingedeeld in tijdsvakken. 43 minuten bijvoorbeeld, of 51 minuten. Ik had het zwarte, laatste vak: 1 uur 5 of meer. Geheel in Franse stijl werd het eerste vak aangeduid als ‘Elite’. Dat waren de echte renners. De winnaar, de Fransman Mehdi Frere, zou de volgende dag in 28 minuten en 11 seconden finishen, een tijd die ik niet eens op de 5 km haal.

De volgende ochtend vertrok ik vanuit mijn goedkope hotel in het 17e arrondissement naar de start. Bij iedere halte van de metro vulde de wagon zich met meer lopers in felrode shirts. Eenmaal weer buiten kleurden de straten naar het verzamelpunt op de Avenue Kléber steeds roder. Er hing een ontspannen zondagochtend stemming. Parijzenaars kwamen van de bakker, hier en daar werden marktkramen opgebouwd. Wat me ook opviel, er was geen herrie. Geen razend verkeer, geen blèrende muziek. Gewoon het gezellige geroezemoes van een mensenmassa. Dichterbij de start stond wel een spreekstalmeester die grapjes maakte en de deelnemers in beweging kreeg maar het was allemaal relaxed.

De eerste renners vertrokken om kwart voor acht in de ochtend. Ik was pas om half 12 aan de beurt. Ook dat was verbluffend goed georganiseerd. In Rotterdam gaan massale waves met duizenden tegelijk van start. Hier 400 lopers per keer met steeds enkele minuten verschil. Het maakte de start veel relaxter en voorkwam het gedrang dat bij deze massale races vaak optreedt in het begin van de race. Wat ook hielp was dat er overal grote posters hingen, niet met schreeuwerige just do it! achtige teksten maar met spottende relativering. “Dit is het moment waarop je je afvraagt waarom” bijvoorbeeld. “Te laat om spijt te hebben.” Of “Ja het is lang wachten tot de start. Maar daarna… is het ook lang.”

Als ik jou was zou ik vandaag nog even een stukje gaan rennen. En voor 10 km hoef je toch geen bidon mee te nemen? Zelfs als je langzaam bent duurt dat hoogstens een uur, zolang kan je lichaam echt wel zonder vochtaanvulling. Het wordt lekker loopweer zo te zien, niet te warm. Veel succes ermee.

Harmen van der Meulen 🔻 (@hmvdm.bsky.social) 2026-06-05T07:29:51.710Z
Een serie foto’s van zondag

Op zaterdag had ik een appje ontvangen van een renmaatje met wie ik eerder mijn zorgen had gedeeld, dat ik vanwege mijn slechte conditie niet binnen de vereiste anderhalf uur de finish zou halen. Dat ík opgeveegd zou worden. Of erger, zelf zou afhaken. “Veel succes en ook plezier morgen! Je bent er voor jezelf. 7 km hardlopen hou je zeker vol (45 min), als het daarna niet meer lukt 3 km wandelen (ook 45 min). Je haalt het dus!” Dat advies hielp me enorm. Als ik de eerste 7 km zou halen, zou de rest ook wel lukken. Inderdaad. Ik werd er kalm van. Ik besloot rustig aan te doen, te lopen in een tempo dat goed voelde. Meer joggen dan rennen. 

Ook een ander advies dat ik via social media kreeg hielp me. In Parijs doen ze niet aan papieren bekertjes waar elders het parcours mee bezaaid ligt. Je moet je eigen bidon meenemen die onderweg bijgevuld kan worden door medewerkers met een soort tuinslangen. Wat moest ik meenemen? Een bidon of toch zo’n slappe zuigfles bijvoorbeeld? Harmen van der Meulen reageerde: “Voor 10 km hoef je toch geen bidon mee te nemen? Zelfs als je langzaam bent duurt dat hoogstens een uur, zolang kan je lichaam echt wel zonder vochtaanvulling. Het wordt lekker loopweer zo te zien, niet te warm.” Verdomd. Weer een zorg minder. 

En zo ging ik ontspannen van start bij het Trocadéro. In min of meer hetzelfde tempo liepen we met z’n allen langs de Seine. De zon scheen maar brandde niet. Tot enigszins mijn schrik voerde de route wel door de verkeerstunnels die daar lopen. Dat betekende dalen en weer klimmen. Als loper van het vlakke land hou ik daar niet van. Tien meter stijging vind ik al een soort Mont Blanc beklimming. Het ging me gelukkig beter af dan ik vreesde. Mede omdat in de tunnels dj’s opzwepende muziek draaiden. In een ervan stonden ook enorme ventilatoren opgesteld om je de wind in de rug te geven. Dat hielp in ieder geval psychologisch.

Ik keek om me heen en realiseerde me dat niemand hier tegen elkaar liep, niemand was bezig een ander te verslaan. Iedereen liep hier met elkaar voor zichzelf. Een collectief individualisme. Samen sterk zijn. Het voelde bevrijdend en plots erg Frans. Liberté, etcetera. 

We renden langs het Louvre en draaiden het binnenterrein op van dit machtige museum. Daar schitterde de glazen piramide van I. M. Pei. Het voelde als een voorrecht over de binnenplaats van het grootste museum ter wereld te rennen. Sowieso bleek dit het mooiste parcours dat ik ooit gelopen heb. Langs de Opéra Garnier, de Place Vendôme, de Madeleine. Overal langs de kant enthousiast publiek. Ik ben nog nooit zo vaak persoonlijk aangemoedigd door volstrekt onbekenden: Allez Franciscoooooo! Allez! Wel 15, 20 keer. 

Na 5 kilometer werd ik gepasseerd door een kerel die een kinderwagen voor zich uitduwde met daarin een kind. Uitslover, dacht ik. Daarna nog een. En nog een. Een loper kwam bijna te val bij een inhaalmanoeuvre door zo’n kerel. Ik schudde mijn hoofd. Wat waren dit voor idioten? Daarna volgde een vrouwelijke renner met kinderwagen. Ineens viel het kwartje. Poussettes. Dat woord stond in het vertrekschema achter mijn vertrekvak. Ik dacht dat poussette bezemwagen betekende – wat zo is – maar het betekent ook kinderwagen. Er doet een aparte groep mee met kinderwagens… met kinderen er in. Er passeerde zelfs een tweeling. Parijs, je bent geweldig.

Onderweg wilde ik niet op mijn horloge kijken, om mezelf niet te demotiveren, maar na 7 kilometer kon ik de verleiding niet meer weerstaan. 52 minuten al. Oef, dat zou een slechte eindtijd worden. 7 minuut 44 per kilometer ging ik nu. Ik probeerde uit te rekenen hoe laat ik zou finishen maar mijn hersenen weigerden mee te werken, misschien uit zelfbescherming. Ik ging aan iets anders denken om te voorkomen dat het demotivatieduiveltje aan mijn enkels ging hangen. 

Na 8,5 kilometer, ik had nu toch wel wat dorst, draaiden we de Champs-Élysées op met aan het einde de Arc de Triomphe. Lopers staken spontaan hun armen in de lucht en juichten. Daar, daar was onze triomf. Maar eerst moest deze enorme laan, die over de hele lengte een stijging kent, nog genomen worden. Dat was best een beproeving.

Het zweet guste over mijn lijf maar het lopen ging nog steeds goed. Alles waar ik bang voor was geweest was achterwege gebleven. Mijn ingewanden waren niet gaan rommelen, mijn voeten voelden niet bekneld. In het begin voelden mijn longen alsof ik een zware roker was maar dat trok snel weg. 

We draaiden voor de Arc de Triomphe de Avenue Foch op. Daar over 300 meter was de finish, 200… de laatste 100 meter besloot ik nog een sprintje te trekken. Dat ging wonderwel goed, ik had nog kracht. Even althans.

Buiten adem passeerde ik de eindstreep. Een medewerkster feliciteerde me en hing me een, ook al zo mooie, medaille om. Dorst.. dorst. Er stonden lange tafels met harde plastic bekers met water. Die kon je pakken en daarna weer inleveren. Ook hier geen afval op de grond. Ik heb nog nooit een evenement meegemaakt met zo weinig rotzooi.

Er waren niet alleen bananen om aan te sterken maar ook plakken ontbijtkoek, zoute crackers, cherrytomaatjes, noten en zelfs kleine worstjes. Zelfs hier is het eten beter dan elders. Ik kreeg een Haagen Dazs ijsje. Andere lopers liepen tot mijn stomme verbazing met grote bekers bier. Plots begon iedereen te dansen, de armen zwaaiend in de lucht en meezingen met het nummer we will rock you dat een dj had ingezet. Ik zag dat ik op een festivalterrein was beland. Hier werd gewoon gefeest…

Ik verliet het terrein. Bij de ingang stonden een paar zwaar bewapende agenten er ontspannen bij. Het was de eerste politie die ik zag. Ik had ook geen sirenes gehoord.

Het was niet alleen de mooiste, best georganiseerde en heerlijkste race die ik ooit gelopen had maar ook de meest relaxte. Mijn eindtijd was weliswaar beroerd 1:18:49 maar dat deed me werkelijk niets. Ik had niet gefaald, ik had volop genoten. 

Op de terugweg naar het hotel werd ik op straat verscheidene malen door wildvreemden vriendelijk gefeliciteerd. Meer dan me ooit in Rotterdam is overkomen. Parijzenaars zijn echt aardig en misschien komt het door de Spelen waar de stad zo trots op kan zijn, maar iedereen lijkt het sporten geweldig te vinden.

Ik dacht nog lang na over waarom dit allemaal zo anders en beter is dan ik gewend ben. Natuurlijk het weer was fantastisch, de omgeving maar ik bedacht dat het ook komt doordat het allemaal 10km lopers zijn. Dat is een heel ander type renner dan marathonlopers. Iedereen die gezond is kan in principe met een klein beetje voorbereiding 10 km rennen. Het menselijk lichaam is daar op gebouwd. Het is geen marathon waar je aan het eind dood neervalt en waar maanden Spartaanse voorbereiding aan vooraf gaat. Er deden bovendien heel veel vrouwen mee, bijna 50 procent, waardoor een macho sfeer wegbleef.

Hoe zou het zijn als Rotterdam in plaats van de 1/4 marathon een eigen 10km loop zou hebben? Op een andere dag dan de echte marathon en met een parcours dat voert langs de mooiste plekken van de stad, in plaats van het nogal suffe rondje door het Kralingse bos dat nu ieder jaar afgelegd wordt om de marathon niet in de weg te zitten? Er kunnen dan ook veel meer deelnemers mee doen.

Tot die tijd ren ik voortaan ieder jaar in Parijs. Want van lopen hebben ze daar ook al kaas gegeten.

Om minder afhankelijk te zijn van social media maak ik iedere zondag een nieuwsbrief met tips, ervaringen en ideeën. Abonneer je nu gratis.

2 gedachten over “Parijs heeft de mooiste 10k en wel hierom

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.